Diverse woorden H27 TM 32 Flashcards Preview

Spaans - LOI - beginners > Diverse woorden H27 TM 32 > Flashcards

Flashcards in Diverse woorden H27 TM 32 Deck (171):
1

de paling

la anguila

2

het houtvuur

el fuego de leña

3

de tafelgenoot

el comensal

4

de driehoek

el triángulo

5

ik heb dezelfde schoenen al mijn vriendin

tengo los mismos zapatos que mi amiga

6

ik rook dezelfde sigaretten als mijn vader

Fumo los mismos cigarrillos que mi padre

7

Verander zin met llevar, hacer en desde:
Sinds vijf jaar werk ik hier

Hace cinco años que trabajo aquí
Trabajo aquí desde hace cinco años
Llevo cinco años trabajando aquí

8

Verander zin met llevar, hacer en desde:
Sinds vijf minuten is hij aan het zingen

Hace cinco minutos que está cantando
Está cantando desde hace cinco minutos
Lleva cinco minutes cantando

9

De vrouw blijft huilen

La mujer sigue llorando

10

De honden rennen maar door

Los perros siguen corriendo

11

Werkt u verder!

Continúe usted trabajando

12

Hij blijft uren doorpraten

Sigue hablando durante horas

13

Zij blijven tot diep in de nacht studeren

Siguen estudiando hasta muy tarde por la noche

14

Hij blijft maar doorpraten

Continúa hablando sin parar

15

De jongen loopt te schreeuwen over straat

El chico va gritando por la calle

16

De meisjes lopen bloemen te plukken in het park

Las niñas van cogiendo flores en el parque

17

het riet

la caña

18

de smokkel

el contrabando

19

de doperwt

el guisante

20

hol

hueco

21

het snaarinstrument

el instrumento de cuerda

22

het slaginstrument

el instrumento de percusión

23

de sperzieboon

la judía verde

24

het hout

la leña

25

de peterselie

el perejil

26

het gehakt

la carne picada

27

fijnhakken

picar

28

de eenzaamheid

la soledad

29

de klank

el sonido

30

men bedient niet op het terras

no se sirve en la terraza

31

Met viert het feest op 25 juli

La fiesta se celebra el día 25 de julio

32

Men voegt de suiker toe

Se añade el azúcar

33

Er wordt gezegd dat de kunstenaar niet komt

Se dice que el artista no viene

34

Je mag naar binnen. Men mag naar binnen

Se puede (entrar)

35

Men ontbijt gewoonlijk

se suele desayunar

36

Het eten bestaat uit

La comida se compone

37

wordt vergezeld

se acompaña

38

wordt beperkt tot

se reduce

39

men maakt

se hace

40

Hoe kom je daarginds?

Cómo se llega allí?

41

Hoe lang duurt het voordat je er bent?

Cuánto se tarda en llegar?

42

Hoe is het eten in dat restaurant

Cómo se come en aquel restaurante?

43

Kun je in het postkantoor opbellen?

Se puede llamar por teléfono desde la oficina de correos?

44

Wat is in het Spaans ...?

Cómo se dice en español?

45

Hoe gaat het licht aan?

Cómo se enciende la luz?

46

Spreken ze Spaans hier?

Se habla español aquí?

47

Zie je er wat van? (opmerken)

Se nota algo?

48

Beeindigen, klaar zijn met

acabar de

49

nog

aun

50

dommelend, slapend

entre sueños

51

knielen

ponerse de rodillas

52

bidden

rezar

53

hoesten

toser

54

met de handen klappen

dar palmadas

55

oordelen

juzgar

56

de heks

la bruja

57

de hekserij

la brujería

58

de bezwering

el conjuro

59

de vooravond

la víspera

60

de vijgenboom

la higuera

61

uitkiezen

escoger

62

het vermaak

el entretenimiento

63

regelen, in orde maken, opruimen

arreglar

64

de jacht

la caza

65

de jager

el cazador

66

de rechter

el juez

67

de buik

el vientre

68

de harde schijf

el disco duro

69

ICT

Las nuevas tecnologías

70

de toets

la tecla

71

het toetsenbord

el teclado

72

de accu

la batería

73

de bougie

la bujía

74

een lekke band

un pinchazo

75

nakijken

comprobar

76

kapot

estropeado

77

slepen

remolcar

78

geluk hebben

tener suerte

79

nummerbord

el matrícula

80

legitimatiebewijs

el carné de conducir

81

Está asegurado el coche?

Sí, tengo un seguro a todo riesgo

82

voorrangsweg

una carretera principal

83

de schuldige

el culpable

84

ik had voorrang

yo tenía prioridad de paso

85

bumper

el parachoques

86

los (het kenteken zit los)

la matrícula está suelta

87

deuken

abolladuras

88

de wielen lopen aan

las ruedas rozan contra

89

een vreemd geluid

un ruido extraño

90

een blik op werpen

echar un vistazo

91

Eind - uiteinde

El cabo

92

Piet is zojuist weggegaan

Pedro acaba de salir

93

ik heb hem net nog gezien

Acabo de verlo

94

Mijn moeder heeft mij zojuist opgebeld

Mi madre acaba de llamarme

95

De trein is zojuist binnengekomen

El tren acaba de llegar

96

De bus is net weg

El autobús acaba de salir

97

Ik ben nog maar net opgestaan

Acabo de levantarme

98

minachten

despreciar

99

slecht behandelen

maltratar

100

verliefd worden op

enamorarse de

101

bekeren

convertir

102

vermoorden

asesinar

103

de bedevaart

la romería

104

geborduurd

bordado

105

de verdiensten

las ganancias

106

het beheer

la gestión

107

de brandstof

Los hidrocarburos

108

de toename

el incremento

109

grondstoffen

los recursos naturales

110

duurzaam

Sostenible

111

schittering

el resplandor

112

ondergaand

muriente

113

schemering, avondrood

el crepúsculo

114

de vlecht

la trenza

115

gloeiende kool

la brasa

116

Toen hij opbelde, hadden we al gegeten

Cuando llamó, ya habíamos comido

117

Toen ik wakker werd, was het intussen donker geworden

Cuando me desperté, ya había anochecido

118

Mijn vriendin had het al verteld

Mi amiga ya lo había contado

119

De trein was al vertrokken

El tren ya había partido

120

Mijn vriend was een uur te laat aangekomen

Mi amigo había llegado (con una hora de retraso)

121

in- overvallen

invadir

122

opeisen

reclamar

123

dreigen

amenazar

124

de handelaar, dealer

el traficante

125

duidelijk maken

manifestar

126

bewust zijn van

ser consciente

127

wordt verlegd - zijn weg vindt

es desviado

128

ongelukkig

desgraciado

129

de vondst

el hallazgo

130

optrekken (auto/trein)

ponerse en marcha

131

begraven

sepultado

132

de dop

el tapón

133

de schat

el tesoro

134

om de vijf jaar

cada cinco años

135

om de twee uur

cada dos horas

136

Hij lacht om alles

Se ríe de todo

137

alles behalve dit

todo menos esto

138

hij begroet ze allemaal

saluda a todas

139

hij weet alles
hij ziet alles

lo sabe todo
lo ve todo

140

ieder (= iedereen)
iedereen (= alle mensen)

cada uno (cada uno de ustedes: ieder van u)
todo el mundo (todo el mundo sabe que no es verdad)

141

in ieder geval

de todos modos

142

overal

por todas partes

143

door heel Spanje

por toda España

144

op ieder uur

a toda hora

145

de hele dag

todo el día

146

hij drijft overal de spot mee

se burla de todo

147

hij kent hen allemaal

conoce a todos

148

hij koopt alles

lo compra todo

149

Deze rok vind ik niet leuk, ik zoek een andere

Esta falda no me gusta, busco otra

150

Als je wilt, geef ik je er nog een

Si quieres, te doy otro

151

Het is niet deze straat, maar die (andere) daarginds

No es esta calle, sino la otra de allí

152

wanneer cada en wanneer todo

Cada geeft aan: ieder (afzonderlijk), elk, zonder één .... over te slaan (cada is onveranderlijk)
Todo is wat ruimer van betekenis (veranderlijk)

153

Todo wordt gebruikt als?

Bijvoeglijk naamwoord - geheel al (bijv. todo el año)
Zelfstandig gebruikt, dan betekenis:
enkelvoud: "alles" & in meervoud; "allen"
Lijdend voorwerp: meestal met "lo"
(lo ve todo - lo sabe todo)

154

Iedereen - verschil gebruik

cada uno (ieder = iedereen)
(cada uno de ustedes, ieder van u)
todo el mundo (iedereen = alle mensen)
(todo el mundo sabe que no es verdad)

155

nog een / een andere
de andere

otro
el otro

156

Wil je nog een glaasje?

Quieres otra copita?

157

Is dit uw regenjas? Nee, het is een andere

Es esta su Gabardina? No es otra

158

Is dit de trein naar Sevilla? Nee, die andere daar

Es este el tren para Sevilla? No, es el otro de allí

159

hij schrijft mij dat hij volgende week zal komen

Me escribe que vendrá la semana próxima

160

hij schreef mij dat hij volgende week zou komen

Me escribío que vendría la semana próxima

161

ze zeggen dat ze op reis zullen gaan

Dicen que irán de viaje

162

ze zeiden dat ze op reis zouden gaan

Dijeron que irían de viaje

163

Wat zou ik hem graag de waarheid willen zeggen

Cómo me gustaría decirle la verdad

164

Ik zou graag een goede baan willen hebben

me gustaría tener un buen trabajo

165

Ik zou graag meer willen verdienen

Me gustaría ganar más dinero

166

Ik zou verhuizen

Me mudaría de casa

167

Ik zou niet zo lang wachten

No espería tanto tiempo

168

Voor mij is het gebruik van de verleden tijden in het Spaans HET moeilijkst

Para mí el uso de los tiempos pasados en español es LO más dificil

169

HET goede van hier te wonen is dat het een rustige omgeving is

LO bueno de vivir aquí es el ambiente tranquilo

170

Wat doet hij HET eerst als hij thuiskomt?

Qué es LO primero que hace cuando llega de su trabajo?

171

bibberen

tiritar