HC07 - Membraantransport Flashcards

1
Q

Waarvoor is de lipidenbilaag impermeabel?

A

Ionen en voor veel polaire moleculen (o.a. glucose, aminozuren)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Hoe wordt de vloeibaarheid van membranen optimaal gehouden?

A

Door de samenstelling te veranderen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat zal het verschil in membraansamenstelling zijn tussen een tropische vis en een vis in de poolvis?

A

Om te zorgen dat beide membranen even vloeibaar zijn, zal dus bij de vis in de poolzee het percentage onverzadigde en kortere vetzuren toenemen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Hoe verschilt de binnenkant van het membraan met de buitenkant?

A

De binnenkant van het membraan bevat fosfolipiden met andere kopgroepen (meer negatief geladen) dan de buitenkant (meer glycolipiden)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Waardoor wordt de buitenkant van het membraan beschermd?

A

Door suikergroepen aan lipiden en eiwitten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Welke eigenschap hebben lipiden en membraaneiwitten allebei?

A

Ze zijn beide niet star. Net als de lipiden zijn ook de membraaneiwitten in voortdurende beweging.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Hoe komt het dat sommige eiwitten zich in het cytosol bevinden, terwijl andere in of aan een membraan zitten?

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn de twee klasse membraaneiwitten?

A

Integrale membraaneiwitten en perifere membraaneiwitten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Waar liggen integrale membraaneiwitten t.o.v. het membraan?

A

Zij liggen in het membraan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Waar liggen perifere membraaneiwitten t.o.v. het membraan?

A

Zij associëren met het membraan (liggen heel dicht in de buurt/ertegenaan) maar gaan er niet door heen. Zij kunnen wel verankert zijn in het membraan door een vetzuurstaart.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Waar liggen cytosolaire membraaneiwitten t.o.v. het membraan?

A

In het cytosol, en ze raken het membraan niet aan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Hoe ligt het membraaneiwit bacteriorhodopsin in het membraan?

A

D.m.v. membraan spannende α-helixes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Hoe liggen porine-eiwitten in het membraan?

A

D.m.v. β-sheets

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Welke twee speciale eiwitten zijn er om ionen en polaire moleculen over het membraan te laten gaan?

A

Transporters en kanalen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is het fundamentele verschil tussen kanalen en transporters?

A

Via kanalen (in open toestand) kunnen stoffen door de porie diffunderen, vooral ionen (ion-kanalen). Transporters daarentegen ondergaan een conformatieverandering tijdens het transport

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is het verschil tussen actief en passief transport?

A

Voor actief transport is ATP nodig en voor passief transport niet

17
Q

Welke soorten passief transport heb je?

A

Simpele diffusie en gefaciliteerde diffusie. Gefaciliteerde diffusie kun je dan weer onderverdelen in ‘channel-mediated’ en ‘transporter-mediated’ passief transport.

18
Q
A
19
Q

Wat gebeurt er als de concentratiegradient andersom ligt?

A

Dan draait het transport ook om

20
Q

Wat is het verschil tussen symporters en antiporters?

A

Bij symporters wordt een molecuul tegen de concentratiegradient in getransporteerd d.m.v. een co-transported ion die met zijn concentratiegradient mee gaat

21
Q

Wat gebeurt er als je een gekoppelde transporter een tijdje aan het werk laat?

A

Dan zou de concentratie van het co-transported ion op een gegeven moment niet genoeg verschil meer hebben om als co-transported ion te worden gebruikt. Het moet dus gekoppeld zijn aan een ander systeem dat dat ion weer de andere kant op transporteerd om zo de symporter aan de gang te houden.

22
Q

Wat doet een Na+-K+ ATPase pomp?

A

De pomp gebruikt de energie van ATP hydrolyse om tegelijkertijd 3 Na+ ionen uit de cel te pompen als 2 K+ ionen in de cel te pompen tegen hun concentratiegradienten in.

23
Q

Waarom is het nodig Na+ uit de cel te pompen?

A

De meeste symporters en antiporters gebruiken Na+ als co-transported ion om dus andere moleculen de cel in of uit te kunnen pompen.

24
Q

Hoe zit glucosetransport door de darmcel heen er uit?

A
25
Q

Wat doet digitalis (vingerhoedskruid) met de hartspiercel?

A

Digitalis remt de Na+/K+-pomp waardoor Na+ zich ophoopt in de cel. Hierdoor kan Ca++ de cel niet uit, en door een verhoogde Ca++ worden de contracties van het hart sterker.

26
Q

Wat zijn aquaporinen?

A

Aquaporinen zijn een groep kanaaleiwitten in de membranen van cellen die het transport van water vergemakkelijken.

27
Q

Wat is simpele diffusie?

A

De beweging van moleculen langs een concentratiegradient

28
Q

Welke twee factoren bepalen of een klein molecuul een membraan kan oversteken?

A
  • De concentratiegradient van het molecuul
  • De oplosbaarheid van het molecuul in de hydrofobische omgeving van het membraan
29
Q

Hoe heten moleculen die door het membraan heen kunnen omdat ze oplossen in de lipide bilaag?

A

Lipofiele moleculen

30
Q

Wat is gefaciliteerde diffusie?

A

De transport van een ion of molecuul met hun concentratiegradient mee, waar ΔG voor de getransporteerde stof negatief is. Het wordt ook wel passief transport genoemd.

31
Q

Wat is actief transport?

A

De transport van een ion of molecuul tegen een concentratiegradient in, waar ΔG voor de getransporteerde stof positief is. Het proces moet gekoppeld zijn aan een input van vrije energie van een bron zoals ATP.

32
Q

Wat is een multidrug-resistance proteine?

A

Een eiwit dat werkt als een ATP-afhankelijke pomp die een breed scala aan kleine moleculen uit de cellen die het tot expressie brengt, perst. Wanneer cellen aan een geneesmiddel worden blootgesteld, pompt het MDR-eiwit het geneesmiddel uit de cel voordat het geneesmiddel zijn werking kan uitoefenen. Het MDR-eiwit bestaat uit vier domeinen: twee membraanoverspannende domeinen en twee ATP-bindende cassettedomeinen. Wordt ook P-glycoproteïne genoemd.

33
Q

Wat is een cotransporter?

A

Een transporter die de energie van de ionen of moleculen die met de concentratiegradient mee gaan gebruikt om andere ionen of moleculen tegen hun concentratiegradient in te transporteren. Het wordt ook wel een secundaire transporter genoemd.

34
Q

In welke twee categorieën kun je cotransporters opdelen?

A

Antiporters en symporters

35
Q

Wat zijn ion kanalen?

A

Een passief transport systeem voor ionen die erg hoge transport rates kunnen hebben. Ion kanalen hebben vaak een erg fijne specificiteit voor het getransporteerde ion.

36
Q

Wat zie je hier?

A

Een pad door een kanaal. Een kaliumion dat het K+ kanaal binnenkomt kan een afstand van 22 Å in het membraan passeren terwijl het opgelost blijft met water (blauw). Op dit punt versmalt de poriediameter tot 3 Å (geel), en moeten de kaliumionen hun water afwerpen en een interactie aangaan met de carbonylgroepen (rood) van de aminozuren in de porie.

37
Q

Wat is een selectiviteits filter in een kanaal?

A

Een regio van ion-kanaal proteïnen die de specificiteit van het kanaal bepalen

38
Q

Kalium ion kanalen zijn 100 keer meer permeabel voor K+ dan voor Na+. Hoe is deze grote selectiviteit bereikt>

A

Na+ ionen zijn te klein om te reageren met het sensitiviteits filter. Het kanaal betaalt de kosten van de dehydratie van kaliumionen door compenserende interacties te bieden met de carbonylzuurstofatomen die het selectiefilter bekleden. Sodiumionen worden afgewezen omdat de energie die nodig is om ze te dehydrateren niet teruggewonnen kan worden.