Het slaapgedrag van onze tieners Flashcards Preview

Vocabulary > Het slaapgedrag van onze tieners > Flashcards

Flashcards in Het slaapgedrag van onze tieners Deck (69):
1

déduire, conclure

afleiden uit

2

absent

afwezig

3

uniquement

alleen

4

toutes sortes de

allerlei

5

tirer profit, bénéfice de, avoir avantage à, avoir intérêt à

er baat bij hebben

6

commencer

beginnen, begon, begonnen

7

le besoin

de behoefte

8

en bas

beneden

9

mal se conduire, avoir un mauvais comportement

slecht bezig zijn

10

paraître de

blijken uit, bleek, gebleken

11

le centre

het centrum

12

l'ordinateur

de computer

13

rêver

dromen

14

oser

durven

15

en fait

eigenlijk

16

l'extrait

het fragment

17

jouer sur ordinateur

gamen

18

le manque de

het gebrek aan

19

le comportement

het gedrag

20

avoir raison

het gelijk hebben

21

la moyenne

het gemiddelde

22

le sentiment

het gevoel

23

la conséquence

het gevolg

24

les règles internes, le règlement de maison

de huisregels

25

de mauvaise humeur

humeurig

26

aller contre, s'opposer à, réagir contre

ingaan tegen, ging in, ingegaan

27

les jeunes

de jongeren

28

la chambre

de kamer

29

l'enfant

het kind, de kinderen

30

comment se fait-il que...?

hoe komt het dat...?

31

aller au lit

in bed kruipen, kroop, gekropen

32

longtemps

lang

33

à minuit, minuit

middernacht

34

au moins

minstens

35

naturellement

natuurlijk

36

jamais

nooit

37

inversement

omgekeerd

38

interroger

ondervragen, ondervroeg, ondervraagd

39

l'enquête, l'étude

het onderzoek

40

établir, rédiger, fixer

opstellen

41

intervenir

optreden, trad op, opgetreden

42

les parents

de ouders

43

l'adolescent

de puber

44

le résultat

het resultaat

45

aux environs de

rond

46

la journée d'école

de schooldag

47

le manque de sommeil

het slaaptekort

48

la victime

het slachtoffer

49

dormir

slapen, sliep, geslapen

50

endormi, somnolent

slaperig

51

c'est en effet comme cela qu'on peut le dire

zo kunt u het wel stellen

52

strict, sévère

streng

53

envoyer

sturen

54

le signe

het teken

55

satisfait

tevreden

56

l'adolescent, le teenager

de tiener

57

s'en sortir

toekomen, kwam toe, toegekomen

58

la surveillance

het toezicht

59

démontrer

uitwijzen, wees uit, uitgewezen

60

le programme télévisé

de uitzending

61

souvent

vaak

62

avoir prise sur quelque chose

vat op iets hebben

63

supposer, présumer

vermoeden

64

fatigué

vermoeid

65

différer de

verschillen van

66

traiter, convertir, incorporer

verwerken

67

éviter

voorkomen, voorkwam, voorkomen

68

savoir

weten, wist, geweten

69

se plaindre, se lamenter

zeuren