Het verkeer Flashcards Preview

Vocabulary > Het verkeer > Flashcards

Flashcards in Het verkeer Deck (45):
1

la victime

het slachtoffer

2

le conducteur

de bestuurder

3

la cause

de orrzaak

4

alcool

alcohol

5

drogue

drugs

6

la vitesse

de snelheid

7

la fatigue

de vermoeidheid

8

là-bas

daarbij

9

écraser (un insecte)

doodmeppen

10

s'écraser sur/dans

binnenknallen

11

l'agglomération

de bebouwde kom

12

rouler jusqu'à ce que ce soit des lambeaux

aan flarden rijden

13

la jante

de vleg

14

faire du crogs

crossen

15

arrêter

tot staan brengen

16

foncer sur un camion

op een vrachtwagen inrijden

17

semi-remorque

de oplegger

18

faire des tonneaux

over de kop gaan

19

renverser

aanrijden

20

le virage

de bocht

21

perdre le contrôle du véhicule

de controle over zijn stuur verliezen

22

rouler à 50 km/h

met 50 per uur rijden

23

entrer en collision avec

tegen iets botsen

24

le pneu (de voiture)

de (auto)band

25

mourir

streven, het leven laten, overlijden, omkomen, niet overleven

26

dans la nuit de mardi à mercredi

in de nacht van dinsdag op woensdag

27

tué sur le coup

op slag dood

28

une collision en chaîne

de kettingbotsing

29

une manœuvre de dépassement

inhaalmanoeuvre

30

dépasser

inhalen

31

commettre un délit de fuite

een vluchtmisdrijf plegen

32

les contusions

de kneuzingen

33

la trace

het spoor

34

les lésions

de letsels

35

morte de peur

doodsbang

36

inconscient

buiten bewustzijn

37

avoir la tête qui tourne

zich duizelig voelen

38

le délit de fuite

het vluchtmisdrijf

39

s'enfuir

wegvluchten

40

renverser qqn

iemand omverrijden

41

le numéro de plaque

de nummerplaat

42

retirer le permis de conduire

het rijbewijs intrekken

43

rouler sous influence de l'alcool

onder de invloed van alcohol rijden

44

les phares

de koplampen

45

la direction

het richting