Studeren in het buitenland Flashcards Preview

Vocabulary > Studeren in het buitenland > Flashcards

Flashcards in Studeren in het buitenland Deck (67):
1

le pouvoir d'adaptation

het aanpassingsvermogen

2

conseiller

aanraden, raadde aan, aangeraden

3

seul

alleen

4

l'allochtone

de allochtoon

5

s'amuser

zich amuseren

6

l'appartement

het appartement

7

l'aspect

het aspect

8

visiter

bezoeken, bezocht, bezocht

9

l'étranger (endroit)

het buitenland

10

étranger, exotique

buitenlands

11

le voisinage

de buurt

12

faire partie de

het deel, deel uitmaken van

13

souvent

dikwijls

14

l'éxpérience

de ervaring

15

supplémentaire

extra

16

l'histoire

de geschiedenis

17

l'entretien, la conversation

het gesprek

18

le témoignage

de en het getuigenis

19

volontiers, avec plaisir

graag gedaan

20

bon nombre de

heel veel

21

la centaine

het honderdtal

22

entendre

horen

23

l'hôtel

het hotel

24

le garçon

de jongen

25

le pays

het land

26

marrant, gai

leuk

27

être situé

liggen, lag, gelegen

28

l'étudiant dans la même classe

de medestudent

29

avoir besoin de quelque chose

iets nodig hebben

30

avoir de bonnes relations avec quelqu'un, bien s'entendre avec quelqu'un

omgaan, ging om, omgegaan, goed omgaan met iemand

31

interroger

ondervragen, ondervroeg, ondervraagd

32

indiscret, envahissant, collant

opdringerig

33

loger, passer la nuit

overnachten

34

sur place

plaats, ter plaatse

35

le plaisir

het plezier

36

le projet

het project

37

la ville

de stad

38

l'étudiant

de student

39

étudier, faire des études

studeren

40

la langue

de taal

41

relativement

tamelijk

42

tomber mal, décevoir

tegenvallen, viel tegen, tegengevallen

43

se souvenir de, se reporter à

terugdenken, dacht terug, teruggedacht

44

la dizaine

het tiental

45

montrer

tonen

46

dépenser

uitgeven, gaf uit, uitgegeven

47

inviter

uitnodigen

48

l'excursion, la sortie

de uitstap

49

souvent

vaak

50

la branche

het vak

51

aujourd'hui

vandaag

52

le séjour

het verblijf

53

le permis de séjour

de verblijfsvergunning

54

séjourner

verblijven, verbleef, verbleven

55

la tentation

de verleiding

56

le divertissement, l'amusement

het vermaak

57

partir

vertrekken, vertrok, vertrokken

58

avant que

voordat

59

principalement

voornamelijk

60

se présenter

zich voorstellen

61

l'année passée

het vorig jaar

62

demander

vragen, vroeg, gevraagd

63

chaud

warm

64

résister à

weerstaan, weerstond, weerstaan

65

peu

weinig

66

le Sud

het Zuiden

67

Lourd, difficile

zwaar