Leerdoelen - osteologie Flashcards Preview

Algemene anatomie > Leerdoelen - osteologie > Flashcards

Flashcards in Leerdoelen - osteologie Deck (293):
1

Mediane doorsnede

mediaan vlak - planum medianum - de doorsnede precies door de middenlijn van de wervelkolom

2

Mediaan

gelegen in het mediaan vlak

3

Mediaal

van lateraal naar mediaan - dichterbij of verlopend naar het mediaan vlak

4

Lateraal

zijkant - meest verwijdert van het mediane vlak

5

Rechts

dexter

6

Links

sinister

7

Sagittaal

overlangs niet net in het midden

8

Axiaal

dichtbij de as gelegen

9

Abaxiaal

verder van de as gelegen

10

Dwarse (transversale) doorsnede

plana transversalia - staan loodrecht op de lengte-as van het lichaam, de kop of de ledematen

11

Craniaal

naar de kop gelegen

12

Rostraal

snuitaanzicht - iets dat voor de kop gelegen is

13

Caudaal

naar de staart gelegen

14

Proximaal

dichtbij de romp gelegen

15

Distaal

naar de tenen - verder van de romp gelegen

16

Dorsale (horizontale) doorsnede

plana dorsalia - horizontaal - lopen op de romp evenwijdig met de wervelkolom - zijde van het hoofd of de ledematen

17

Dorsaal

verlopend naar de bovenzijde van de romp/rug of voetrug/handrug

18

Ventraal

in de richting van de buik, handpalm/voetzool

19

Palmair

naar achterzijde van de voorvoet/handpalm

20

Plantair

naar de achterzijde van de achtervoet/voetzool

21

Groeischijf

= groeiplaat = epifysair kraakbeen = cartilago physialis - aanwezig tussen de diafyse en de epifyse bij lange beenderen

22

Lang bot

os longum - de lange beenderen - bv. humerus

23

Kort been

os breve - korte beenderen - bv. handwortel

24

Onregelmatig bot

os irregulare - wervels

25

Compact (cortical) bot

(substantia compacta) dicht beenweefsel die zich aan de buitenzijde van de beenderen bevindt, geeft sterkte en stevigheid aan het been

26

Spongieus (trabeculair) bot

(substantia spongiosa) bevindt zich aan de binnenzijde van het compacte beenweefsel en is opgebouwd uit beenbalken

27

Mergholte

cavum medullare - holte of ruimte waarin het beenmerg zich bevindt, omgeven door compact en spongieus beenweefsel

28

Beenvlies

periost - bindweefsellaagje waarmee elk been is overtrokken. Uiterst belangrijk voor de diktegroei en voor herstel na letsel

29

Perichondrium

kraakbeenvlies, bv. ter hoogte van de ribben en het sternum

30

Gewrichtskraakbeen

cartilago articularis - bedekt de beenderen op de plaatsen waar zij ten opzichte van elkaar bewegen

31

Epifyse

uiteindes van de diafyse, zijn op hun vrije uiteinde bekleed met gewrichtskraakbeen

32

Apofyse

zware botuitsteeksels die niet bekleed zijn met gewrichtskraakbeen, maar waarop spieren of pezen vasthechten

33

Diafyse

schacht, middenstuk

34

Metafyse

Metafyse het rafelige uiteinde van de diafyse, waar het groeikraakbeen aansluit op de diafyse en de verbening optreedt

35

Voorhoofdsbeen

os frontale - vormt samen met het wand- en slaapbeen het schedeldak

36

Wandbeen

os parientale - vormt samen met het slaap- en voorhoofdsbeen het schedeldak

37

Slaapbeen

os temporale - vormt samen met het wand- en voorhoofdsbeen het schedeldak

38

Wiggebeenderen

ossa sphenoidalia - twee onpare beenderen die samen met het achterhoofdsbeen de schedelbasis vormen

39

Achterhoofdsbeen

os occipitale - vormt samen met de wiggebeenderen de schedelbasis

40

Zeefbeen

os ethmoidale - vormt de rostrale begrenzing van de schedelholte

41

Jukbeen

os zygomaticum - vormt het craniale deel van de jukboog

42

Neusbeen

os nasale - lijnt de neusrug af

43

Traanbeen

os lacrimale - gelegen aan de mediale rand van de orbita

44

Bovenkaaksbeen

maxilla - veruit het grootste bot van de bovenschedel, in de ventrolaterale rand zijn de bovenkiezen ingeplant, naar mediaal loopt dit bot door middel van een horizontale beenplaat uit in het harde gehemelte

45

Snijtandsbeen

os incisivum - hierin zijn bij de meeste diersoorten de bovensnijtanden geplaatst

46

Gehemeltebeen

os palatinum - vormt samen met het snijtandsbeen en de maxilla het harde gehemelte

47

Vleugelbeen

os pterygoideum - sluit caudomediaal aan op het gehemeltebeen en is uitwendig niet waarneembaar

48

Ploegschaarbeen

os vomer - dun langwerpig bot met een V-vormig profiel, gelegen in de mediaanlijn tussen het harde gehemelte en de schedelbasis

49

Snuitbeen

os rostrale - onpaar been dat voorkomt in de neusschijf van varkens

50

Onderkaak

mandibula - bestaat uit 2 symmetrische helften die alleen rostraal met elkaar verbonden zijn door middel van een beenderige of kraakbeenderige naad

51

Tongbeen

os hyoideum - zich achteraan in de tong bevindend been, bestaande uit verschillende kleine been- en kraakbeenstukjes

52

Fontanellen

fonticuli - bindweefselstroken die bij jonge dieren de beenderen van de bovenschedel nog onderling verbinden

53

Beendernaden

suturae - steeds smaller wordende naden, ontstaan uit de fontanellen

54

Hersenschedel

cranium/neurocranium - vormt het caudodorsale gedeelte van de schedel en omsluit de schedelholte (cavum cranii)

55

hersenschedelbeen

Ossa cranii

56

schedelholte

Cavum cranii

57

Neusholte

cavum nasi - wordt door een neusseptum rechter holte ingedeeld en bevat neusopeningen (septum nasi) in een linker en (nares)

58

Mondholte

cavum oris - is dorsaal afgesloten door het harde gehemelte en wordt beiderzijds begrensd door de mandibula

59

Schedeldak

calvaria - wordt gevormd door het os frontale, os parietale en os temporale

60

Schedelbasis

basis cranii - bestaat uit 2 onpare ossa sphenoidalia en het basale deel van het onpare os occipitale

61

Slaapgroeve

fossa temporalis - bevindt zich zijdelings van de hersenschedel en er is een zware kauwspier in gelegen

62

Oogkas

orbita - hierin is de oogbol met bijhorende oogspieren gelegen

63

gat in maxilla - voor oogkas - onder infraorbitale groeve

Foramen infraorbitale

64

Jukboog

arcus zygomaticus - het caudale deel wordt gevormd door het slaapbeen en draagt op zijn ventrale zijde een gewrichtsvlak (facies articularis) voor articulatie met de mandibula

65

Uitwendige gehooropening/oorgang

porus/meatus acusticus externus - onderdeel van het os temporale die samen met de trommelholte en het rotsbeen het gehoororgaan omsluiten

66

Sesambeen

os sesamoideum - kleine ronde beentjes - pezen lidmaten

67

Achterhoofdsopening

foramen magnum - hierlangs komen de hersenstam en de omringende hersenvliezen in verbinding met het ruggenmerg respectievelijk de ruggenmergvliezen

68

Achterhoofdsknobbel

condylus occipitalis - zijn met kraakbeen bekleed en passen in de uitgeholde voorste gewrichtsvlakken

69

Processus paracondylaris - processus jugularis

knobbel op achterhoofd - verbindingsstuk met atlaswervel - bevindt zich zijdelings van elke condylus occipitalis, er zitten meerdere spieren op vast

70

Aangezichtsschedel

facies of splanchnocranium - wordt gevormd door verschillende parige beenderen

71

Trommelholte

bulla tympatica

72

aangezichtsschedelbeen

Ossa facei

73

Rotsbeen

pars petrosa

74

Neusseptum

septum nasi

75

Achterste neusopeningen

choanae - hiermee staat de neusholte ventrocaudaal in verbinding met de keelholte

76

Neusbijholten

sinus paranasales - onregelmatige luchtruimten, die langs kleine openingen met de neusholte in verbinding staan

77

voorhoofds sinus

Sinus frontales

78

sinus in de bovenkaak

Sinus maxillaris

79

Schaar (tussen linker en rechter manibulae)

spatium intermandibulare - ruimte tussen linker en rechter mandibula

80

inkeping aan de onderrnd van de mandibula waar belangrijke bloedvaten liggen

Incisura vasorum facialium - inkeping aan de onderrnd van de mandibula waar belangrijke bloedvaten liggen

81

onderste deel van de mandibulae

Corpus mandibulae - hierop zijn de tanden ingeplant

82

bovenste deel van de mandibulae

Ramus mandibulae - platte, verticale beenplaat

83

Kingat

foramen mentale - uitmonding van de canalis mandibulae, waarin leidingen liggen voor voeding en bezenuwing van de tanden en de onderlip

84

bult die aansluti aan os temporale, omhooggericht

Processus coronoideus - hierop grijpt de stevige bovenste kauwspier aan

85

cilindervormig uitsteeksel

Processus condylaris - is met kraakbeen bekleed en articuleert met het os temporale en vormt aldus het kaakgewricht

86

Onderdelen tongbeen - hyoideum

Tympanphyoit , stylohyoit , epihyoit, ceratohyoit, basihyoid, thyrohyoit

87

Wervelfomule hond

7 halswervels, 13 rugwervels, 7 lendenwervels, 3 sacraalwervels, 18-23 staartwervels

88

Wervelfomule kat

7 halswervels, 13 rugwervels, 7 lendenwervels, 3 sacraalwervels, 20-24 staartwervels

89

Wervelfomule paard

7 halswervels, 18 rugwervels, 6 lendenwervels, 5 sacraalwervels, 15-21 staartwervels

90

Wervelfomule rund

7 halswervels, 13 rugwervels, 6 lendenwervels, 5 sacraalwervels, 18-21 staartwervels

91

Neusschelpen

conchae nasales - dunne, spiraalvormig opgekrulde beenlamellen

92

Zeefbeenderen

ethmoturbinalia

93

Wervellichaam

corpus vertebrae - cilindrische beenmassa met bolle craniale voorzijde (extremitas cranialis ) en een holle caudale achterzijde (extremitas caudalis ). De dorsale zijde is afgeplat en vertoont een longitudinale dorsale bandlijst (crista dorsalis ) met zijdelings ervan kleine openingen voor de bloedvaten die het wervellichaam voeden. Op de ventrale zijde van het wervellichaam bevindt zich eveneens een longitudinale beenlijst (crista ventralis )

94

Wervelfomule varken

7 halswervels, 14-15 rugwervels, 6-7 lendenwervels, 4 sacraalwervels, 20-23 staartwervels

95

ethmoturbinalia

nares

96

ruime, zijdelings gerichte opening, gevormd door de caudale en de craniale inkeping van 2 opeenvolgende wervels

Foramen intervertebrale

97

nauwe ruimte tussen de wervelbogen van de opeenvolgende wervels

Spatium interacruale

98

Spinaaluitsteeksels

processus spinosus - een onpaar uitsteeksel dat in het mediane vlak op de wervelboog vastzit en naar dorsaal uitsteekt. Het biedt ruime aanhechting aan spieren

99

Dwarsuitsteeksels

processus transversus - ontspringen beiderzijds op de overgang wervelboog-wervellichaam en zijn naar lateraal gericht. Bieden eveneens ruime aanhechting voor spieren

100

komen parig voor op de voorzijde van de wervelboog en zijn bekleed met gewrichtskraakbeen

Processus articularis craniales

101

komen parig voor op de achterzijde van de wervelboog en zijn bekleed met gewrichtskraakbeen

Processus articularis caudales

102

doorboort de dwarsuitsteeksels aan hun basis, dus ter hoogte van hun aanhechtingsplaats op de wervel

Foramen transversarium

103

Atlas

1e halswervel - drager

104

Atlasvleugels

alae atlantis - vleugelvormige beenplaten die de dwarsuitsteeksels vervangen

105

diepe gewrichtskommen waarin de achterhoofdsknobbels passen - ja-gewricht

Foveae articulares craniales

106

ondiepe gewrichtvlakken die articuleren met de voorzijde van de axis

Foveae articulares caudales

107

Axis

2e halswervel - draaier

108

rondvormig uitsteeksel. Dit vertegenwoordigt het lichaam van de atlas, dat met dit van de axis vergroeid is - de tand draagt ventraal en zijdelings kraakbeen voor articulatie met de fovea dentis op de atlas

Dens axis

109

een zwaar kamvormig spinaal uitsteeksel die uitloopt op de ventraalgerichte caudale gewrichtsvlakken

Crista axis

110

gewrichtskommetje voor een rib, gelegen bij de overgang tussen wervellichaam en wervelboog, dit zowel craniaal als caudaal

Fovea costalis craniales/caudales

111

de rugwervel waarvan het spinaaluitsteeksel een verticale stand aanneemt

Vertebra anticlinalis

112

Schoftstreek

regio interscapulairs - gevormd door de voorste spinaaluitsteeksels die wat caudaal hellen

113

zeer lange dwarsuitsteeksels op de lendenwervels

Processus costales

114

zeer ruime ruimte tussen de wervels van de lendenwervels (mogelijke punctieplaats bij carnivoren)

Spatium interarcuale lumbosacrale

115

Bekkenzijde

facies pelvina - hierop zijn de vergroeiingsplaatsen van de wervellichamen te zien als dwarse lijnen

116

de cranioventrale rand van het eerste wervellichaam die iets kamvormig kan uitsteken - een van de referentiepunten om de bekkeningang te meten

Promontorium

117

Sacraalvleugel

ala sacralis - het craniale deel van de pars lateralis die zwaar is en uitsteekt als een vleugel

118

oorvormig kraakbeenvlak gedragen door de dorsale zijde van de sacraalvleugel

Facies aurocularis

119

Staartwervel

vertebrae caudales - bij de vleeseters en het rund komen aan de ventrale zijde van de wervellichamen hemale uitsteeksels (processus hemales) voor. Zij ontspringen beiderzijds en kunnen eventueel vergroeien tot een boog (arcus hemalis )

120

Hemale uitsteeksels

processus hemales

121

Wervelboog

arcus vertebrae - bestaat uit een linker en rechter beenplaat (lamina arcus vertebrae ) die vastzitten op de dorsolaterale zijde van het wervellichaam en die in de mediaanlijn samenkomen. De naar dorsaal gerichte wervelboog omsluit aldus een ruime opening of wervelgat (foramen vertebrale ). De opeenvolgende wervelgaten vormen het wervelkanaal (canalis vertebralis ) waarin het ruggenmerg met ruggenmergvliezen gelegen is

122

Wervels

vertebrae

123

Rib hals

collum costae - zondert het irbbenhoofd af van de ribknobbel

124

Ribknobbel

tuberculum costae - steekt dorsaalwaarts uit en draagt een gewrichtsvlak voor articulatie met het gewrichtskraakbeen op het dwarsuitsteeksel van het meest caudale van de twee opeenvolgende wervels

125

Eigenlijke rib

Os costale - min of meer afgeplat

126

Ribkraakbeen

cartilage costalis - is vergroeid met het os castale zonder gewrichtsvorming - de ribkraakbeenderen buigen duidelijk af naar craniaal

127

Ribbenboog

arcus costalis - gevormd door de opeenvolgende ribkraakbeenderen die zich in elkaars verlengde leggen en onderling en met de laatste ware rib verbonden zijn

128

Intercostale ruimte

spatia intercostalia - de ruimten tussen de opeenvolgende ribben

129

Ware ribben/draagribben

costae verae - vormen gewricht met het sternum - vormen een stevige rechtsteekse verbinding tussen rugwervels en borstbeen - zijn weinig beweeglijk - bieden aanhechting aan spieren die de romp ophangen tussen de voorste ledematen

130

Valse ribben/ademhalingsribben

costae spuriae - hebben een puntig uitlopend ribkraakbeen dat geen gewricht vormt met het sternum - zijn beweeglijker dan de ware ribben

131

hemaalboog

Arcus hemalis

132

Wervelgat

foramen vertebrale

133

het craniale deel dat bestaat uit 1 sternebra, die craniaal verlengd is door een kraakbeenstuk - het manubrium draagt de gewrichtkom(men) voor 1e ribbenpaar

Manubrium sterni

134

bestaat uit een uiteenlopend aantal sternebrae - dit aantal staat in relatie met het aantal ware ribben - de gewrochtskommen liggen op de zijranden van het corpus

Corpus sterni

135

het xiphoid - bevat in regel 1 beenstuk dat verlengd is door een dorsoventraal afgeplatte kraakbeenplaat

Processus xiphoideus

136

Zwevende ribben

costae fluctuantes - ribben waarvan het ribkraakbeen van het laatste ribbenpaar zonder vergroeiing met andere ribben in de spierwand van de buik eindigt

137

Halswervels

vertebrae cervicales

138

Borstingang

voorste borstopening - apartura thoracis cranialis - is begrensd door de eerste ribben, de eerste rugwervel en het manubrium sterni

139

Achterste borstopening

apertura thoracis caudalis - is zeer ruim en wordt begrensd door de laatste rugwervel, de laatste rib, de ribbenboog en het xiphoid

140

teentopgangers

Unguligraad - de last van het gewricht komt terecht op een beperkte contactoppervlakte met de grond

141

teengangers

Digitigraad - het lichaamsgewricht is verdeeld over verschillende tenen

142

zoolgangers

Plantigraad - de voeten van de achterste ledematen komen bij het lopen over de gehele lengte in contact met de grond

143

Schouderblad

scapula - groot, plat been met driehoekige vorm, de lengte-as is cranioventraal gericht

144

Sleutelbeen

clavicula - verbindt het borstbeen met de scapula

145

Ravensbeksbeen

coracoid - vormt samen met scapula en clavicula de schoudergordel

146

opperarm

Brachium - wordt gevormd door de humerus

147

Onderarm/voorarm

antebrachium - wordt gevormd door de radius en ulna

148

Voorvoet

manus - wordt gevormd door carpus, metacarpus en digiti

149

Handwortel

carpus - rechthoekige stapeling van korte beenderen die gerangschikt zijn in twee horizontale rijen

150

Pijp of middenhand

metacarpus - lange beenderen die op dwarse doorsnede ovaal, dorsopalmair afgeplat profiel hebben

151

onpare, na elkaar gelegen beenstukken waaruit het borstbeen is opgebouwd

Sternebra

152

Rugwervels

vertebrae thoracicae

153

Schouderkraakbeen

cartilago scapulae - zit op de bovenrand (margo dorsalis) van de scapula

154

zondert de onderste hoek van de scapula een beetje af van de rest

Collum scapulae

155

ondiepe gewrichtskom waarin de kop van de humerus past

Cavitas glenoidalis

156

zware beenknobbel craniodorsaal van de gewrichtskom gelegen

Tuberculum supraglenoidale

157

zwak uitsteeksel op het tuberculum supraglenoidale - restant van het ravenbeksbeen

Processus coracoideus

158

lange beenkam die de buitenvlakte van het schouderblad indeelt in 2 ruimte groeven

Spina scapulae

159

groeve op de buitenvlakte van het schouderblad

Fossa supraspinata

160

groeve op de binnenvlakte van het schouderblad

Fossa infraspinata

161

puntig uitsteeksel op de scapula

Acromion

162

Tenen

digiti - iedere teen is opgebouwd uit 3 kootjes of falangen, er komen ook verschillende sesambeenderen voor

163

Lendenwervels

vertebrae lumbales

164

halfbolvormige kop op proximale epifyse van de humerus

Caput humeri - hierop ontspringen de buigers van de voet

165

zware kamvormige beenknobbel op de craniolaterale zijde van de epifyse

Tuberculum majus

166

zware kamvormige beenknobbel op de craniomediale zijde van de epifyse

Tuberculum minus

167

diepe groeve die de tuberculum majus en minus scheidt

Sulcus intertubercularis

168

botkam voor spieraanhechting vertraal van het tuberculum majus

Tuberositas deltoidea

169

gelegen ventraal van het tuberculum minus

Tuberositas teres major

170

Radius

spaakbeen - vormt samen met de ulna het skelet van de onderarm en is craniocaudaal afgeplat

171

proximale epifyse van de radius

Caput radii

172

uitpuilende bandknobbels zijdelings van het caput radii

Epicondylus lateralis / epicondylus medialis

173

duidelijke beenknobbel dorsomediaal op het caput radii

Tuberositas radii

174

mediale rand van de radius, goed voelbaar

Planum cutaneum

175

strekknobbel

Epicondylus lateralis - hierop ontspringen de stekkers van de voet

176

Sacrale wervels

vertebrae sacrales / os sacrum

177

zwaar uitsteeksel van de ulna dat ver proximaal voorbij het caput radii uitsteekt

Olecranon

178

proximale eindpunt van de incisura trochlearis dat past in de fossa olecrani van de humerus

Processus anconeus

179

craniomediaal uitstekend beenpunt - proximaal op de ulna

Processus coronoideus medialis/lateralis

180

Antebrachiale rij

rij van kootjes dichtstbij de onderarm

181

Haakbeentje - rekent men gewoonlijk bij de antebrachiale rij

os carpi accessorium

182

ligt eveneens onder de radius

Os carpi intermedium

183

ligt hoofdzakelijk onder de ulna en articuleert ook met het haakbeentje

Os carpi ulnare

184

gelegen onder het mediale deel van de radius

Os carpi radiale

185

Metacarpale rij

rij van kootjes dichtstbij de middenhandsbeentjes

186

ligt het meest mediaal en is bij de huisdieren ofwel gereduceerd ofwel verdwenen

Os carpale primum

187

articuleert in hoofdzaak met digitus II

Os carpale secundum

188

articuleert in hoofdzaak met digitus III

Os carpale tertium

189

ligt het meest lateraal, articuleert met de digitus IV en met de digitus V voor zover deze aanwezig is

Os carpale quartum

190

middenhandsbeenderen

Ossa metacarpalia

191

Basis (middenhandsbeenderen)

proximale epifyse van de middenhandsbeenderen, heeft lichtjes uitgehold gewrichtsvlak voor articulatie met carpaalbeentjes

192

Corpus - schacht (middenhandsbeenderen)

diafyse van de metacarpaalbeenderen die vrij lang is

193

Trochlea (middenhandsbeenderen)

distale epifyse met convex gewrichtsvlak, voor articulatie met een digitus

194

Griffelbeentjes paard (middenhandsbeenderen)

os metacarpale II en IV

195

Vingerkootjes/teenkootjes

phalanx proximalis - os compedale

196

Basiskootje of kootbeen

phalanx proximalis of os compale

197

Middenkootje of kroonbeen

phalanx media of os coronale - verkleinde uitgave van de proximale phalanx, de lengte is ongeveer de helft van het proximale kootje

198

proximale sesambeentjes

ossa sesamoidea proximalia - zijn parig en gelegen ter hoogte van het proximale, eerste, teengewricht

199

Distale sesambeentje

straalbeentje - os sesamoideum distale - is gelegen ter hoogte van het distale, derde, teengewricht

200

mediale epicondyl van de crista transversa

Processus styloideus radii

201

Rib

costa

202

Bekken

pelvis - gevormd door de beiderzijdse heupbeenderen en het sacrum

203

Dij

femur - regio femoris - heeft als beenderige basis het os femoris/dijbeen

204

Bekkengordel

cingulum membri pelvini - bestaat uit 3 beenderen die samen het heupbeen vormen

205

Ribbenhoofd

caput costae

206

Onderbeen

schenkel - crus - gebied van de tibia en fibula

207

Knie

genus - vormt de overgang tussen het os femoris naar de tibia-fibula, de achterzijde van deze streek is wat uitgehold tot knieholte

208

Borstbeen

sternum

209

schenkel

pes - onderbeen

210

Teen

digitus

211

Heupbeenderen

ossa coxae - zijn parig en vormen de bekkengordel

212

vergroeiing van de twee heupbeenderen

symphysis pelvina

213

Sprong

tarsus - waarvan de calcaneus de basis vormt van de hiel

214

Borstkas

thorax

215

Kootjes

Phalanges

216

opperarmbeen

Humerus

217

Darmbeenzuil

corpus ossis ilii - start vanuit het acetabulum en wordt naar craniaal toe een stevig afgerond beenstuk

218

Darmbeenvleugel

ala ossis ilii - vervolg van de darmbeenzuil, die de sacraalvleugel bedekt

219

oorvormig kraakbeenvlak op de onderzijde van het ilium, dat articuleert met het gelijkmatig vlak op het sacrum

Facies auricularis

220

hier komen darm-, schaam-, en zitbeen samen - ventrolateraal gerichte gewrichtskom waarin de kop van het dijbeen past

Acetabulum

221

buigknobbel

Epicondylus medialis

222

helpt het acetabulum vormen en heeft een naar mediaal gerichte tak

Corpus ossis pubis

223

de craniale rand van de ramus cranialis

Pecten ossis pubis

224

Heupknobbel

tuber coxae - verdikking van de ventrolaterale punt van de darmbeenvleugel

225

ellepijp

Ulna

226

Zitbeenplaat

tabula ossis ischii - dikke beenplaat

227

Zitbeenknobbel

tuber ischiadicum - zware knobbel op uiteinde van de zitbeenplaat

228

boogvormige inkeping op de achterrand van beiderzijdse beenplaten

Arcus ischiadicus foramen obturatum

229

dijbeen

Os femoris - femur - lang been met cranioventraal lengteverloop en is zeer fors gebouwd omdat er talrijke zware spieren op aangrijpen

230

Femurkop

caput ossis femoris - halfbolvormige structuur die naar mediaal uitsteekt - vangt het gewichtvan de achterhand op

231

Femurhals

collum ossis femoris - zondert de femurkop af van de diafyse

232

Femurschacht

corpus ossis femoris - is craniaal en zijdelings glad van uitzicht, maar de caudale zijde vertoont uitsteeksels, beenlijsten en eventueel puntjes voor spieraanhechtingen

233

zwaar beenuitsteeksel dat de laterale helft van de proximale epifyse inneemt - de trochanter major is een hefboom voor spieraanhechting

Trochanter major

234

iets minder duidelijk beenknobbel aan de mediale zijde van de schacht, dichtbij femurkop en - hals gelegen

Trochanter minor

235

zeer opvallend beenuitsteeksel dat lateraal en dicht bij de trochanter major gelegen is - enkel bij paard

Trochanter tertius

236

halfcilindrische structuren die overtrokken zijn met kraakbeen en van elkaar gescheiden worden door een fossa intercondylaris

Condylus lateralis/medialis

237

zware beenverdikkingen op de abaxiale zijde van iedere condyl

epicondylus lateralis/medialis

238

fabella - beentje van Vesalius

os sesamoideum musculi gastrocnemii - sesambeentje dat bij sommige dieren aanwezig is in de spieren rond de knie

239

knieschijf

Patella - grootste sesambeen van het lichaam en bevindt zich op het verloop van de eindpees van de strekspier van de knie

240

cruraalbeenderen

Ossa cruris - vormen de benige basis van het onderbeen of schenkel en omvatten tibia en fibula

241

scheenbeen

Tibia - lang stevig been met een brede proximale epifyse, een lange diafyse en een diep ingesneden distale epifyse

242

zijn bijna vlak en worden daarom in het klinische taalgebruik meestal aangeduid als tibiaal pateau

Condylus medialis/lateralis

243

scheidt de 2 condylen van de tibia

Eminentia intercondylaris

244

verdikking van de abaxiale zijde van elk condyl van de tibia

Epicondylus medialis/lateralis

245

beenverdikking craniaal tussen beide condylen - de tuberositas tibiae loopt naar distaal kamvormig uit en vormt aldus op de voorzijde van de tibia een crista tibiae

tuberositas tibiae

246

Malleolus medialis en malleolus lateralis

enkel - opvallende epicondylen op de zijdelingse kammen van de cochlea tibiae

247

diafyse - lange schacht die proximaal een driehoekige doorsnede heeft en distaal eerder een rond profiel vertoont

Corpus tibiae

248

de facies medialis die effen en vlak is en naar distaal rechtstreeks onder de huis komt te liggen

Planum cutaneum tibiae

249

typisch gewrichtsvlak op de distale epifyse, die bestaat uit 2 diepe sagittale groeven die in het midden van elkaar gescheiden zijn door een kam en zijdelings begrensd door kammen

Cochlea tibiae

250

kuitbeen

Fibula - ligt langs de caudolaterale rand van de tibia en is duidelijk het zwakste been van de ossa crusis

251

proximale epifyse (fibula)

Caput fibulae

252

diafyse (fibula)

Corpus fibulae

253

gevormd door de distale epifyse (fibula)

Malleolus lateralis

254

Crurale rij

rij dichtstbij de voetwortelbeenderen

255

katrolbeen

Talus - met trochlea tali - katrolvormige corpus tali, is opgebouwd uit 2 zware kammen en een middengroeve

256

hielbeen

calcaneus - neemt het lateroplantaire deel van de crurale rij in

257

Tuber calcanei (hielbeen)

steekt ver naar proximaal uit

258

Sustentaculum tali (hielbeen)

steekt naar mediaal uit en articuleert met de talus door middel van meerdere gewrichtsvlakken

259

Processus coracoideus (hielbeen)

laterale beenpunt die langs de talus in de richting van de malleolus lateralis loopt

260

Metatarsale rij

rij dichtstbij middenvoetsbeenderen

261

Os tarsale primum (metatarsale rij)

ligt meest mediaal

262

Os tarsale secundum (metatarsale rij)

vormt vooral contact met digitus II

263

Os tarsale tertium (metatarsale rij)

articuleert in hoofdzaak met digitus III - lijkt op os tarsi centrale, maar is kleiner

264

Os tarsale quartum (metatarsale rij)

articuleert met digitus IV en met digitus V, voor zover aanwezig - het is merkelijk hoger dan de andere distale tarsaalbeentjes en draagt hoofdzakelijk de calcaneus

265

Spatbeentje

enkel bij paard - os tarsale primum en os tarsale II

266

middenvoetsbeenderen - gelijken zeer sterk op de metacarpaalbeenderen

Ossa metatarsalia

267

knobbelige verdikking als uiteinde van het pecten

Eminentia iliopubica

268

Heupbeen

os coxae

269

Knieholte

poples - regio poplitea

270

Middenvoet of pijp

metatarsus

271

Bekkeningang

apertura pelvis cranialis

272

Bekkenuitgang

apertura pelvis caudalis

273

darmbeen

Os ilium

274

schaambeen

Os pubis

275

zitbeen

Os ischii

276

Skelet van de achtervoet

skeleton pedis

277

tarsaalbeenderen/voetwortelbeenderen

Ossa tarsi

278

Kootbeen

phalanx proximalis - os compedale - is dubbel zo lang als breed - de palmaire zijde vertoont V-vormige beenlijsten

279

Corpus humeri

diafyse van de humerus

280

Condylus humeri

de distale epifyse die cilindervormig is

281

Kroonbeen

phalanx media - os coronale - is even breed als lang

282

Hoefbeen

phalanx distalis - os ungulare - heeft typische hoefvorm en bestaan uit 3 vlakken, die door 2 scherpe randen van elkaar zijn afgeleid

283

trochlea radii

distale epifyse van de radius, is onregelmatig en aangepast aan de verschillende beentjes van de carpus

284

laterale epicondyl van de crista transversa

processus styloideus ulnae

285

Handwortelbeenderen

ossa carpi

286

Basis (Basiskootje of kootbeen)

proximale epifyse met uitgehold gewrichtsvlak en met zijdelings bandknobbeltjes voor de aanhechting van de gewrichtsbanden

287

Corpus (Basiskootje of kootbeen)

diafyse

288

Trochlea (Basiskootje of kootbeen)

distale epifyse met gewelfd gewrichtsoppervlak en met zijdelingse banknobbeltjes en - groefjes

289

kleine sesambeentjes aan de dorsale zijde van de tenen, ze zijn ingebed in de strekpezen van de tenen en blijven meestal kraakbenig

Ossa sesamoidea dorsalia

290

verdikking van de dorsomediale punt van de darmbeenvleugel

tuber sacrale

291

Trochlea ossis femoris

neemt het craniale deel van de distale epifyse in en is bekleed met kraakbeen - in de trochlea glijdt de knieschijf

292

centrale rij

rij tussen crurale rij en metatarsale rij - met os tarsi centrale, afgeplat bot dat de talus ondersteunt en zelf rust op het os tarsale I, II en III

293

teenkootjes

Ossa digitorum pedis