Leerdoelen - splanchnologie - algemeen, lichaamsholten en spijsverteringsstelsel Flashcards Preview

Algemene anatomie > Leerdoelen - splanchnologie - algemeen, lichaamsholten en spijsverteringsstelsel > Flashcards

Flashcards in Leerdoelen - splanchnologie - algemeen, lichaamsholten en spijsverteringsstelsel Deck (334):
1

Splanchnologie

studie van de ingewanden/viscera

2

Visceraal

gelegen tegen de ingewanden

3

Parientaal

gelegen tegen de lichaamswand of paries

4

Viscera

de organen die instaan voor de uitwisselingen tussen het lichaam en de buitenwereld en die in verband staan met voeding, ademhaling, excretie en voortplanting - spijsverteringsstelsel - ademhalingsstelsel - urinair stelsel - mannelijk en vrouwelijk geslachtsstelsel

5

Buikholte

Buikholte

6

Bekkenholte

cavum pelvis - vooraan in het beenderige bekken en sluit rechtstreeks aan op de buikholte

7

Borstholte

cavum thoracis - in de borstkas en omsluit een kleinere pericardiale holte

8

Pelvis

beenderige bekken

9

Thorax

borstkas

10

Cavum pericardii

pericardiale holte

11

Peritoneum

bekleedt de buikholte en bekkenholte

12

Pleura

bekleedt de borstholte

13

Pericardium

pericard - omsluit de pericardiale holte

14

Borstwand

Borstwand

15

Dorsum

rug

16

Regio costalis

rug

17

Regio sternalis

borstbeen

18

De borstuitgang is afgesloten door het middenrif

scheiding tussen borst- en buikholte

19

Apertura thoracis caudalis

borstuitgang

20

Diaphragma

middenrif

21

Regio abdominis cranialis

craniaal van het dwarse vlak doorheen de laatste ribben

22

Regio xiphoidea

ventraal - driehoekig gebied tussen de ribbenbogen

23

Regio hypochondriaca

zijdelings - ter hoogte van de ribkraakbeenderen

24

Regio abdominis media

tussen dwarse vlak doorheen de laatste ribben en tuber coxae

25

Hongergroeve

fossa paralumbalis - meest dorsaal - vaak uitgehold gebied tussen de dwarsuitsteeksels van de lendenwervels, de laatste rib en de tuber coxae

26

Flank

regio abdominis lateralis - zijdelings - tussen laatste rib en plica lateralis

27

Plica lateralis

huidplooi tussen buikwand en kniestreek - liesplooi/knieplooi/vang

28

Regio abdominis caudalis

ventrale deel buikstreek - reikt tot tegen de bekkeningang - zijdelings de liesstreek - mediaan de schaamstreek

29

Liesstreek

regio inguinalis

30

Schaamstreek

regio pubica

31

Regio preputialis

zone rond de voorhuid die de penis omsluit

32

Regio preputialis

zonde van de abdominale en inguinale melkklieren of uier

33

Regio mammaria

zone van de abdominale en inguinale melkklieren of uier

34

Regio uberis

zone van de uier

35

Perineum

damstreek - gebied tussen de taartwortel en de zitbeenknobbels - uitminding van de spijsverteringsbuis en urogenitale stelsel

36

Regio analis

uitmonding van de anus/aarsopening

37

Fossa ischiorectalis

diepe kuil zijdelings van anus - bij paard en herkauwers

38

Regio urogenitalis

meer ventraal - omvat vulva bij vrouwelijke dieren

39

De peritoneale holte

cavum peritonei

40

Cavum abdominis

buikholte

41

Cavum pelvis

bekkenholte

42

Intra-abdominale gedeelte

buikholte

43

Intrathorocaal gedeelte

is binnen de borsdkas gelegen - reikt van de laatste rib tot tegen het diaphragma

44

Buikvlies

peritoneum - vlies waarmee de buikholte inwendig is bekleed

45

Bekkenholte

cavum pelvis - caudale uitbreiding van de buikholte tot in het beenderige bekken

46

Processus vaginalis

uitstulping van de buikholte van mannelijke dieren - peritoneum puilt beiderzijds doorheen de buikwand

47

Canalis vaginalis

uitstulping van de buikholte van mannelijke dieren - peritoneum dringt door het lieskanaal - smal

48

Cavum vaginale

uitstulping van de buikholte van mannelijke dieren - distale verbreding van canalis vaginalis naar het scrotum

49

Cavum peritonei

peritineale holte

50

Buikvlies

peritoneum - dun, glad, vochtig, glanzend vlies - produceert en resorbeert waterig sereus vocht

51

Buikvocht

waterig sereus vocht dat door het buikvlies wordt geproduceerd en geresorbeerd

52

Fascia transversalis

bindweefsellaagje waarop het peritoneum rust - vormt de verbinding van het diaphragma, de buikspieren en het periost van de bekkenbeenderen

53

Intraperitoneaal gelegen organen in buik- en bekkenholte

reeks organen met bijhorende bloedvaten, zenuwen en lymfeknopen - maag, darmen, lever, pancreas, milt, ovarium, eileider, uterus, urineblaas, ductus deferens, ampulla ductus deferentis en zaadblaasje - rondom bekleed met peritoneum

54

Retroperitoneaal gelegen organen in buik- en bekkenholte

buiten de peritoneale ruimte - nieren en bijnieren - beperkt gedeelte bedekt met peritoneum

55

Buikvocht

om ervoor te zorgen dat de viscera gemakkelijk ten opzichte van elkaar kunnen bewegen

56

Pritoneum ingedeeld in 3 vlakken - door uitstulpen viscera in de buik- en bekkenholte

peritoneum parietale - peritoneum visterale - mesontherium

57

Peritoneum parietale

parieltaal blad - door middel van de fascia transversalis verbonden met de buikwand

58

Peritoneum viscale

visceraal blad - omgeeft de uitgestulpte ingewanden

59

Darmscheil

mesonterium - peritoneale dubbelplooi - intermediaire ophangband - vormt de verbinding tussen het parietale blad en het viscerale blad

60

Maagdarmtractus

mesentretium heeft hier een ingewikkeld uitzicht - veroorzaakt door lengtetoename en draaiingen van spijsverteringskanaal

61

Urineblaas

verbonden met lichaamswand door linker en rechter ligamentum vesicae laterale en ligamentum vesicae medianum

62

Vrouwelijke geslachtstractus

wordt in de buikholte beiderzijds met de buikwand verbonden door een ligamentum latum uteri

63

Mannelijke geslachtstractus

de zaadleiders zijn in de plica urogenitalis gelegen in de buikholte

64

Excavatio rectogenitalis

tussen het rectum en het geslachtsstelsel met zijn opgang-banden

65

Excavatio vesicogenitalis

blindzak tussen de urineblaas en geslachtsstelsel

66

Excavatio bupovesicalis

tussen het bekkenbodem en de urineblaas - reikt niet ver naar caudaal en is veel minder diep

67

De pleurale holte

cavum pleurale

68

Borstholte

cavum thoracis - ruimte die binnen de borstkas gelegen is en zich uitstrekt vanuit de borstingang tot aan het diafragma

69

Pleurale holte

cavum pleura

70

Mediastinum

mediaan tussenschot dat de borstholte scheidt in een linker en rechter pleurale holte

71

Borstvlies/pleura

is elk van beide pleurale holten mee bekleed en produceert sereus vocht

72

Fascia endothoracica

bindweefsellaagje waarop pleura op rust - te vergelijken met de fascia transversalis

73

Pleura pulmonaris

vormt de verbinding tussen de mediale zijde van iedere long en mediastinum

74

Ligamentum pulmonale

vormt de verbinding tussen de mediale zijde van iedere long en mediastinum

75

Pleura costalis

Pleura costalis

76

Pleura visceralis

zit vast op longkapsel - pleura pulmonalis

77

Pleura parietalis

borstvlies dat de wand van de pleurale holte bekleed - naargelang plaats - pleura costalis - pleura diaphragmatica - pleura mediastinalis

78

Cupula pleurae

gewelfte omslagzone tussen de pleura costalis en de pleura mediastinalis

79

Recessus costodiaphragmaticus

caudolateraal in de borstholte slaat de pleura costalis via een zeer scherpe hoek om in de pleura diaphragmatica - de pleurale holte in dit gebied tussen de borstwand en het diafragma is een spleetvormige ruimte

80

Borsttussenschot/mediastinum

pleura meidiastinalis van de linker pleurale holte is door middel van los bindweefsel verbonden met de pleura mediastinalis van de rechtzijde - pleurale dubbelplooi die wordt gevormd

81

Precardiale mediastinum/mediastinum craniale

craniaal van het hart

82

Cardiale mediastinum/mediastinum medium

dorsaal van het hart - omsloten van het pericard

83

Postcardiale mediastinum/mediastinum caudale

caudaal van het hart - onderscheid tussen dorsaal en ventraal deel

84

Het spijsverteringsstelsel

apparatus digestorius

85

Spijsverteringsbuis

bestaat uit mond, keel, slokdarm, maag, dunne darm, blinde darm, dikke darm en anaalkanaal - wand gevormd door verschillende weefselmantels

86

De tunica mucosa/slijmvlies

binnenbekleding - bestaande uit een oppervlakte-epitheel rustend op bindweefsel en glad spierweefsel

87

Tela submucosa

verbindingslaag - slijmvlies is hierdoor goed verschuifbaar ten opzichte van de spierlaag

88

Tunica muscularis

staat in voor het transport van de inhoud en zorgt bij betasten van het orgaan voor een gevoel van een zekere stevigheid van de wand

89

Tunica serosa

tunica muscularis is hiermee omgeven waar de spijsverteringsbuis door een lichaamsholte trekt

90

Tunica adventitia

tunica mescularis is hiermee verbonden met de omgevende organen buiten de lichaamholte

91

Grote spijsverteringsklieren

de grote speekselklieren, de lever en de pancreas - milt wordt hier ook bij besproken, behoort eigenlijk tot lymfoide weefsel

92

Parenchymateuze organen

bestaan uit specifiek functioneel weefsel, parenchym, en ondersteunend bindweefsel, stroma

93

Mond

oris - reikt van de uitwendige mondopening tot aan de keel

94

Mondholte

cavum oris - bestaat uit een perifeer spleetvormig vestibulum en een centraal gelegen eigenlijke mondholte

95

Vestibulum oris

gelegen tussen de lippen en de snijtanden, vestibulum oris labiale, en tussen de kiezen en de wangen, vestibulum oris buccale

96

Eigenlijke mondholte

cavum oris proprium - bij gesloten muil praktisch volledig opgevuld door de tong en gaat caudaal over in de keelholte

97

Arcus palatoglossus

overgang naar keelholte wordt hierdoor omsloten - een boogvormige slijmvliesplooi die loopt van het gehemelte naar de tongwortel

98

Tandvlees

gingiva - ter hoogte van de tanden zit het mondslijmvlies stevig vast op de tandalveolen samen met het onderliggend bindweefsel

99

De lippen

labia - labium

100

Bovenlip en onderlip

begrenzen de lipspleet die eindigt in de mondhoeken

101

Lipspleet

rima oris

102

Mondhoeken

anguli oris

103

Bovenlip

labium superius

104

Onderlip

labium inferius

105

Lipgroeve

philtrum - mediane uitwendige groeve op de bovenlip

106

De wangen

buccae - bucca

107

Glandulae buccales

wangspeekselklieren

108

Het harde gehemelte

palatum durum

109

Raphe palati

ondiepe groeve in slijmvlies van benige gehemelte - weergave van de vergroeiingslijn tussen de linker en rechter helft van het gehemelte

110

Rugea palatinae

opeenvolgende dwarse kammen - hoogte neemt caudaalwaarts af

111

De tong

lingua - spierig orgaan met veel vetweefsel, bindweefsel en tongkliertjes

112

Apex linguae

tongpunt - vrije en zeer beweeglijke apicale deel van de tong

113

Corpus linguae

tonglichaam - meest massieve deel van de tong

114

Corpus linguae

tongwortel - tonglichaam gaat hier caudaal in over zonder duidelijke grens

115

Papillae linguales

papillen op de tong

116

Papillae mechanicae

mechanische papillen - goed verhoornd

117

Papillae filiformes

draadvormige mechanische papillen - vooral op de tongpunt

118

Papillae conicae

kegelvormige mechanische papillen - vooral op tonglichaam

119

Papillae lentiformes

lensvomrige mechanische papillen - vooral op tonglichaam

120

Papilla gustatoriae

smaakpapillen - voorzien van kleine smaakknopjes die instaan voor smaakreceptie

121

Papillae fungiformes

zwamvormige smaakpapillen - kleine stompe verhevenheden - verzorgen vooral de tastgevoeligheid en in mindere mate de smaakopname - vooral op de rugzijde en zijvlakte van de tong

122

Papillae vallatae

omwalde smaakpapillen - groter dan de papillae fungiformes - steken niet boven het oppervlak uit - omringd door een cirkelvormige groeve of wal - gering aantal en bilateraal symmetrisch op de bovenzijde van het tonglichaam

123

Papilla foliatae

bladvormige smaakpapillen - gekenmerkt door opeenvolging van kammetjes en groefjes in een welomschreven ovaal gebied - links en rechts ligt 1 papilla foliata juist rostraal van de plica paptoglossa op de overgang tussen tonglichaam en tongwortel

124

Tongspieren

dwarsgestreepte spieren die zorgen voor de fijne beweeglijkheid van de tong

125

Tongriem

frenulum linguae - tongpunt ligt verbonden met de mondholtebodem door een onpare mediane slijmvliesplooi

126

Hongertepeltjes

carunculae sublinguales - 2 hongertepeltjes onmiddelijk caudaal van de snijtanden waar de afvoerwegen van twee speekselklieren uitmonden

127

Hongertepeltjes

dentes

128

Snijtanden

Snijtanden

129

Haaktanden

canini - C

130

Premolaren

P

131

Molaren

M

132

Kiezen

maaltanden - premolaren en molaren

133

Melktanden

dentes decidui - eerste tanden

134

Definitieve tanden

dentes permanentes - gelijkaardig uitzicht aan melktanden - kleiner

135

Kroon

corona - vrije gedeelte van de tand dat boven het tandvlees uitsteekt en is bekleed met glazuur

136

Tandvlees

gingiva

137

Hals

cervix - nauwere zone die tussen kroon en wortel ligt, waarop tandvlees vasthecht

138

Wortel

radix - gedeelte van de tand dat in de tandalveole ingebed is - bij de kiezen komen meestal meerdere wortels voor - bij balkvormige tanden, zoals bij het paard, is de scheiding tussen kroon en wortel onduidelijk

139

Corona clinica

corpus dentis - vrije gedeelte dat uitsteekt boven het tandvlees bij balkvormige tanden

140

Radix clinica

het niet vrije gedeelte bij balkvormige tanden

141

Facies vestibularis

buitenvlakte

142

Facies lingualis

naar de tong gerichte vlakte - de achterzijde van de snijtanden en de mediale zijde van de overige tanden

143

Facies occlusalis

kauwvlakte

144

Facies mesialis

vlakte rakend aan de vorige tand - mediale zijde van de snijtanden en voorzije van de overige tanden

145

Facies distalis

vlakte rakend aan de volgende tand - laterale zijde van de snijtanden en achterzijde van de overige tanden

146

Dentine

tandbeen - ivoor - substantia eburnea - vormt hoofdmassa van de tand en geelachtig wit

147

Secundaire dentine

laattijdig gevormde dentine - tandster

148

Glazuur

email - enamelum - adamantine - harder en witter dan dentine

149

Cement

cementum - gelijkt het best op beenweefsel en is de buitenste laag van de tand

150

Tandkas

tandalveole - alveolus dentalis

151

Tandholte

cavum dentis - in het centrum van iedere tand - opgedeeld in kroonholte en wortelkanaal

152

Tandpulpa

pulpa dentis - in de tandholte - bestaande uit los bindweefsel waarin ook zenuwen en bloedvaten voorkomen

153

Alveoli dentalis

waar de tanden stevig ingeplant zijn in de boven- en onderkaak - benig

154

Mandibulaire tandenboog

arcus dentalis inferior - deel van alveoli dentalis

155

Maxillaire tandenboog

arcus dentalis superior - deel van alveoli dentalis

156

Diastema

margo interalveolaris - bij herbivoren is ierdere tandboog beiderzijds onderbroken door een ruime tandloze zone

157

Wolfkiesje

de eerste premolaar P1 - verworpen aan fylogenetische reductie - afwezig bij herkauwers - kan als rudimentair tandje bij het paard

158

d - deciduus

melktand

159

Algemene tandformule - varken

- Bovenkaak - I1, I2, I3, C, P1, P2, P3, P4, M1, M2, M3
- Onderkaak - I1, I2, I3, C, P1, P2, P3, P4, M1, M2, M3
- 44 tanden totaal

160

Kleine speekselklieren

glandulae salivariae minores - komen voor op verschillende plaatsen in de mond en houden de mondholte continu vochtig

161

Grote speekselklieren

glandulae salivariae majores - vormen afzonderlijke organen met elk 1 lange afvoerweg naar de mondholte

162

Glandula parotis

oorspeekselklier - reikt met haar bovenrand tot tegen de oorbasis en vult de ruimte die langs de achterrand van de mandibula en onder de atlasvleugel gelegen is - produceert een waterig speeksel

163

Ductus parotideus

verzamelen de afvoerwegen zich in - mondt uit op een papilla parotidea op de binnenzijde van de wang ter hoogte van de bovenste kiezen

164

Papilla parotidea

op de binnenzijde van de wang ter hoogte van de bovenste kiezen - mondt de ductus paratideus op uit

165

Glandula mandibularis

mandibulaire speekselklier - is gelegen nabij de kaakronding en is gedeeltelijk bedekt - produceert een slijmerig speeksel

166

Ductus mandibularis

afvoerweg - loopt onder in de tong naar rostraal en mondt uit ter hoogte van het hongertepeltje in de mondholtebodem

167

Ductus mandibularis

sunlinguale speekselklieren - zijn langwerpige klieren die langs de zijvlakte van de tong en onder het mondslijmvlies gelegen zijn - secreteren een slijmig speeksel

168

Glandulae sublinguales polystomatica

is opgebouwd uit opeenvolgende kliergroepjes die gelegen zijn onder het bodemslijmvlies en die met meerdere korte afvoerwegen uitmonden in de mondtholte

169

Glandulae sublinguales monostomatica

is een meer massieve klier - haar enkelboudige afvoerweg ligt langs de ductus mandibularis en mondt samen met deze uit bij de hongertepeltjes

170

Keel

pharynx - een buisvormige structuur die bestaat uit een keelholte en een keelwand - het kruispunt tussen de voedsel- en ademweg - het overgangsgebied tussen enerzijds de mondholte en de slokdarm, en anderzijds tussen de neusholte en het strottenhoofd

171

Keelholte

cavum pharyngis - wordt door het zacht gehemelte ingedeeld in een dorsaal deel, neuskeel, en een ventraal deel, zwelgkeel

172

Zacht gehemelte

boogvormig middendeel aan de vrije achterrand van het zachte gehemelte

173

Arcus veli palatini

boogvormig middendeel aan de vrije achterrand van het zachte gehemelte

174

Arcus palatopharyngeus

mucosaplooi die naar caudaal loopt links en rechts van het zachte gehemelte

175

Ostium intrapharyngeum

ligt juist boven de larynx - beide bogen (arcus veli palatine en arcus palatopharyngei) ontmoeten elkaar caudaal boven de toegang tot de slokdarm - omcirkelen een opening die centraal in de keelholte gelegen is

176

Neuskeel

pars nasalis pharyngis - nasopharynx - ligt dorsaal van het zachte gehemelte

177

Tuba auditiva

buis van Eustachius - kleine opening beiderzijds in de zijwand van de neuskeel waar deze in de nasopharynx uitmondt - vormt verbinding tussen de neuskeel en de trommelholte van het middenoor

178

Zwelgkeel

ruimte tussen de isthmus faucium en de toegang tot de slokdarm

179

Pars oralis pharyngis

oropharynx - mondkeel - is de zonde boven de tongwortel vanaf de isthmus faucium tot tegen de larynx

180

Pars laryngea pharyngis

laryngopharynx - is het gedeelte van de zwelgkeel boven de larynx

181

Keelwand

bestaat uit een keelslijmvlies met talrijke kliertjes en lymfoid weefsel, tonsillen en ring van Waldeyer

182

Amandels

tonsillen - tonsillae - vele gegroepeerde lymfefollikels op welbepaalde plaatsen die macroscopisch waarneembaar zijn

183

Ring van Waldeyer

6 paar tonsillen die gezamelijk een ring van lymfoide organen vormen bij de ingang van de keel

184

Slokdarm

esophagus - oesophagus

185

Halsdeel

pars cervicalis - ligt ventraal van de m. longus colli en bevindt zich bij zijn begin zuiver dorsaal van larynx en trachea

186

Thorocale deel

pars thoracica - ligt in het mediastinum en trekt volledig doorheen de borstholte, vanaf de borstingang tot in de hiatus esophageus van het diafragma

187

Buikdeel

pars abdominalis - is het zeer korte traject van in de hiatus esophageus tot bij de aansluiting op de maag

188

Cutane slijmvlies

sterk verhoornd - wit uitzicht

189

Tunica submucosa

neemt in dikte toe naar distaal

190

Tunica muscularis

neemt in dikte toe naar distaal

191

Tunica adventitia

in de hals is de slokdarm hiermee los verbonden met de omgevende structuren

192

Tunica serosa

het borst- en buikdeel van de slokdarm zijn hierdoor omgeven

193

De maag

ventriculus - gaster

194

Pars cardiaca

cardia - vormt de overgang van de slokdarm en de maag

195

Pars pylorica

is de overgang van de maag naar de darm

196

Pars pylorica

grote bocht van de maag

197

Curvatura minor

kleine bocht van de maag

198

Omentum majus

grote net - gevormd door dorsale mesenterium

199

Omentum minus

kleine net - gevormd door ventrale mesenterium

200

Pars cardiaca

sluit aan met de slokdarm die in de hiatus esophageus van het diafragma vastzit

201

Curvatura major

een duidelijke uitbochting van de maag - naar links-ventraal gericht

202

Curcatura minor

naar dorsaal gericht - kort

203

Corpus ventriculi

meest volumineuze deel van de maag en bevindt zich links van de mediaanlijn

204

Fundus ventriculi

een naar links-dorsaal gerichte uitwelving van het corpus

205

Pars pylorica

omvat het rechts gelegen, smallere deel van de maag

206

Pylorus

duidelijke vernauwing aan het eind van de maag - zware kringspier gelegen

207

Tunica mucosa

laag van de maagwand - vertoond bij de ledige maag slijmvliesplooien die bij maagvulling verstrijken

208

Plicae gastricae

slijmvliesplooien in de maag die bij maagvulling verstrijken

209

Tunica submucosa

laag van de maagwand - vormt de verbinding tussen het slijmvlies en de spierlaag van de maag

210

Tunica muscularis

laag van de maagwand - is vooral uitgebouwd in de pars pylorica en is belangrijk voor het ledigen van de maag

211

Tunica serosa

laag van de maagwand - bedekt de ganse maag

212

Pars nonglandularis

maagslijmvlies dat is bekleed met hetzelfde slijmvlies als dit van de slokdarm - geen maagklieren

213

Pars glandularis

maagslijmvlies dat donkerder gekleurd is dan de pars nonglandularis - bevat vele maagklieren

214

omenta

Het grote net en kleine net

215

Omentum majus

grote net - zakvormige peritoneale dubbelplooi die de darmen bedekt

216

Aanhechting van de omentum majus

begint op de maag bij de cardia en loopt langs de curvatura major tot bij de pylorus - hecht verder vast op de pars cranialis duodeni en mesoduodenum - keert terug lang de dorsale lichaamswand naar de cardia

217

Parietale blad van de omentum majus

paries superficialis - begint breed op de curcatura major van de maag - ligt tegen de ventrale buikwand aan en loop caudaal naar de bekkeningang, waar het omslaat in het viscerale blad

218

Viscerale blad van de omentum majus

paries profundus - keert terug naar craniaal en ligt daarbij dorsaal van het parietale blad

219

Bursa omentalis

virtuele ruimte tussen het parietale blad en het viscerale blad

220

Foramen omentale

nauwe opening in de bursa omentalis - verbidng met de rest van de buikholte - vroeger - foramen epiploiceum of foramen van Winslow

221

Omentus minus

kleine net - restant van mesenterium venrale

222

Ligamentum hepatogastricum

korte band die de lever verbindt met de maag

223

Ligamentum hepatoduodenale

korte band die de maag verbindt met het begindeel van de dunne darm

224

Darmen

intestinum

225

Dunne darm

intestinum tenue

226

Twaalfvingerige darm

duodenum

227

Nuchtere darm

jejunum

228

Einddeel van de dunne darm

ileum

229

Dikke darm

intestinum crassum

230

Blinde darm

cecum

231

Endeldarm

rectum

232

Anaalkanaal

canalis ani

233

Scheilwortel

Scheilwortel

234

Karteldarm

colon

235

intestinum tenue

dunne darm

236

Duodenum

de u-vormige lus van de dunne darm

237

Pars cranialis duodeni

sluit aan op de maagpylorus - klimt naar rechts-dorsaal naar de dorsale lichaamswand - aan de craniale rand van dit darmsegment zit het omentum minus vast - aan de caudale rand insereert het omontum majus

238

Flexura duodeni cranialis

loopt de verticaal verlopende pars cranialis over in de horizontaal verlopende pars decendens

239

Pars descendens duodeni

het proximale deel van de u-vormige duodenumlus - dit deel verloopt rechts van de scheilwortel en zit met een kort mesoduodenum vast aan de dorsale lichaamswand

240

Flexura duodeni caudalis

hiermee loopt de pars descendens over in de pars transversa

241

Pars transversa duodeni

zeer kort en loopt caudaal van de scheilwortel van rechts naar links voor de bekkeningnag - het mesoduodenum hecht er vast op de lichaamswand

242

Pars ascendens duodeni

ligt links van de scheilwortel en loopt naar craniaal - dit deel verloopt evenwijdig met en mediaal van het colon descendens

243

Plica duodenocolica

beide darmsegmenten zijn onderling hiermee verbonden

244

Flexura duodenojejunalis

duidt de overgang aan tussen het duodenum en het jejunum - de dunne darm komt ter hoogte van deze bocht ruimer vrij van de lichaamswand en buigt meteen om naar ventraal

245

Jejunum

langste deel van de dunne darm - vormt verschillende slingeringen die relatief vrij in de buikholte liggen

246

Ansae jejunalis

verschillende slingeringen in het jenunum die relatief vrij in de buikholte liggen

247

Scheilwortel

radix mesenterii - op het overgangsgebied tussen rug en lendenen

248

Ileum

het laatste deel van de dunne darm

249

Plica ileocecalis

hiermee is het ileum is verbonden met het cecum

250

Osium ileale

verbinding tussen de dunne en dikke darm

251

intestinum crassum

dikke darm

252

Cecum of blinde darm

ligt in het rechter caudodorsale gebied van de buikholte en duidt meteen het begin aan van de u-vormige dikke darmlus

253

Plica ileocecalis

blinde darm is hiermee verbonden met het ileum

254

Plica cecocolica

blinde darm is hiermee verbonden met het colon - voeding

255

Ostium cecololicum

vormt de verbinding tussen het cecum en het colon

256

Colon of karteldarm

u-vormige dikke darm lus

257

Colon ascendens

is de proximale arm van de u-vormige dikke darmlus en loopt naar craniaal - waarbij het mediaal van het duodenum descendens en rechts van de scheilwortel gelegen is

258

Mesocolon ascendens

kort en loopt langs de scheilwortel en hecht vast op de dorsale lichaamswand

259

Colon transversum

zeer kort - verloopt craniaal van de scheilwortel van rechts naar links

260

Colon descendens

de distale arm van de u-vormige dikke darmlus en loopt naar caudaal, waarbij het dicht bij de dorsale lichaamswand, lateraal van het duodenum ascendens en links van de scheilwortel gelegen is

261

Mesocolon descendens

het colon decendens hangt hiermee vast aan de dorsale lichaamswand

262

Plica duodenocolica

het colon descendens is hiermee verbonden met het duodenum

263

Rectum

sluit zonder duidelijke grens aan op het colon descendens

264

Mesorectum

craniale deel van het rectum - dat zich in de peritoneale uitbreiding van de bekkenholte bevindt, hangt hier kort aan op

265

Ampulla recti

retroperitoneale deel van het rectum kan hier tot verwijd

266

Linea anorectalis

et rectum is bekleed met een darmslijmvlies dat ter hoogte van deze duidelijke lijnvormige grens - gaat over in het cutane slijmvlies van het anaalkanaal
h

267

Anaalkanaal

canalis analis - is het zeer korte eindsegment van de darm, dat slechts enkele centimeter lang is, maar alleen bij inspectie van de slijmvliezen concreet kan afgelijnd worden - is bekleed met een bleek, licht verhoornd epitheel en reikt van de linea anorectalis tot de anocutanea

268

Linea anocutanea

overgang tussen het weinig verhoornde cutaan slijmvlies en de duidelijk verhoornde huid met huidklieren en haren

269

Anus

aars - overgangsgebied naar de buitenwereld

270

Musculus sphincter ani internus

kringspier rond de anaalopening - een gladde onwikkeleurige sfincter - verdikking van de inwendige circulaire spierlaag van de tunica muscularis

271

Musculus sphincter ani externus

kringspier rond de anaalopening - rode willekeurige sfincter - omgeeft de inwendige sfincter en loopt met een aantal ventrale spierstroken uit op de spieren van heturogenitale stelsel die in het perineumgebied gelegen zijn

272

Ligamentum suspensorium ani

kringspier rond de anaalopening - uitlopers van de glasse m. retractor penis of m. retractor clitoridis opgrijpen eveneens de anus en versmelten hiertoe dorsaal van de anus - eindigt op aan de staartbasis

273

Musculus rectococcygeus

verderzetting van de longitudinale gladde vezels van de tunica muscularis van het rectum, die zich als een parige en zeer stevige gladde spierstrook losmaakt uit de spierlaag van het rectum en eindigt aan de eerste staartwervels

274

Musculus levator ani

een spat rood spiertje dat ontspringt op de spina ischiadica en uitloopt in de m. sphincter ani externus

275

Musculus coccygeus

een staartspier - ontspringt op de spina ischiadica en verloopt naar de staartbasis - is tijdens zin traject vergroeid met de m/ levator ani - beide spieren vormen samen het diafragma pelvis, dat de bekkenuitgang afsluit

276

Tunica mucosa

is de darm mee opgebouwd

277

Darmvlokken

in de dunne darm

278

Lymphonoduli aggregati

Peyerse platen - darmslijmvlies met veel lymfefillikels die wanneer zij gegroepeerd zijn en macroscopisch zichtbaar worden als onregelmatige zones met grillig oppervlak

279

Tela submucosa

verbindt de tunica mucosa met de tunica muscularis

280

Tunica muscularis

zorgt voor peristaltische beweging - bestaat uit glad spierweefsel - spiervezels zijn georganiseerd in inwendige circulaire en uitwendige longitudinale laag

281

Teniae

opvallende spierstroken in de darm

282

Haustra

waar de darmwand tussen de teniae dunner is en plaatselijk zakvormige uitbochtingen kan vertonen

283

Tunica serosa

vormt de uitwendige bekleding van het maag-darmkanaal - alleen het caudale gedeelte van het rectum en het anaalkanaal liggen retroperotoneaal

284

De lever

hepar

285

Facies diaphragmatica

gewelfd, in overeenstemming met de vorm van het middenrif

286

Facies visceralis

is in situ lichtjes concaaf en kan afdrukken vertonen van organen die er onmiddelijk tegenaan liggen

287

Margo dorsalis

afgerond - heeft indeukingen voor de slokdarm en vena cava caudalis

288

Impressio esophagea

indeuking van de margo dorsalis -op het niveau van het mediaanvlak - voor de slokdarm

289

Sulcus venae cavae

indeuking van de margo dorsalis - lange groeve aan de rechter kan waarin de vena cava caudalis ligt

290

Margo ventralis

scherp - vertoond verschillende inkepingen die de lever opdelen in kwabben/lobben

291

Incisura ligamenti teretis

inkeping van de margo ventralis - bevat het ligamentum teres

292

Ligamentum teres

een dun strengtje dat vanuit de navel via het ligamentum falciforme naar de lever loopt

293

Fossa vesicae felleae

inkeping van de margo ventralis - bevat de galblaas

294

Margo dexter

verbindt de dorsale en ventrale leverranden

295

Margo sinister

verbindt de dorsale en ventrale leverranden

296

Lobus dexter

rechter leverkwab - ligt rechts van de lijn die de sulcus venae cavae met de fossa vesicae felleae verbindt

297

Lobus dexter lateralis

supplementaire inkeping van de margo ventralis van de rechter lever lob

298

Lobus dexter medialis

supplementaire inkeping van de margo ventralis van de rechter lever lob

299

Lobus sinister

linker leverkwab - ligt links van de lijn die de impressia esophagea met de incisura lig. teres verbindt

300

Lobus sinister lateralis

supplementaire inkeping van de margo ventralis van de linker lever lob

301

Lobus sinister medialis

supplementaire inkeping van de margo ventralis van de linker lever lob

302

Leverpoort

porta hepatis - leverhilus - ligt ongeveer centraal op de facies visceralis van het middendeel - verschillende leidingen bereiken of verlaten hier het leverweefsel

303

Ductus hepaticus communis

galafvoerweg

304

V. portae

poortader

305

A. hepatica

leverslagader

306

Lobus quadratus

ligt ventraal van de leverpoort

307

Lobus caudatus

ligt dorsaal van de leverpoort en kan een paar uitstulpingen vertonen

308

Processus caudatus

uitstulping van de lobus caudatus - is gericht naar rechts en caudodorsaal

309

Processus papillaris

uitstulping van de lobus caudatus - is meestal kleiner en gericht naar links

310

Ligamentum triangulare dextrum en ligamentum triangulare sinistrum

verbinden respectievelijk de rechter en linker leverkwab met het diafragma

311

Ligamentum coronarium

zeer kort en verbindt de facies diaphragmatica van de lever met het diafragma

312

Area nuda

naakte zone - nabij de slokdarm is de lever over een beperkt gebied rechtstreeks vergroeid met het diafragma en is er niet bedekt met peritoneum

313

Ligamentum falciforme

loopt vanaf de navel in de mediaanlijn op de ventrale buikwand en verloopt verder op de diafragmatische zijde van de lever tot regen de slokdarm

314

Ligamentum hepatogastricum en ligamentum hepatoduodenale

verbinden de viscerale zijde van de lever met de maag en het duodenum - vormen samen het omentum minus

315

V. cava caudalis

is ter hoogte van de sulcus venae cavae vergroeid met het leverkapsel en op dit niveau is de craniale zijde van de vene ook vergroeid met het diafragma

316

V. portae

loopt vanuit de leverpoort langs het omentum minus naar de darmscheilwortel en vormt op deze manier ook een bijkomende vasthechting van de lever

317

Gal (afvoerweg)

wordt door de levercellen gevormd en in de lever door galvaten geleid naar de ductus hepticus dexter en ductus hepaticus sinister die versmelten tot ductus hepaticus communis die de gal vanuit de leverpoort naar de ductus cysticus voert en zo naar de galblaas

318

Galblaas

vesica fellae - heeft een peervormig uitzicht en vertoont aldus een funcus, een corpus en een collum

319

Ductus cysticus

de hals van de galblaas sluit hierop aan

320

Ductus choledochus

voert het gal naar het duodenum

321

Papilla duodeni major

tepelvormige verdikking van het slijmvlies van de uitmonding van de ductus choledochus

322

De alvleesklier

pancreas

323

Lobus pancreatis dexter

ontstaat uit de dorsale pancreasknop die uitgroeit in het mesoduodenum

324

Ductus pancreaticus accesorius

afvoerweg van de rechterkwab naar het duodenum

325

Papilla duodeni minor

mondt de ductus panceaticus accessorius op uit

326

Lobus pancreatis sinister

ontstaat uit de ventrale pancreasknop die uitgroeit in het viscerale blad van het omentum majus

327

Ductus pancreaticus

afvoerweg van de ventrale pacreasknop

328

Papilla duodeni major

mondt de ductus pancreaticus samen met de ductus choledochus op uit

329

Corpus pancreatis

de vergroeiing van de beide aanlegknoppen van de pancreas

330

De milt - latijnse naam

lien

331

Milt - samenstelling

Heeft een facies parietalis en facies visceralis, met hilus waar de a. en v. lienalis en miltlymfeknopen, kleine lymfevaten en zenuwen gelegen

332

Ligamentum gastrolienale

verbindt de milt met de curvatura major van de maag

333

Ligamentum phrenicolienale

verbindt de dorsale rand van de milthilus met het middenrif - bij sommige dieren zit die band ook vast op de linker nier en wordt daarom ligamentum lienorale genoemd

334

Milt-nierband

ligamentum phrenicolienale/ligamentum lienorale - vooral belangrijk bij het paard, koliek

Decks in Algemene anatomie Class (33):