14e Uitbreiding Flashcards Preview

spaanse woordenschat > 14e Uitbreiding > Flashcards

Flashcards in 14e Uitbreiding Deck (57):
1

kunst; list

el arte

2

zaak, aangelegenheid

el asunto

3

auto

el automóvil

4

wetenschap / natuurwetenschap

la ciencia / las ciencias

5

vaststaan; blijken

constar

6

toesnellen; gaan naar

acudir

7

spil

el eje

8

uitvoeren; terechtstellen

ejecutar

9

exemplaar

el ejemplar

10

ijzer

el hierro

11

draad

el hilo

12

gelijk (bijv)

igual (a)

13

onwettig

ilegítimo, -a

14

verlichting

la iluminación

15

illusie, verwachting

la ilusión

16

geïllustreerd; ontwikkeld

ilustrado, -a

17

beroemd (bijv)

ilustre

18

terwijl / intussen (bijw)

mientras (que)

19

(be)stijgen; bedragen

montar

20

stom

mudo, -a

21

meubelstuk / meubels

el mueble / los muebles

22

getal, cijfer, nummer; aantal

el número

23

talrijk

numeroso, -a

24

verbergen; geheimhouden

ocultar

25

bezetting; bezigheid

la ocupación

26

in beslag nemen; bezetten; bewonen / zich bezighouden met

ocupar / ocuparse de

27

gewoon; alledaags

ordinario, -a

28

organiseren

organizar (z/c)

29

orgaan; orgel

el órgano

30

goud

el oro

31

termijn

el plazo

32

vol

pleno, -a

33

welvarend, voorspoedig

próspero, -a

34

beschermen; begunstigen

proteger (g/j)

35

protest

la protesta

36

protesteren

protestar

37

aanbevelen, aanraden

recomender (ie)

38

her-, erkennen; onderzoeken

reconocer (por)

39

iemand aan iets herinneren / zich herinneren

recordar una cosa a una persona / recordar

40

afleggen (afstand); afreizen

recorrer

41

toevlucht

el recurso

42

hardheid, strengheid

el rigor

43

verrassen; betrappen

sorprender

44

verrassing; verbazing

la sorpressa

45

verdenking, (het) vermoeden

la sospecha

46

vermoeden; argwaan koesteren

sospechar

47

oppervlakkig (bijv)

superficial

48

oppervlakte

la superficie

49

hoger; superieur (bijv)

superior

50

veronderstellen

suponer

51

televisietoestel

el televisor

52

thema

el tema

53

graan

el trigo

54

treurig, bedroefd (bijv)

triste

55

droefheid

la tristeza

56

zegevieren

triunfar

57

vakantie

las vacaciones