5e Uitbreiding Flashcards Preview

spaanse woordenschat > 5e Uitbreiding > Flashcards

Flashcards in 5e Uitbreiding Deck (181):
0

volstrekt, absoluut

absoluto, -a

1

trefzekerheid; vaardigheid

el acierto

2

overeenstemming; overleg; besluit

el acuerdo

3

aanbidden, adoreren

adorar

4

augustus

agosto

5

sparen; (fig) besparen

ahorrar

6

een beetje

algo

7

leerling, student / leerlinge, studente

el alumno / la alumna

8

vriend / vriendin

el amigo / la amiga

9

ten overstaan van; voor (voorz)

ante

10

apart; terzijde (bijw)

aparte

11

boom; mast

el árbol

12

gebraden vlees

el asado

13

aanval

el ataque

14

hoewel (voegw)

aunque

15

helpen

ayudar

16

goedkoop

barato

17

zegening

la bendición

18

belegd broodje

el bocadillo

19

bos

el bosque

20

grap; spot

la burla

21

koffie; cafe

el café

22

veranderen; wisselen

cambiar

23

kwantiteit; aantal, hoeveelheid

la cantidad

24

gezicht; voorkant; zijde (van een grammofoonplaat)

la cara

25

duur; lief

caro, -a

26

geval; gebeurtenis

el caso

27

wijken

ceder

28

lucifer

la cerilla

29

band; lint; (film)strook

la cinta

30

klant

el cliente

31

verzameling

la colección

32

eetzaal, eetkamer

el comedor

33

vergelijken

comparar

34

met; bij

con

35

chauffeur; conducteur, wagenbestuurder

el conductor

36

bekend (bijv) / bekende, kennis

conocido, -a / el conocido

37

standvastig; duurzaam (bijv)

constante

38

antwoorden

contestar

39

uitnodigen voor

convidar a

40

koerier; post

el correo

41

naaien

coser

42

kristal; ruit, glas

el cristal

43

kwaliteit; hoedanigheid

la cualidad

44

(be)rekening; nota; kraal (van de rozenkrans)

la cuenta

45

verjaardag

el cumpleaños

46

plas

el charco

47

dame

la dama

48

verklaren; aangeven

declarar

49

definitie

la definición

50

sport

el deporte

51

ontbijten

desayunar

52

ontschepen, uitladen

desembarcar (c/qu)

53

flauwvallen

desmayarse

54

laten uitkomen

destacar (c/qu)

55

de dag

el día

56

tien

diez

57

bestuur; richting; adres

la dirección

58

rangschikken; beschikken (over)

disponer (de) vgl poner

59

echtscheiding

el divorcio

60

slapen / inslapen

dormir / dormirse (ue, u)

61

werpen

echar

62

doeltreffend (bijv)

efficaz

63

kiezen

elegir (i, g/j)

64

beambte, employé

el empleado

65

vinden; ontmoeten

encontrar (ue)

66

geweldig (bijv)

enorme

67

tussen, onder

entre

68

uitrusting; elftal, ploeg

el equipo

69

schrijven

escribir

70

afschrikken / schrikken

espantar / espantarse

71

hoek

la esquina

72

ster (ook filmster)

la estrella

73

examineren; bekijken

examinar

74

beproeven; ondergaan

experimentar

75

buitengewoon

extraordinario, -a

76

familie

la familia

77

gunstig (bijv)

favorable

78

vruchtbaar (bijv)

fértil

79

laatst, slot- (bijv)

final

80

vloed (in zee)

el flujo

81

Francaise

la francesa

82

vrucht, fruit / nut, voordeel; vrucht (fig)

la fruta / el fruto

83

toekomstig / toekomst

futuro, -a / el futuro

84

poes, kat

la gata

85

zigeuner / zigeunerin

el gitano / la gitana

86

groot; belangrijk (bijv)

gran, grande

87

groep

el grupo

88

(be)wonen

habitar

89

gedaan / feit; zaak

hecho, -a / el hecho

90

ijs; vorst, koude

el hielo

91

geschiedschrijver

el historiador

92

ziekenhuis

el hospital

93

eenvoudig, bescheiden (bijv)

humilde

94

verbeelden; uitdenken / zich voorstellen

imaginar / imaginarse

95

inwijding; opening

la inauguración

96

oneindig, eindeloos

infinito, -a

97

onuitstaanbaar (bijv)

insoportable

98

internationaal (bijv)

internacional

99

ham

el jamón

100

juli

julio

101

lip

el labio

102

potlood

el lápiz

103

ver (bijw)

lejos

104

(vast)binden; verbinden, verenigen

ligar (g/gu)

105

literatuur

la literatura

106

lichtend, lichtgevend; (fig) helder

luminoso, -a

107

dragen; meebrengen, bij zich hebben; aan-, op-, omhebben

llevar

108

vervloeken

maldecir (maldito)

109

manuscript

el manuscrito

110

markies / markiezin

el marqués / la marquesa

111

volwassene

el mayor

112

beter

mejor

113

markt(plein)

el mercado

114

mijn (bez)

mi(s) / mío, mía(s)

115

minister

el ministro

116

model

el modelo / la modelo

117

monument; praalgraf

el monumento

118

vrouw

la mujer

119

niets

nada

120

handel; zaak

el negocio

121

niet; nee

no

122

romanschrijver

el novelista

123

of

o

124

aanbieden

ofrecer (zc)

125

gunstig; geestig, gevat

oportuno, -a

126

herfst

el otoño

127

bleek (bijv)

pálido, -a

128

gelijk (bijv)

par

129

paragraaf

el párrafo

130

gang

el pasillo

131

plakken; slaan

pegar (g/gu)

132

slechter, erger (bijv/bijw)

peor

133

parel

la perla

134

vis (als gerecht)

el pescado

135

stuurman; piloot

el piloto

136

arm (bijv)

pobre

137

volks-, populair (bijv)

popular

138

nagerecht

el postre

139

vragen (naar)

preguntar (por)

140

aanspraak maken op

pretender

141

probleem

el problema

142

naaste, evenmens

el projimo

143

spreekwoord

el proverbio

144

haven

el puerto

145

willen; houden van

querer (ie, quise, querré)

146

twijg; branche, vak / tak

el ramo / la rama

147

boodschap, bericht

el recado

148

rond

redondo, -a

149

terugkeren

regresar

150

roeren; uit de weg ruimen

remover (ue)

151

antwoord

la repuesta

152

koning / koningin

el rey / la reina

153

rood

rojo, -a

154

laken

la sábana

155

sprong

el salto

156

zijde (textiel)

la seda

157

gewaarwording

la sensación

158

reeks, serie, rij

la serie

159

zeven

siete

160

maar; behalve

sino

161

gewoon zijn, plegen

soler (ue)

162

glimlachen

sonreir

163

naar boven gaan; naar boven brengen

subir

164

slaap; droom

el sueño

165

zulk, dusdanig, zo'n (bijv)

tal

166

kopje

la taza

167

temperament

el temperamento

168

gezellige bijeenkomst

la tertulia

169

verf; inkt

la tinta

170

stier

el toro

171

slok

el trago

172

dertien

trece

173

toerist

el turista

174

u

usted(es)

175

damp; stoomboot

el vapor

176

wreken / zich wreken op

vengar / vengarse (de) (g/gu)

177

verifieren; verwezenlijken

verificar (c/gu)

178

ruit; glazen deur; Am etalage

la vidriera

179

(het)zicht; visioen; visie

la visión

180

stem; woord

la voz