H 22 Verbale communicatie Flashcards Preview

thematische woordenschat > H 22 Verbale communicatie > Flashcards

Flashcards in H 22 Verbale communicatie Deck (202):
1

interviewen

intervistare

2

het geschil

la vertenza

3

het verhoor

l'interrogatorio

4

ondervraging; overhoring

l'interrogazione

5

stilzwijgend

tacitamente

6

het geklets, de praatjes, de roddels

le chiacchiere

7

een praatje maken

fare quattro chiacchiere

8

gericht

rivolto

9

het gesprek, de toespraak, de kwestie

il discorso

10

iemand iets meedelen/ vertellen

riferire qc a qu

11

waarschuwen, laten weten

avvisare

12

iets aan iemand voorleggen

sottoporre qc a qu

13

schreeuwen, gillen

strillare

14

naar mijn mening

secondo la mia opinione

15

iemand met iets feliciteren / gelukwensen

congratularsi con qu per qc

16

vrijuit, zonder beleefdheid

senza complimenti

17

Wat jammer!

Che peccato!

18

Arme kerel! Arme vrouw!

Poveretto/a!

19

wanhopig, radeloos

disperato/a

20

condoleantie, deelneming

le condoglianze

21

Met deelneming

Sentite condoglianze

22

de rouw, het sterfgeval

il lutto

23

aanbevelingsbrief

la lettera di raccomandazione

24

zich duidelijk uitdrukken

spiegarsi

25

zich wenden tot; gebruik maken van

ricorrere a

26

zoals voorgeschreven

in modo dovuto

27

uitvoeren

eseguire

28

de uitvoering

l'esecuzione

29

iemand gehoorzamen, naar iemand luisteren

obbedire a qu

30

oppassen voor

guardarsi da

31

handhaving, onderhoud

il mantenimento

32

iemand iets verbieden iets te doen (2)

proibire qc a qu; vietare

33

het verbod

il divieto

34

iemand verhinderen/ beletten iets te doen

impedire a qu di fare qc

35

iemand iets toestaan/ gunnen

consentire qc a qu

36

vestigen op iets; iets herinneren

richiamare qc

37

bedreiging, dreigement

la minaccia

38

belediging (2)

l'insulto; l'offesa

39

beledigen, uitschelden, kwetsen (2)

insultare; offendere

40

in discussie gaan

polemizzare

41

vergeving, vergiffenis

il perdono

42

helaas, jammer genoeg

purtroppo

43

verkeerd begrijpen

fraintendere

44

misverstand

il malinteso

45

het bedanken

il ringraziamento

46

iets, iemand vergelijken met

paragonare qc/qu a

47

vergelijking, parallel

il paragone

48

een loze belofte

una promessa da marinaio

49

vooronderstelling

la premessa

50

onthullen

svelare

51

Zweert u de waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen!

Giuri di dire la verità, nient'altro che la verità.

52

de eed

il giuramento

53

inderdaad; dan ook, namelijk

infatti

54

om precies te zijn

per l'esattezza

55

iemand waarschuwen; iemand berispen

ammonire qu

56

de opzeggingsbrief; het ongeluk, de pech

la disdetta

57

iets afzeggen, opzeggen, annuleren

disdire qc

58

afwijzen, van de hand wijzen

respingere

59

de kritiek, de protest

la contestazione

60

protesteren tegen iets/iemand

contestare qu/qc

61

zich verzetten tegen

opporsi a

62

misverstand; vergissing

l'equivoco

63

anders

altrimenti

64

trouwens, overigens

d'altronde

65

Nu is het genoeg!

Adesso basta!

66

eind-, slot-, afsluitend

conclusivo/a

67

zich iets voorbehouden

riservarsi qc

68

beoordeling; oordeel, de mening

il giudizio

69

de rechtvaardiging, het excuus

la giustificazione

70

heersend, gangbaar

prevalente

71

overmacht, meerderheid

la prevalenza

72

merendeels, voornamelijk

in prevalenza

73

van oordeel zijn, vinden, beschouwen

ritenere

74

mening, standpunt

il parere

75

iets/ iemand opmerken

accorgersi di qc/qu

76

truc, foefje

l'accorgimento

77

zich opknappen

mettersi in ordine

78

overzichtelijk te werk gaan

procedere con ordine

79

verspreid

in ordine sparso

80

derderangs

di terz'ordine

81

iets raden/ voorspellen

indovinare qc

82

het raadsel

l'indovinello

83

opzetten, stellen

impostare

84

het best

al meglio

85

verbazing, verwondering; het wonder

la maraviglia

86

aanpassing; bewerking

l'adattamento

87

geschikt, aangewezen

adatto/a

88

correctheid, fatsoen, eerlijkheid

la correttezza

89

de waarde, verdienste

il pregio

90

waardevol, kostbaar, geacht, geëerd

pregiato/a

91

uitmunten, uitblinken

eccellere

92

bij uitstek

per eccellenza

93

buitengewoon, uitzonderlijk

straordinario/a

94

spannend, opwindend

entusiasmante

95

iets waarderen, iets wensen

gradire qc

96

aangenaam, plezierig

gradevole

97

tevredenheid, goedkeurig

il gradimento

98

van pas komen

tornare utile

99

in overeenstemming met

adeguato/a

100

gepast; voordelig, gunstig

conveniente

101

de boosaardigheid; de slechtheid

la cattiveria

102

laf

vigliacco/a

103

de lafheid

la vigliaccheria

104

bang worden, schrikken

spaventarsi

105

verschrikkelijk, ontzettend

spaventoso/a

106

schrik, angst

lo spavento

107

Getver! Wat smerig!

Che schifo!

108

het gemopper, het gebrom

il brontolio

109

mopperen, brommen

brontolare

110

de klacht

la lamentela

111

de klacht; het gejammer

il lamento

112

nadelig

svantaggioso/a

113

verachtelijk, verwerpelijk

spregevole

114

zich iets wijs maken, zich illusies maken

illudersi

115

ongelovig

incredulo/a

116

ongelovigheid

l'incredulità

117

het gevlei

la lusinga

118

iemand vleien

lusingare qu

119

erbarmelijk, pijnlijk

penoso/a

120

medogenloos, wreed

spietato/a

121

het verwijt

il rimprovero

122

iemand afwijzen/ afweren

respingere qu/c

123

het afwijzen

la respinta

124

fel, verhit

acceso/a

125

gedreven, bezield; geanimeerd, levendig

animato/a

126

Nou en of!

Eccome!

127

Heftig!

Forte!

128

gaaf, te gek, tof

ganzo/a

129

Gaaf! Onwijs leuk! Geweldig!

Figo!

130

Wat gaaf!

Che figata!

131

Krijg nou wat!

Ammazza!

132

Lieve hemel! Allemachtig! Jeetje!

Caspita!

133

Potverdorie! Jeetje!

Cavolo!

134

Wee je gebeente!

Guai!

135

Wat een ramp! Verdorie! Verdomme! (2)

Maledizione! Managgia!

136

tussen; op de overgang van

a cavallo di

137

Wie weet? Misschien?

Chissà?

138

Natuurlijk!

Come no!

139

uit de brand zijn

essere a cavallo

140

Mondje toe

acqua in bocca!

141

diep in het glaasje kijken

alzare il gomito

142

op drift raken

andare alla deriva

143

in het verkeerde keelgat schieten

andare di traverso

144

mislukken, tegenzitten

andare storto

145

zijn papieren in orde hebben

aver le carte in regola

146

een gat in zijn hand hebben

avere le mani bucate

147

des duivels zijn

avere un diavolo per capello

148

de tijd doden

ammazzare il tempo

149

het water tot de lippen hebben staan

avere l'acqua alla gola

150

ronduit, onomwonden

chiaro e tondo

151

Dat moest er nog bijkomen! Stel je voor!

Ci mancherebbe altro!

152

opvangen, toevallig horen

cogliere al volo

153

de gelegenheid/kans grijpen

cogliere la palla al balzo

154

vol raken/ treffen

cogliere in pieno

155

aanrichten, uithalen, uitvoeren

combinare qc

156

het is beter, het komt uit

conviene

157

Toe! Vooruit!

dai!

158

opvallen

dare nell'occhio

159

belang hechten aan

dare importanza a

160

in vorm zijn, bekwaam zijn

essere in gamba

161

op zwart zaad zitten, blut zijn

essere al verde

162

op stelten zetten

fare un quarantotto

163

het beste hopen, afkloppen; bedriegen;

fare le corna

164

een goed / slecht figuur slaan

fare bella figura brutta figura

165

doen alsof

fare finta di

166

schoon schip maken; alles opeten

fare piazza pulita

167

Afblijven! Handen thuis!

Giù le mani!

168

laten zitten, het opgeven

lasciar perdere

169

in de soep laten lopen, laten floppen

mandare all'aria

170

naar de pomp laten lopen

mandare a quel paese

171

bedriegen

mettere le corna

172

je neus ergens insteken

mettere il naso

173

veel geblaat maar weinig wol

molto fumo e poco arrosto

174

Driemaal is scheepsrecht

non c'è due senza tre

175

Doet u geen moeite!

non si disturbi!

176

verlangen iets te doen

non vedere l'ora di fare qc

177

iemand beetnemen

prendere in giro qu

178

gouden bergen beloven

promettere mari e monti

179

krokodillentranen vergieten

piangere lacrime di coccodrillo

180

met lege handen staan

restare a bocca asciutta

181

met stomheid geslagen zijn

rimanere a bocca aperta

182

zonder er doekjes om te winden, ronduit

senza mezzi termini

183

nergens voor deugen

senza arte né parte

184

Logisch!

Si capisce!

185

duimen draaien, geen vinger uitsteken

stare con le mani in mano

186

zich uit de voeten maken

tagliare la corda

187

afkloppen

toccar ferro

188

niet langer storen

togliere il disturbo

189

zich erdoorheen slaan

tirare avanti

190

ter zake komen

venire al sodo

191

de tussenoplossing, de middenweg

la via di mezzo

192

bij de dag leven

vivere alla giornata

193

op water en brood leven

vivere di pane e acqua

194

de uitweg (2)

la via d'uscita/ di scampo

195

waarschuwen

avvisare

196

informeren over, inlichten over

informare su

197

normaal, gewoon, alledaags

ordinario

198

de kwestie, het probleem

la questione

199

adviseren

consigliare

200

informeren naar

informarsi su

201

ordinair

volgare

202

de vraag

la domanda