vervolg H 8-9 Flashcards Preview

thematische woordenschat > vervolg H 8-9 > Flashcards

Flashcards in vervolg H 8-9 Deck (192):
1

leerstoel

la cattedra

2

de wetenschapper

lo scienziato

3

gave, kwaliteit

la dote

4

het lezen; de interpretatie

la lettura

5

de doctent (2)

il lettore/ la lettrice; il/la docente

6

scriptie; proefschrift

la tesi

7

het doctoraal

la laurea

8

de lof

la lode

9

naar voren komen, blijken

risultare

10

herexamen laten doen

rimandare

11

schoolbank

il banco di scuola

12

kostschool, internaat

il collegio

13

klasgenoot, schoolvriend(in)

il compagno/a

14

passer

il compasso

15

overschrijven, afkijken

copiare

16

natuurkunde

la fisica

17

bank (gebouw/instelling)

la banca

18

college (2)

la lezione/il corso

19

de compagnon, zakenpartner

il socio/a

20

kompas

la bussola

21

(foto)kopiëren

fotocopiare

22

het fysiek

il fisico

23

werktuig, gereedschap

l'attrezzo

24

uitrusting; gereedschap

l'attrezzatura

25

werktuig; stuk gereedschap

l'arnese

26

wegwerp-

usa e getta

27

knop, schakelaar

l'interruttore

28

stopcontact

la presa di corrente

29

verlengsnoer

la prolunga

30

aanhaken;vastmaken

agganciare

31

loshaken;losmaken

sganciare

32

de haak

il gancio

33

ophangen, bevestigen

attaccare

34

aanhechting, bevestiging

l'attacco

35

zagen

segare

36

de zaag

la sega

37

de spijker

il chiodo

38

vastspijkeren

inchiodare

39

de schroef

la vite

40

de veer

la molla

41

beitel

lo scalpello

42

tang

le tenaglie

43

boren

trapanare

44

boor

il trapano

45

boormachine

la trapanatrice

46

schrobzaag

il gattuccio

47

verfkwast, penseel

il pennello

48

email, lak

lo smalto

49

emailleren, lakken

smaltare

50

aanbrengen, opbrengen

applicare

51

verf, lak, vernis

la vernice

52

verven, schilderen, lakken

verniciare

53

de emmer

il seccio

54

het vastmaken; bevestigen

il fissaggio

55

(hang)slot

il lucchetto

56

touw(2)

lo spago/ la corda

57

meetlat, meetlint

il metro

58

duimstok

il metro pieghevole

59

waterpas

la livella

60

trechter

l'imbuto

61

de leiding

la conduttura

62

lopende band

la catena di montaggio

63

transportband

il nastro (trasportatore)

64

kantoorboekhandel

la cartoleria

65

enveloppe

la busta

66

verzegelde enveloppe

la carta da lettere

67

vel papier, blad

il foglio

68

de kaart, het formulier

la scheda

69

potlood

la matita

70

vulpen

la penna (stilografica)

71

vilstift

il pennarello

72

tekstmarker

l'evidenziatore (m)

73

nietmachine

la cucitrice

74

perforator

la perforatrice

75

slijper

il temperino

76

typemachine

la macchina da scrivere

77

inktpatroon, vulling

la cartuccia

78

vergrootglas, loep

la lente d'ingradimento

79

plakband

il nastro adesivo

80

paperclip

la clip

81

map, ordner

il raccoglitore

82

etiket, label

l'etichetta autoadesiva

83

versleten, kaal

logoro/a

84

(ver)slijten

logorare

85

map

la cartella

86

aangeven; opschrijven, noteren

segnare

87

automatiseren

computerizzare

88

databank

la baca dati

89

bescherming van gegevens

la protezione dei dati

90

aanklikken

cliccare

91

verwerking

l'elaborazione

92

spatiebalk

la barra spaziatrice

93

printer

la stampante

94

aansluiten op

connettersi

95

de beamer

il videoproiettore

96

Jong geleerd, oud gedaan

Apprendi l'arte e mettila da parte

97

leerjongen, leerling

l'apprendista

98

stragair(e)

il/la praticante

99

sollicitatiebrief (2)

la domanda di assunzione/ d'impiego

100

solliciteren

fare domanda di assunzione

101

leertijd, stage

l'apprendistato

102

verbetering, perfectionering

il perfezionamento

103

taak, functie

la mansione

104

beroepsopleiding

la formazione professionale

105

beginnen iets te doen

mettersi a fare qc

106

eigenaar (2)

il/la titolare/ proprietario

107

hoofd, chef

il capo

108

afdelingshoofd

il caporeparto

109

boekhouding

la ragioneria

110

ondernemer

il libero professionista

111

belastingadviseur

il/ la commercialista

112

belastingconsulent

il/la consulente fiscale

113

docent

l'insegnante

114

gynaecoloog

il / la ginecologo/a

115

dierenarts

il veterinario/a

116

bewaker, toezichthouder

il/la sorvegliante

117

onder streng toezicht

sotto stretta sorveglianza

118

handelsvertegenwoordiger

agente di commercio

119

een reisbureau

un'agenzia di viaggi

120

maatschappelijk werk

l'assistenza sociale

121

postbode

il/la postino/a

122

secretariaat

la segreteria

123

ambachtsman

l'artigiano/a

124

veeleisend

esigente

125

pretentie

la pretesa

126

pretentieloos

senza molte pretese

127

expert, deskundige

il perito/ l'esperto/a

128

bekwaamheid, deskundigheid

la perizia

129

verkoper (2)

il commesso/ venditore

130

vertegenwoordiger

il/la rappresentante

131

huisman/vrouw

il/la casalingo/a

132

matroos, zeeman

il marinaio

133

bakker

il fornaio

134

elektricien

l'elettricista

135

automonteur

il meccanico/a

136

monteur

il montatore

137

timmerman (2)

il falegname/ il carpentiere

138

metselaar

il muratore

139

loodgieter

l'idraulico

140

schilderen, verver (2)

pitturare, dipingere

141

dakdekker

il copritetto

142

horlogemaker

l'orlogiaio

143

schoenmaker

il calzolaio

144

ophalen, afhalen

ritirare

145

fulltime

a tempo pieno

146

onregelmatig

saltuario/a

147

tijdelijk; onzeker

precario/a

148

tijdelijke arbeidsovereenkomst

il precariato

149

werktijd

l'orario lavorativo

150

de dienst

il turno

151

pendelaar

il / la pendolare

152

overwerk, overuur

lo straordinario

153

onderneming, bedrijf (2)

l'impresa/ l'azienda

154

iemand die belast is met

l'addetto/a

155

specialist, expert

l'addetto al lavoro

156

verboden toegang voor onbevoegden

Vietato l'accesso ai non addetti!

157

het loon

la paga

158

voorschot, aanbetaling

l'anticipo

159

collectieve arbeidsovereenkomst

il contratto normativo

160

het salaris

lo stipendio

161

verdienen

guadagnare

162

veeleisend, moeilijk

impegnativo

163

bezet, bezig

impegnato

164

het nalaten van een verplichting

il disimpegno

165

de tijdelijke baan

l'impiego precario

166

ambtenaar, medewerker (3)

l'impiegato/ il collaboratore / il dipendente

167

iemand in dienst nemen

assumere qu

168

ongewenste intimiteiten

la molestia sessuale

169

Mario is op staande voet ontslagen

Hanno licenziato Mario su due piedi

170

(massa)ontslag

il licenziamento (in massa)

171

werkloosheid

la disoccupazione

172

vervroegd pensioen

il prepensionamento

173

staking beginnen

entrare in sciopero

174

sociale premies

i contributi previdenziali

175

bijstandsrecht

il diritto all'assistenza

176

ligging, plaats

l'ubicazione

177

fabriek, werkplaats, bedrijfspand

lo stabilimento

178

de wint

il guadagno

179

het papier

la carta

180

medewerker

il collaboratore

181

gegeven

il dato

182

manager, leider

il dirigente

183

ontslaan

licenziare

184

noteren, markeren

segnare

185

stempel

il timbro

186

kaart

la cartolina

187

collaborateur

il collaborazionista

188

datum

la data

189

dirigent

il direttore d'orchestra

190

licentie geven

concedere una licenza

191

signeren, tekenen

firmare

192

postzegel

il francobollo