H18 Natuur, milieu en ecologie Flashcards Preview

thematische woordenschat > H18 Natuur, milieu en ecologie > Flashcards

Flashcards in H18 Natuur, milieu en ecologie Deck (286):
1

ruimte, kosmos (2)

lo spazio; il cosmo

2

nietig, leeg, vergeefs

vano/a

3

Melkweg

la Via Lattea

4

de (zons)ondergang

il tramonto (del sole)

5

de (zons)opgang

il sorgere (del sole)

6

bijval, meedoen

l'adesione

7

gewichtloosheid

la mancanza di gravità

8

beginnen, starten

avviare

9

ruimteschip

l'astronave

10

de raket

il razzo

11

wereldbol; wereldkaart

il mappamondo

12

windstreek

il punto cardinale

13

ergens aan (zee)

un luogo sul (mare)

14

naar de top van

in cima al

15

de (aard)schok

la scossa

16

de lawine; aardverschuiving (2)

la valagna; la frana

17

straat, zee-engte

lo stretto

18

aan het strand

in riva al mare

19

woelig, ruw

mosso/a

20

rots, klip

lo scoglio

21

verdwijnen

sparire

22

verwijning

la sparizione

23

overstromen (3)

tracimare; inondare ; sommergere

24

overstroming (2)

un'inondazione; una sommersione

25

doen zinken, doen verdrinken

sommergere

26

bovenkomen, tevoorschijn komen (2)

emergere, riemergere

27

de bron (2)

la fonte, la sorgente

28

poolkap

la calotta polare

29

de gletsjer

il ghiacciaio

30

Antarctica

l'antartide

31

klimaatverandering

il mutamento climatico

32

weerspiegelen, weergeven

rispecchiare

33

kortstondig, vluchtig

passeggero/a

34

zakken, dalen

calare

35

mild, zacht

mite

36

drukkende hitte, benauwde weer

l'afa

37

onweer, noodweer, onweersbui

il temporale

38

bliksemflits, weerlicht (2)

il fulmine; il lampo

39

nat, vochtig

bagnato/a

40

nat worden

bagnarsi

41

vochtig, klam

umido/a

42

schijnen, stralen (2)

brillare, splendere

43

de (avond)schemering

il crepuscolo

44

ijskoud, ijzig

gelido/a

45

uitglijden; slippen

scivolare

46

ontdooien

sgelare

47

de dooi

il disgelo

48

de sneeuwlok

il fiocco

49

hagel(bui)

la grandine

50

zuchtje wind

il soffio

51

het mengsel (2)

il miscuglio; la miscela

52

gasfles

la bombola del gas

53

glad

liscio/a

54

echt, zuiver, puur

genuino/a

55

gebrek, foutje, tekortkoming

il difetto

56

steen, kei (2)

la pietra; il sasso

57

het zand

la sabbia

58

de was

la cera

59

de mijn

la miniera

60

hulpbron, rijkdom

la risorsa

61

de teer

il catrame

62

zwavel

il zolfo

63

put; schacht

il pozzo

64

gasleiding

il gasdotto

65

de vonk

la scintilla

66

in brand steken

incendiare

67

ontploffen; uitbarsten; uitbreken

scoppiare

68

oliepijpleiding

l'oleodotto

69

kapotslaan; doen barsten; (open)breken

spaccare

70

de barst, kloof

la spaccatura

71

onbuigzaam, stijf, hard

rigido/a

72

roestvrij staal

l'acciaio inossidabile

73

het tin

lo stagno

74

legering

la lega

75

roest

la ruggine

76

verroesten

arrugginire

77

de schors

la corteccia

78

stam, stronk

il tronco

79

tak, twijg (2)

il ramo; la frasca

80

door, stekel

la spina

81

veld, weiland

il prato

82

vertrappen, plattrappen

calpestare

83

rietland, rietveld

il canneto

84

tarwe, graan (2)

il grano; il frumento

85

havervlokken

i fiocchi d'avena

86

haver

l'avena

87

gerst

l'orzo

88

rogge

la segale/segala

89

de schil

la buccia

90

kikkererwt

il cece

91

tuiboon

la fava

92

eekhoorntjesbrood

il fungo porcino

93

sponszwam

la spugnola

94

de anjer

il garofano

95

de lelie

il giglio

96

de sering

il lillà

97

de tulp

il tulipano

98

bos, boeket

il mazzo

99

verdorren, uitdrogen, (laten) drogen

seccare

100

het helemaal mis hebben

avere torto marcio

101

de spar

l'abete

102

de linde

il tiglio

103

esdoorn, ahorn

l'acero

104

beuk

il faggio

105

kurkeik

il sughero

106

wilg

il salice

107

wild, ongetemd (3)

salvatico/a; selvaggio/a; feroce

108

de reukzin

l'olfatto

109

schaapskudde

il gregge

110

de veren

le penne

111

de (dons)veer

la piuma

112

de staart

la coda

113

de snuit

il muso

114

poot, klauw

la zampa

115

klauw

l'artiglio

116

haar, vacht, pels (2)

il pelo/ la pelliccia

117

het hol

la tana

118

val; klem

la trappola

119

tem, getemd, mak (2)

addomesticato/a; docile

120

opvang, schuilplaats

il rifugio

121

de beet

il morso

122

fokken

allevare

123

de os

il bue

124

de stier

il toro

125

de gekkenkoeienziekte

la (malattia della) mucca pazza

126

hondsdolheid

la rabbia

127

mond-en-klauwzeer

l'afta epizootica

128

vogelgriep

l'influenza aviaria

129

de geit

la capra

130

Jij wilt altijd de geit en de kool sparen.

Tu vuoi sempre salvare capra e cavoli!

131

schaap

la pecora

132

varken, zwijn (2)

il maiale; il porco

133

Wat ben je toch een smeerlap!

Che porco che sei!

134

Je zit te eten als een zwijn!

Mangi come un porco!

135

Klote!

Porco!

136

Verdomme!

Porca miseria!

137

varkensschnitzel

la cotoletta di maiale

138

varkensfokkerij

l'allevamento di maiale

139

de haan

il gallo

140

de kip, hen

la gallina

141

de gans,

l'oca

142

de eend

l'anatra

143

de duif

il piccione

144

het paard, de merrie

il cavallo/ la cavalla

145

ezel (2)

l'asino; il somaro

146

de vechthond

il cane da combattimento

147

de zwerfhond

il cane randagio

148

de muilkorf

la museruola

149

de vlinder

la farfalla

150

de vlieg

la mosca

151

vliegje

il moscerino

152

de mug

la zanzara

153

de teek

la zecca

154

vlo

la pulce

155

twijfel zaaien bij iemand, iemands argwaan wekken

mettere una pulce nell'orecchio a qu

156

luis

il pidocchio

157

steek, beet

la puntura

158

bijenkorf

l'alveare

159

steken, bijten

pungere

160

de mier

la formica

161

krekel

il grillo

162

cicade

la cicala

163

de sprinkhaan

la cavalletta

164

spin

il ragno

165

worm, rups

il verme

166

schelp

la conchiglio

167

slak

la lumaca

168

wijngaardslak, huisjesslak

la chiocciola

169

zwaan

il cigno

170

de mus

il passero

171

de (kool)mees

la cincia

172

de vink

il fringuello

173

lijster

il tordo

174

spreeuw

lo storno

175

de uil

la civetta

176

ransuil

il gufo

177

zwaluw

la rondine

178

Eén zwaluw maakt nog geen zomer.

Una rondine non fa primavera

179

ekter

la gazza

180

buiten, in de open lucht

allo scoperto

181

de omheining, afrastering

il recinto

182

camoufleren

mimetizzare

183

de kooi

la gabbia

184

de aap

la scimmia

185

kameel

il cammello

186

ijsbeer

l'orso polare

187

het loeien, geloei; gehuil

l'urlo

188

de vos

la volpe

189

de lynx

la lince

190

konijn

il coniglio

191

de haas

la lepre

192

hamster

il criceto

193

egel

il riccio

194

vin

la pinna

195

de schub

la squama

196

de visgraat

la lisca

197

de pad

il rospo

198

reptiel

il rettile

199

van hier, uit eigen streek

nostrano/a

200

de adder

la vipera

201

walvisachtige

il cetaceo

202

zeehond, b

la foca

203

de redding

il salvataggio

204

milieuramp

il disastro ecologico

205

milieubescherming

la tutela ambientale

206

milieuactivist

l'ambientalista

207

regenwoud

la foresta pluviale

208

ontbossing

il disboscamento

209

herbebossing

il rimboschimento

210

vervuiling, verontreiniging (2)

l'inquinamento; la contaminazione

211

vergiftigen

avvelenare

212

de straling

la radiazione

213

schadelijk

novico/a

214

pakijs, drijfijs

la banchisa

215

smelten; oplossen

sciogliersi

216

ecologisch evenwicht

l'equilibrio ecologico

217

effect hebben, werken

fare effetto

218

broeikaseffect

l'effetto serra

219

de zure regen

la pioggia acida

220

nachtmerrie, boze droom

l'incubo

221

ondergang, verval

la rovina

222

vuilnis, afval, afvalstoffen (2)

i rifiuti; le immondizie

223

de stortplaats

la discarica

224

weggooien

buttar via

225

vuilnisbak

il bidone dell'immondizia

226

de stank

la puzza

227

de uitstoot

l'emissione

228

de slakl; het afval

la scoria

229

verwijderen, wegnemen

eliminare

230

het lek

la falla

231

stromen uit, ontsnappen

fuoriuscire

232

windenergie

l'energia eolica

233

geothermische energie

l'energia geotermica

234

zonne-energie

l'energia solare

235

zonne-installatie

l'impianto a energia solare

236

biologisch afbreekbaar

biodegradabile

237

verwerking

lo smaltimento

238

gescheiden afvalinzameling

la raccolta differenziata dei rifiuti

239

exploiteren, ontginnen; benutten

sfruttare

240

wijk, buurt (2)

il quartiere; il rione

241

wijkmarkt

il mercato rionale

242

binnenplaats, boerenerf

il cortile

243

het hek

il cancello

244

de laan

il viale

245

plaveisel, straatstenen

il lastrico

246

hoofdstraat

il corso

247

steegje

il vicolo

248

het grote plein, (voor)plein

il piazzale

249

kruising, kruispunt

l'incrocio

250

het stuk (weg)

il tratto

251

Alle wegen leiden naar Rome.

Tutte le strade portano a Roma.

252

halverwege

a metà strada

253

wegversperring

il posto di blocco

254

trottoir, stoep

il marciapiede

255

zebrapad, oversteekplaats

il passaggio pedonale

256

aan de weg, op (de) weg

sulla strada

257

in de straat

nella strada

258

kantoor van de havenmeester

la capitaneria di porto

259

scheepswerf

il cantiere navale

260

pier, steiger, kade

il molo

261

de kade

la calata

262

vuurtoren

il faro

263

voetgangerstunnel

il sottopassaggio pedonale

264

parkeerplaats

il parcheggio

265

bogen op, zich beroemen op

vantare

266

geschikt, gewenst

opportuno/a

267

speelveldje

il campo da gioco

268

waarschuwing, signaal

l'avvertimento

269

nat worden

bagnarsi

270

de warmte,, hitte

il caldo

271

bliksemflits, weerlicht

il lampo

272

peulvruchten

i legumi

273

de raket

il razzo

274

zeldzaam, uitzonderlijk

raro/a

275

het spul; de spullen, de dingen

la roba

276

de muis

il topo

277

de donder(slag)

il tuono

278

advertentie

l'annuncio

279

baden, een bad nemen

fare il bagno

280

de kou

il freddo

281

de lamp

la lampada

282

het ras

la razza

283

raar

strano/a

284

de jurk (2)

l'abito/ il vestito

285

de top (2)

la cima, la vetta

286

de toon, klank (2)

il tono, il suono