H13: De persoonlijkheid Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H13: De persoonlijkheid > Flashcards

Flashcards in H13: De persoonlijkheid Deck (163):
1

Persoonlijkheid

Is de verzameling van kenmerken die het gedrag, de gedachten en de gevoelens van een individu bepalen. Deze verzameling van kenmerken is stabiel in de tijd en in uiteenlopende situaties. Een deel van deze kenmerken is algemeen menselijk, een deel komt alleen voor bij bepaalde groepen en een deel is specifiek voor het individu. Iedereen heeft een unieke constellatie van kenmerken en heeft daarom een eigen persoonlijkheid

2

Persoonlijkheidspsychologie

De studie van de persoonlijkheidskenmerken

3

Wat merkte Singer & Kolligan terecht op?

Dat we ons kunnen afvragen waarom er niemand meer les geeft over cognitieve psychologie, sociale-,ontwikkelings- of abnormale psychologie door zich uitsluitend te baseren op de visies van een aantal beroemde figuren en waarom men dit in de persoonlijkheidspsychologie nog wel doet

4

Welke factoren komen er naar boven bij de redenering van Singer en Killigan?

- Ten eerste zijn algemene theorieën over de persoonlijkheid grote en uitgebreide theorieën die coherent mensenbeeld vervat zijn.
Dergelijke grootse ondernemeningen passen beter bij een filosofische benadering dan bij een natuurwetenschappelijke benadering waarin elke uitspraak empirisch getoetst moet worden.

- Ten 2e is tijdens de 20ste eeuw een verschuiving opgetreden van theorieën over wat mensen gemeenschappelijk hebben naar theorieën over mensen van elkaar verschillen. Deze overgang ging samen met het toenemende individualisme in de westerse samenleving

- Ten 3e is men nog altijd geïnteresseerd in de oorspronkelijke inzichten van de grondleggers omdat ze een grote invloed gehad hebben op de manier waarop men mentale stoornissen behandelden

5

Als je naar de verschillende visies van de persoonlijkheidstheorieën kijkt, op welke 4 fundamentele punten verschillen ze?

- Het 1e verschil dat de theorie vooral moet gaan over wat mensen met elkaar gemeenschappelijk hebben of over wat hen van elkaar onderscheidt.

- 2 twistpunt is de vraag in hoeverre huidige gedragingen, gedachten en gevoelens gestuurd worden door ervaringen in het verleden. Moet een therapie zich concentreren op het huidige functioneren of op zaken die zich lang geleden afgespeeld hebben?

- 3e vraag is in hoeverre gedragingen bepaald worden door stabiele kenmerken van de persoon die de gedragingen vertoont, of door de omstandigheden waarin de persoon zich bevindt. Moet een behandeling zich richten op het veranderen van de persoon of van de omstandigheden, of op beide (en indien ja hoe)?

- Een 4e vraag ten slotte betreft de mate waarin stabiele verschillen tussen personen, als die bestaan, het gevolg zijn van biologische factoren dan wel verworven werden op basis van een leerproces. Indien het eerste geval is, zal men geneigd zijn om persoonlijkheidsveranderingen door geneesmiddelen te bewerkstelligen; in het laatste geval zal men meer geloven in het leren van een betere aanpak.

6

Psychoanalyse

is zowel een persoonlijkheidstheorie als een vorm van psychotherapie

7

De persoonlijkheidstheorie van psychoanalyse

Dit betreft zowel de ontwikkeling van de normale als gestoorde persoonlijkheid.

8

Wat zijn de centrale begrippen in de psychoanalytische theorie?

Onbewuste conflicten en psychoseksuele ontwikkeling

9

Wie is de grondlegger van de psychoanalyse?

Sigmund Freud, als arts ontdekte hij dat achter veel klachten van patiënten emotionele conflicten schuilgingen

10

Wat was de grondgedachten van Freud?

Dat individuen zich meestal niet bewust zijn van de echte redenen van hun gedrag.

11

Tot welke 3 niveaus van mentale activiteiten kwam Freud?

- Het bewuste
- Het voorbewuste
- Het onbewuste

12

Bewuste

Datgene waar we opdat moment zelf aan denken

13

Voorbewuste

Bevat de kennis en de herinneringen waar we niet aan denken, maar wel gemakkelijk in het bewuste gehaald kunnen worden (behalve wanneer ze geblokkeerd worden door krachten uit het onbewuste)

14

Onbewuste

Is het deel van de geest dat niet zonder meer toegankelijk is voor de mens

15

Waar was Freud van overtuigd en waarom?

Hij was er van overtuigd dat de belangrijkste krachten van het psychische leven in het onbewuste schuilgaan. In het onbewuste zitten de verborgen seksuele en agressieve driften, die een biologische oorsprong hebben. Deze driften worden omgezet in psychische energie. Daarnaast bevat het onbewuste ook gedachten die zo angstaanjagend zijn dat ze uit het voorbewuste geweerd werden. Freud noemde die gedachten verdrongen ideeën. We hebben geen toegang tot het onbewuste, maar kunnen er zicht op krijgen door oog te hebben voor de waarneembare gevolgen.

16

Tussen welke 2 grote driften maakte Freud onderscheid?

- Eros:
De algemene levensdrift die ervoor zorgt dat we eten, drinken, liefhebben, vitaal zijn en prestaties leveren

- Thantos:
De doodsdrift, gericht op vernietiging of beschadiging. Deze drift ligt ten grondslag van agressie, zelfverwonding, verslaving en het opzoeken van levensgevaarlijke situaties

17

Wat is de oorsprong van het bewuste en het voorbewuste?

Omdat het erkennen van onze driften door onze opvoeders en de verdere omgeving niet op prijs gesteld wordt zullen er conflicten ontstaan tussen de onbewuste driften en de samenleving en ook binnen het individu.. Om deze conflicten op te lossen, zal een deel van het onbewuste zich losmaken en realiteitszin ontwikkelen.

18

Hoe maakte Freud onderscheid tussen de interacties van het bewuste en onbewuste?

Es;
volledig onbewust

Ich;
Zowel in het bewuste. voorbewuste en het onbewuste

Uber-Ich;
Idem aan Ich

of in het latijns
id
superergo
ego

19

Es

Het es is de instantie waar alles ontstaat. Volgens Freud is het Es aanwezig vanaf de geboorte en is het volledig onbewust. Impulsen uit het Es zijn gericht op onmiddellijke bevrediging. Het Es eist een onmiddellijke voldoening van zijn behoeften (voedsel,seksualiteit, etc)

20

Ich

Omdat het Es op zich niet kan overleven, want het heeft geen oog voor de beperkingen van de realiteit. Door de frustraties die het al vlug ondervindt, groeit uit het Es het Ich om te helpen aan de behoeften van Es te voldoen. Het Ich zorgt voor de waarneming, het redeneren, het leren en alle andere activiteiten die nodig zijn om op een doeltreffende manier met de realiteit om te gaan.

21

Uber-Ich

Omdat de ontwikkeling van het Ich het mogelijk maakt voor het Es te overleven, maar het niet genoeg is om in een sociale groep te functioneren (het Es is alleen gericht op bevrediging van de eigen behoefte zonder rekening met iets te houden, als het Ich zich alleen maar daar rekening mee zou houden dan zou de persoon een kille, berekende persoon worden die volledig gericht is op het eigen gewin.)

Om het tegen gaan van de sociale tekortkomingen, onstaat er tegelijk met het Ich het Uber-Ich. Het Uber-ich is het deel van de geest dat zich bezighoudt met het onderscheiden tussen "goed" en "fout". Het Uber-Ich bestaat uit 2 delen: Het Ich-ideaal en het geweten.

Het Ich-ideaal;
streeft naar perfectie en hanteert zeer hoge (soms onmogelijke) normen

Het geweten;
overlaadt om ons met schuld wanneer we we iets verkeerds gedaan hebben, of denken gedaan te hebben.

Terwijl het Es aandringt op vrije expressie van impulsen, treedt het het Uber-ich op als zedenmeester. Daardoor moet het Ich niet alleen onderhandelen tussen het Es en de realiteit, maar ook tussen het Es en het Uber-ich en tussen het Uber-ich en de realiteit.

Omdat het Uber-ich vroeg in het leven gevormd wordt aan de hand van de geboden en verboden van de ouders, zijn de normen ervan tamelijk primitief

22

Waarom zijn het Es, het Ich en het Uber-Ich voortdurend met elkaar in conflict?

Volgens Freud zijn het Es, het Ich en het Uber-Ich voortdurend met elkaar in conflict. Omdat het Es onmiddellijke voldoening eist, zijn conflicten met de buitenwereld onvermijdelijk. Bovendien verwerpt het Uber-Ich de eisen van het Es, zodat een continu gevecht plaatsvind in de psyche. Het Ich speelt hierbij de moeilijke rol van bemiddelaar

23

Wanneer wordt de persoonlijkheid van een individu gevormd?

Tijdens de eerste levensjaren. Hier maakt de individu een aantal psychoseksuele ontwikkelingfasen door.

24

Hoe ontstaan persoonlijkheidsstoornissen volgens Freud?

In elke fase van de ontwikkeling richt het kind zich speciaal op de lichaamszone die op dat moment de sterkste sensatie produceert. Indien het hierbij gefrustreerd raakt, dan zal de persoon een fixatie in die fase vertonen, een overdreven gerichtheid op het lichaamsgebied dat in fase aan bod komt en op de symbolische activiteiten die ermee gepaard gaan. Bij te ernstige frustratie kan zelfs een regressie naar de vorige fase voorkomen. Hieruit volgen dan persoonlijkheidsstoornissen

25

Wat zijn de eerste contacten van een individu met de buitenwereld?

De eerste contacten verlopen via de mond en dit is dan ook eerste erogene zone

26

Orale fase

Dit omvat de eerste 18 levensmaanden. Het is een passieve en naar buiten toe rustige periode waarin we ons niet hoeven in te spannen en gewoon kunnen genieten van de goede dingen die ons te beurt vallen. Als dit passieve genieten overdreven wordt, dan kan het leiden tot een orale persoonlijkheid, een persoon die afhankelijk is, conformistisch en goedgelovig. Eten speelt een belangrijke rol in het leven van die persoon. Anderen zijn gemakkelijk te verleiden tot orale activiteiten zoals roken, nagelbijten of overdreven praten, vooral wanneer ze in de war zijn

27

Anale fase

Tussen 1 en 2 jaar beginnen de ouders met de zindelijkheidstraining van hun kind. Zelfs als het kind een sterke neiging voelt om naar de wc te gaan, moet het dikwijls even wachten tot er een geschikte gelegenheid is om deze activiteit uit te voeren. In tegenstelling tot de passieve, aangename aspecten van de orale fase moet tijdens anale fase een actieve en soms pijnlijke controle over het lichaam uitgeoefend worden. Dit gaat gepaard met frustratie. Conflicten in deze periode kunnen leiden tot 2 types van anale persoonlijkheid.

1: Netheid en een strak tijdsschema centraal;
zij hechten een overdreven belang aan orde en netheid en hebben voor alles een vaste plaats.

2: Rebelleren tegen de ouders;
dan wordt het individu koppig en uitdagen.

Tijdens de anale fase ontwikkelt het kind voorts een sterke afhankelijkheid ten opzichte van moeder en wordt zeer angstig bij haar afwezigheid. Om deze angst te bedaren, internaliseert het kind de moeder als symbool van perfectie. Dit beeld word het Ich-ideaal

28

Fallische fase

Dit wordt rond de leeftijd van 4 bereikt. Freud geloofde dat het kind op die leeftijd masturbatie ontdekt en plezier beleeft aan het wrijven over de penis of de clitoris. Hier gaan de ontwikkelingstrajecten van jongens en meisjes uit elkaar.

29

Oedipuscomplex

Bij jongens wordt de primitieve seksuele drang op de moeder gericht. Zij zijn jaloers op hun vader en rivaliseren met hem voor de liefde van de moeder. Tegelijk vrezen ze dat de vader de seksuele verlangens en jaloezie zal ontdekken en hen zal straffen door hen te castreren. Dit resulteert in castratieangst.

Oedipuscomplex verwijst naar de Griekse tragedie over koning Oedipus, die zijn vader doodde en zijn moeder huwde.

Jongens zullen hun castratieangst overwinnen door hun wens om de moeder te bezitten op te geven en zich met hun vader te identificeren. Hieruit ontstaat het geweten, het verbiedende deel van het Uber-ich.

Wanneer een conflicht niet goed opgelost raakt, dan ontstaat een persoonlijkheid, een koude promiscue persoon die vrouwen (of mannen) alleen gebruikt ter bevrediging van lust

30

Elektracomplex

Omdat Freud toegaf dat de vrouwelijke ontwikkelingen een groter mysterie vormde voor hem maakt hij de volgende suggestie:

Het eerste seksuele object van meisjes is ook hun moeder. Op een bepaald moment ontdekken ze echter dat zij inferieur zijn aan mannen, omdat mannen een penis hebben en meisjes alleen maar een clitoris. Hieruit ontstaan penisnijd en vijandige gevoelens tegenover de moeder, omdat zij hun deze minderwaardige anatomie gegeven heeft. Omdat er geen castratieangst is, veronderstelde Freud dat het geweten bij de vrouw minder sterk ontwikkeld was dan bij de man. Om het conflict op te lossen, zullen meisjes hun verlangen naar de moeder verwerpen en eerst een liefde voor de vader ontwikkelen om zijn penis te "delen". Daarna zullen meisjes overtuigd geraken dat het krijgen van een kind een goed substituut is voor het hebben van een penis.

Elektracomplex verwijst naar een Griekse tragedie waarin een vrouw de dood van haar moeder beraamt.

Een meisje dat het Elektracomplex niet goed opgelost krijgt, zal ze zich als een man gedragen. Zij zal mannen uitdagen en met hen flirten, maar in feite is zij een castrerende vrouw die niet echt geïnteresseerd is in seks

31

Latentiefase

Bij een 6-jarige is volgens Freud de basis van de persoonlijkheid gelegd, afhankelijk van hoe het kind gereageerd heeft tijdens de 3 vorige fasen. Na het oplossen van het Oedipus of het Elektracomplex komt het kind in de latentiefase terecht, een periode van relatieve psychoseksuele rust. Tijdens deze periode verliezen de kinderen hun interesse voor seksualiteit en gaan ze volledig op in vriendschappen met kinderen van hetzelfde geslacht. Het kind heeft de neiging om het andere geslacht te vermijden, maar is wel geïnteresseerd in seksorganen en grapjes die met seks en het lichaam te maken heeft.

32

Genitale fase

Bij de puberteit is er een korte terugkeer van het Oedipus en het Elektracomplex. Hierdoor heeft de jonge adolescent initieel een voorkeur voor oudere personen van het andere geslacht. Deze bevlieging verdwijnt wanneer een geschikte seksuele partner gevonden wordt. Als alles goed gegaan is in de vorige fase, dan zal het individu nu de genitale fase betreden, die bestaat uit een verstrengeling van lust en affectie. Hierdoor is de persoon in staat om de rol van volwassene met verantwoordelijksgevoel op te nemen.

33

Wat is de enige manier om zicht te krijgen op persoonlijkheid te bepalen.

Om zicht te krijgen op deze processen is te kijken naar zichtbare symptomen van de onderliggende conflicten. Doordat het onbewuste op tijd en stond energie moet kwijtraken, zal deze energie zicht uiten in gedragingen, die de persoon zelf als vaak en onbetekenend ervaart, maar die door een therapeut geduid kunnen worden

34

Droomanalyse

Psychoanalytische veronderstelling dat de symbolen in een droom (de manifeste droominhoud) aanwijzingen geven over het onderbewuste van de dromer (de latente droominhoud)

35

Wat is een andere manier om zicht te krijgen op de onbewuste dynamiek?

De persoon te vragen om vrijuit te zeggen wat in geest opkomt, zonder zich zorgen te maken over de relevantie van de herinneringen. Als de persoon zich in een veilig situatie zit verzwakken de afweermechanismen, die normaal voor zorgen dat de angstopwekkende gedachten in het onbewuste opgesloten blijven.

Op die manier kan vrije associatie informatie opleveren over de driften in het onbewuste.

36

Waar zal het onbewuste zich vooral verraden?

In ambigue situaties. Situaties waar het juiste antwoord niet op voorhand vastligt en waar het antwoord van een persoon even sterk bepaald wordt door de eigen preoccupaties als door de inhoud van de stimulus.

37

Projectie

Het onbedoeld toeschrijven van eigen overtuigingen, waarden en andere subjectieve processen aan andere personen of voorwerpen

38

Projectieve tests

Zijn gestandaardiseerde technieken om dergelijke projecties te onderzoeken.

39

Wat zij de 2 bekendste projectieve tests?

- De inktvlekken van Rorschach
- the Thematic Apperception Test

40

Rorschachtest

Deze test bestaat uit complexe, symmetrische inktvlekken waarvan sommige zwart-wit zijn en andere gekleurd.
Het is de bedoeling dat de proefpersoon zegt war hij of zij ziet en ook het antwoord motiveert.
De score wordt opgemaakt op basis van de aard en de plaats van de benoemde elementen.

Exner introduceerde den gestandaardiseerde procedure om de Rorschach af nemen en te scoren, em zomer betrouwbaarheid verbeterfe

41

Thermatic Apperception Test (TAT)

Deze werd in de jaren 1930 ontwikkeld door H.A. Murray. In deze test wordt aan de proefpersoon gevraagd om verhaaltjes te vertellen bij een reeks van ambigue (dubbelzinnige) platen, die 1 voor 1 getoond worden (bijv van een jongen die naar een viool kijkt). Dit gebeurt aan de hand van 4 vragen die bij elke plaat gesteld worden.

1 Wat heeft aanleiding gegeven tot het tafereel dat hier afgebeeld staat?
2 Wat is er nu aan het gebeuren?
3 Hoe voelen de personages zich?
4 Hoe zal het aflopen?

Psychologen scoren de verhalen door thema's te zoeken die geïnterpreteerd kunnen worden als projecties van onbewuste behoeften of van andere preoccupaties (zo wordt de TAT bijvoorbeeld gebruikt bij onderzoek naar prestatiemotivatie

42

Zelfactualisatie

De neiging van een organisme om zichzelf in stand te houden, zich te actualiseren en te verbeteren, om te groeien naar een volledige realisatie van de aangeboren capaciteiten.

(Rogers)

43

Waar leidt zelfactualisatie naar toe?

Naar dat mensen gedifferentieerder, onafhankelijker en sociaal verantwoordelijker worden naarmate ze groeien.

44

Wat is een belangrijke stap binnen het differentiatieproces?

Het ontstaan van het zelf bij kinderen.

45

Zelfbeeld/zelfconcept
(Rogers)

Aanvankelijk maken baby's geen onderscheid tussen de gebeurtenissen in hun eigen lichaam en in de omgeving, maar gaandeweg splitst zich uit deze leefwereld een deel af dat zich differentieert tot "ik" en dat een persoon in staat stelt om over zichzelf na te denken en zich een idee te vormen van wie hij of zij is

46

Humanistische benadering

De veronderstelling dat mensen uit zichzelf steeds naar het goede streven. Dit betekende niet dat humanistische psychologen geen oog hadden voor het negatieve in de mens. Volgens Rogers waren dergelijke destructieve acties echter niet in overeenstemming met de menselijke natuur. Zij waren een gevolg van incongruentie tussen het ware zelf en het zelf dat geconstrueerd werd onder invloed van ongunstige condities

47

Fenomenlogische realiteit

De realiteit zoals die door de persoon ervaren wordt, en niet de fysische wereld die het gedrag van de mensen bepaalt.
De subjectyieve interpretatie van gebeurtenissen bepaalt iemands gedachten, gevoelens en gedragingen en een psychotherapeut moet deze fenomenologische realiteit leren te begrijpen om te kunnen helpen

48

Incongruente persoon

Congruent = overeenstemmend

Een persoon waarbij een kloof bestaat tussen het actuele zelf (hoe de persoon zichzelf ziet) en het ideale zelf (hoe de persoon zou willen zijn) . Als deze kloof te groot is, dan lijdt de persoon

49

Waarom gaat de fenomenologie in tegen Freuds visie op de persoonlijkheid als beheerst door impulsen vanuit het onbewuste

Volgens de fenomenlogie vormen de bewuste ervaringen - de perceptie, interpretaties en gevoelens van de persoon - de kern van de persoonlijkheid. Zowel de externe wereld als de interne toestand hebben slechts een onrechtstreekse invloed op ons, via onze subjectieve interpretaties. De subjectieve ervaring is niet gewoon maar 1 van de dimensies van het leven; volgens de fenomenologie is zij het leven zelf. Om iemands persoonlijkheid te begrijpen moeten we weten hoe de persoon denkt en voelt

50

Positieve aanvaarding

Betekent dat men warmte, liefde, sympathie, verzorging, respect en aanvaarding krijgt van mensen die belangrijk zijn in het leven

51

Waarderingsconditie

Regels over wat wel en wat niet gedaan kan worden om goedkeuring te verkrijgen. Door herhaalde ervaringen met deze waarderingscondities internaliseren kinderen ze, zodat ze een soort geweten worden, dat het gedrag van de kinderen bepaalt ook wanneer de ouders afwezig zijn

52

Zelfwaardering

Het verlangen om een positief beeld van zichzelf te hebben. Dit gaat samen met behoefte aan positieve aanvaarding.

53

Wanneer onstaat er incongruentie?

Als er een kloof bestaat tussen de geinternaliseerde waardigheidscondities (ideaal zelf) en de zelfwaardering (actueel zelf)

54

Wat kan er gebeuren bij te sterk geinternaliseerde waarderingsconditie?

Kan mensen psychologisch onderworpen maken, angstig, defensief, conformistisch en overdreven streng voor zichzelf. Zij voelen zich eerder gemanipuleerd dan vrij. In sterke gevallen kan het zelfs leiden tot vervormingen van de realiteit (een verwrongen fenomenologische realiteit)) op basis van principes die veel overeenkomst vertonen met Freuds afweermechanismen

55

Welke karakteristieken vertoont de volledig functionerende persoon?

1 - Zij staan open voor hun ervaringen. Zij zijn spontaan, vertonen geen defensieve houdingen, maar hebben een realistisch beeld van al hun ervaringen

2 - Hun actuele en ideale zelf zijn in overeenstemming met elkaar en zij zijn in staat om deze zelfconcepten aan te passen als nieuwe ervaringen geassimileerd moeten worden

3 - Zij percipiëren zichzelf als evaluatie-instantie voor hun ervaringen. Zij beoordelen hun ervaringen op basis van hun zelfactualisatie en niet vanuit incongruente, geinternaliseerde waarderingscondities

4 - Zij ervaren onvoorwaardelijke zelfwaardering

5 - Bij nieuwe ervaringen kunnen zij spontaan reageren vanuit hun congruente zelf en hoeven zij geen preoccupaties te hebben over wat men in zo'n situatie moet doen

6 - Zij leven in harmonie met andere omdat ze een wederzijdse onvoorwaardelijke positieve aanvaarding van andere hebben

56

Wat was de kijk van Rogers op mensen?

Rogers gaf duidelijk blijk van een overdreven optimistische en simplistische kijk op de mens. In het bijzonder onderschatte hij de biologische bijdrage tot de persoonlijkheid en dacht hij ten onterechte dat alle psychische problemen het gevolg waren van een incongruentie tussen de positief gerichte zelfactualisatie en waarderingscondities die men vanuit de opvoeding meekreeg

57

Waar maakte Markus en Kitayama onderscheid tussen?

Definition 57
Tussen een zelfstandige zelf;
Het zelfbeeld wordt in de eerste plaats afgeleid uit persoonlijke, interne kwaliteiten: de eigen vaardigheden, intelligentie, persoonlijkheidstrekken, doelen en voorkeuren


Onderling afhankelijk zelf;
Het zelfbeeld van een persoon wordt vooral afgeleid van hun verhouding tot de anderen in de groep en de mate waarin men aan de sociale verwachtingen beantwoordt

58

Wie was, naast Rogers, 1 van de eerste psychologen die wees op het belang van de manier waarop mensen de werkelijkheid percipiëren?

George Kelly (1955)`

59

Wat was de theorie van George Kelly?

Dat we onszelf bekijken volgens een dichotome (tweedelig) 'persoonlijke constructies'. We creëren op die manier voor onszelf een subjectieve wereld

60

Wat voor moeilijkheden onstaan er, in de theorie van George Kelly, als een persoon uitgaat van een verkeerde constructie?

Foute constructies geven aanleiding tot misverstanden en verkeerde verwachtingspatronen. Een therapie moet deze constructie bijstellen

61

Wie wees op het belang van de manier waarom mensen tegen situaties aankijken?

Julian Rotter (1954)

Volgens hem hing het gedrag van mensen niet enkel af van de objectieve relatie tussen hun gedragingen en de daar opvolgende bekrachtigingen, maar ook van de overtuigingen die mensen hadden over die relatie

62

Hoe noemde Rotter het verschil tussen interne en externe?

Locus of control.

Mensen met een interne locus of control geloven dat de beloning of de straf die ze zullen krijgen, afhankelijk is van hun gedrag en dus controleerbaar is. Mensen met een externe locus of control zien geen verband tussen hun eigen gedrag en de gevolgen die ze ervan ondervinden.

63

Van wie kwam de belangrijkste doorbrak voor de cognitieve benadering van de persoonlijkheid?

Van Albert Bandura

64

Wat is de sociaal cognitieve theorie van Bandura?

Volgens deze theorie bestaan er constante, wederzijdse interacties tussen:
a) de omgeving
b) de cognities en de eigenschappen van een persoon
c) de gedragingen van de persoon

De gedragingen van een persoon bepalen hoe de situatie geanalyseerd zal worden en welke gedragingen gekozen zullen worden. Het gedrag verandert op zijn beurt de omgeving en de cognities

65

Welk andere persoonseigenschappen, naast overtuigingen, zullen invloed hebben op de sociale interacties?

- Geslacht
- Sociale positie
- Lichamelijke aantrekkelijkheid van de persoon

Volgens Bandura zullen mensen uiteenlopende sociale reacties uitlokken op basis van hun gedrag, hun uiterlijk en sociale positie

66

Welke 3 redenen zijn er waarom de cognities van een persoon op verschillende manieren een effect op het gedrag en de omgeving hebben

Walter Mischel

- Invloed van de codeerstrategieen: Hoe zien we dingen?;
Mensen schenken niet alleen aandacht aan uiteenlopende aspecten in de omgeving, zij geven er ook een andere interpretatie aan

- Invloed van de verwachtingen: Wat denken we
dat er zal gebeuren?;
Een persoon percipieert niet alleen een situatie; op een bepaald moment moet hij/zij ook reageren. De belangrijkste variabel hierbij is wat de persoon verwacht van de situatie. Deze verwachtingen kunnen verband houden met het gedrag, de situatie en met de zelfeffectiviteit

- Invloed van subjectieve waarden: Wat is de moeite waar om na te streven?;
De vraag of een persoon bepaalde handelingen zal vertonen, hangt niet alleen af van de perceptie van de situatie en de verwachtingen over de eigen effectiviteit, maar ook van de subjectieve waarden die de persoon nastreeft.

67

Hoe komen veel cognities tot stand?

Op basis van klassieke conditionering, operante conditionering en in het bijzonder observerend leren

Volgens Bandura zullen veel mensen in de eerste plaats leren door te observeren, zonder hierbij zelf gevolgen te ondervinden.

68

Waaruit zal therapie in 1e instantie uit bestaan?

Het veranderen van ziekmakende cognities

69

Waarom is het cognitieve paradigma, samen met de trekbenadering, toonaangevend geworden in de psychologie?

Gedeeltelijk omdat deze visie aansluit bij het vele onderzoek dat plaatsvindt over allerhande cognitieve functies. Merk alleen op dat de cognitieve benadering in haar puurste vorm dezelfde boodschap brengt als de oorspronkelijke behavioristische visie:
In essentie bestaan er geen consistente persoonlijkheidsverschillen; mensen onderscheiden zich van elkaar door hun individuele leergeschiedenis die in hun gedragingen, cognities en emoties tot uiting komt. Deze visie is uiteindelijk te eenzijdig gebleken/ Er bestaan consistente persoonlijkheidsverschillen, die niet louter ten gevolge van individugebonden leerverschillen tot stand komen

70

Wat is de 2e tak binnen de persoonlijkheidspsychologie?

Een tak die zich richt op de vraag of er consistente verschillen bestaan tussen persoonlijkheden.

Binnen dit onderzoek gaat men ervan uit dat mensen beschreven kunnen worden aan de hand ven een beperkt aantal dimensies/. De belangrijkste benadering is de trekbenadering.

71

Wat is een theorie over persoonlijkheidstypes?

De theorie over persoonlijkheidstypes gaat uit van de gedachte dat mensen in een aantal categorieën onderverdeeld kunnen worden volgens een alles-of-niets principe, afhankelijk van de vraag of ze bepaalde kenmerken wel of niet bezitten. Iemand met de definiërende kenmerken valt binnen de categorie, iemand die 1 of meerdere kenmerken ontbeert, valt buiten de categorie want categorieën sluiten elkaar uit. Iedereen binnen een categorie wordt als gelijk gezien. Gewoonlijk wordt slechts een beperkt aantal categorieën onderscheiden, die samen een typologie vormen

72

Waarom hebben theorieën over persoonlijkheidstypes een sterke intuïtieve aantrekkingskracht?

Omdat de grondgedachte ervan overeenstemt met ons dagelijks taalgebruik

73

Wat is 1 van de oudste typologien?

De typologie van Hippocrates en Galenus, artsen uit het oude Griekenland. Volgens hen konden mensen onderverdeeld worden in 4 temperamenten, afhankelijk van de verhouding tussen 4 lichaamsvochten (humores)

- Sanguinisch temperament;
iemand met veel warm bloed en was snel opgewekt.

- Cholerische temperament;
Iemand met een overvloed aan gele gal (choler) en was snel woedend

- Melancholiek;
Iemand met een overvloed aan zwarte gal (melancholer) en was snel gedeprimeerd.

- flegmatiek temperament;
Iemand met te veel slijm (flegma) en werd gekenmerkt door een koele, afstandelijke en weinig emotionele houding

74

Wie zijn Ernst Kretschmer en William Sheldon?

Onderzoekers die in de eerste helft van de 20ste eeuw beargumenteerde dat de lichaamsbouw bepalend was voor de temperament van een persoon

75

In welke 3 types, van lichaamsbouw, werden mensen ingedeeld in de typologie van Kretschmer

- Pyknisch;
kort en dik

-atletisch;
gespierd

-asthenisch;
tenger met een lang gezicht en meestal lang; soms ook leptosoom genoemd

76

Waar is de typering van Kretschmer van afgeleid?

Van een groep mensen met schizofrenie en een groep patiënten met manische-depressieve stoornis (een stoornis waarbij men perioden van gedeprimeerdheid afwisselt met perioden van sterk verhoogde activiteit

77

Pyknisch persoon

Wordt gekarakteriseerd als vriendelijk, opgewekt, humoristisch, sociaal, iemand met wie je gemakkelijk vriend wordt. Dit type komt voornamelijk voor voor bij manisch-depressieve patienten

78

Asthenische persoon

Dit was iemand die op onze weg staat als een vraagteken, soms bijtend sarcastisch en soms verlegen, teruggetrokken, sensitief, nerveus en verliefd op boeken en natuurstudies. Deze groep was vooral vertegenwoordigd bij de schizofreniepatiënten

79

Atletische type

Dit type kwam ook vaker voor bij de groep met schizofrenie, maar kreeg minder aandacht van Kretschmer, wellich omdat hij deze groep als de gezondste beschouwde.

80

Wat vond Kretschmer toen hij typologie toepaste op misdadigers?

Toen hij typologie toepaste op misdadigers, vond hij wel meer gewelddadigheid onder de atletische groep.

Asthenische personen pleegden vaker kleine diefstallen en fraude

Pyknische personen waren meer betrokken bij oplichterij

81

Waarom kwam Sheldon op het idee om mensen onder te verdelen in types die elkaar uitsluiten, en dat het beter was om iedereen te beoordelen op dezelfde reeks van eigenschappen (dat ook een kern uitmaakt van de trekbeweging)?

Omdat er met Kretschmers methode te veel grensgevallen opleverde, die Kretschmer, bij gelegenheid, dysplastisch noemde

82

Tussen wie maakte Sheldon een onderscheid?

- Endomorfie;
Rondheid, weefsel voortkomend ut het endoderm of de ingewanden

- Mesamorfie;
Gespierdheid, weefsel voortkomend uit het mesoderm of de spieren

- Ectomorfie;
Knokigheid, weefsel, voortkomend uit het ectoderm of de botten

83

Wat is de alternatieve verklaring voor het verband waar Sheldon en Kretschmer van overtuigd waren (dat er een verband is dat tussen de lichaamsbouw en persoonlijkheid biologisch bepaald zijn)

De alternatieve verklaring gaat uit van de vaststelling dat mensen een impliciete persoonlijkheidstheorie hebben, een geheel van veronderstellingen over persoonlijkheden, die gebruikt wordt om andere te classificeren en te bepalen hoe men met hen zal omgaan

84

Impliciete persoonlijkheidstheorie

Baseert zich vooral op het uiterlijk van een persoon

85

Wat is een belangrijke factor bij de aantrekkelijkheid?

De lichaamsbouw

86

Wie is Carl Jung

1 van de eerste bewonderaars en collega's van Freud, maar ontwikkelde later zijn eigen versie van de psychoanalyse. In 1 van zijn geschriften ontwikkelde hij een typologie die volgens sommige bestond uit 8 types en volgens andere uit 16. Jung had een duistere schrijfstijl.

87

Hoe kwam, volgens Hergenhahn&Olson, Jung tot 8 persoonlijkheidtypes?

Door een combinatie van 2 oriëntaties van de psyche en 4 manieren waarop een persoon informatie verwerkt.

88

Wat zijn de persoonlijheidstypes van Jung volgens Hergenhahn&Olson?

Het eerste component betreft, kan de geest volgens Jung naar binnen of naar buiten gericht zijn. Wanneer de geest op zichzelf gericht is, dan is er sprake van introversie; wanneer de geest naar de buitenwereld gericht is, dan hebben we te maken met extraversie.

De 4 informatieverwerkingsmanieren:

- Gewaarworden;
Detecteert de aanwezigheid van een voorwerp, maar geeft niet aan wat het is.

- Denken;
Geeft een naam aan het voorwerp dat waargenomen is

Intuïtief aanvoelen;
Geeft een vaag gevoel wanneer iets niet feitelijk bekend is

Voelen;
Bepaalt op basis van een goed of een slecht gevel of een voorwerp waardevol is voor de persoon

89

Meyers-Briggs Type Indicator(MBTI)

1 van de eerste persoonlijkheidstest. Deze test werd ontworpen door Isabel Myers-Briggs en haar moeder, Katherine Cook Briggs. Volgens hen maakte Jung een onderscheid tussen 16 persoonlijkheidstypes op basis van 4 dichtotomieen

90

Wat zijn volgens Myers&Briggs de 4 dichotomieen mbt Jungs typologie?

- Extravert vs Introvert
- Denken vs voelen
- Intuïtie vs waarnemen
Oordelen vs percipiëren

91

Waar verwijst de dichotomie, oordelen vs percipieren naar?

Dit verwijst naar de vraag of een persoon zijn/haar leven bij voorkeur inricht volgens planning en structuur dan wel op een flexibele manier waarbij de dingen tot op het laatste moment opgehouden worden

92

Hoe betrouwbaar en valide is het MBTI?

als proefpersonen met een tussentijd van 5 weken hertest werd kreeg zo'n 50% een andere code (Pittenger)
Volgens deze theorie zou het dus betekenen dat bijna de helft van de personen elke maand van persoonlijkheidstype verandert

93

Hoe verschillen mensen

Mensen verschillen niet in de erste plaats van elkaar op kwalitatieve manier (een volledig andere persoonlijkheid met uitlopende kenmerken), maar op een kwantitatieve manier (iedereen wordt beschreven door dezelfde groep van kenmerken, maar persoon 1 heeft meer wat meer van het ene kenmerk en wat minder van het andere kenmerk dan persoon 2.
Deze persoonsbeschrijving wordt gehanteerd binnen de trekbenadering

94

Persoonlijkheidstrek

Is een hypothetische, stabiele eigenschap die het gedrag, de gedachten en de gevoelens van een persoon in uiteenlopende situaties beïnvloedt. Volgens de trekbenadering kunnen persoonlijkheidsverschillen beschreven worden op basis van een beperkt aantal trekken. In de meeste theorieën bestaat een trek uit een continuüm tussen 2 tegenovergestelde eigenschappen (bijv somber-opgewekt). De positie van een persoon op een trek wordt vastgelegd aan de hand van een persoonlijkheidstest

95

Wat is het standpunt van Allport

Dat psychologisch onderzoek praktisch moet zijn en dit kenmerkte ook zijn benadering van persoonlijkheidsverschillen. Ipv te vertrekken vanuit een persoonlijkheidstheorie, baseerde hij zich op de woorden die mensen gebruiken om elkaar te beschrijven

96

Centrale trekken

Basistrekken die volstaan om de persoonlijkheid van mensen adequaat weer te geven

97

Factor analyse

Een techniek die het mogelijk maakt om de structuur wiskundig af te leiden als men proefpersonen zichzelf (of vrienden) laat beschrijven aan de hand van cijfers

98

Hoeveel trekken volstaan om een persooliijkheid adequaat te beschrijven?

Op basis van analyse kwam Cattell tot16 centrale biplolaire trekken

99

Bipolaire trekken

Zijn trekken die aangeduid worden met tegengestelde adjectieven (kenmerkend word bij een zelfstandig naamwoord) aan de uiteinden

100

Sixteen Personality Factor Questionnaire (16PF)

Het ontwerp van Cattell om de 16 dimensies te meten

101

Hoe verschilde de basisfilosofie van H.J. Eysenck met die van Cattell

Waar Cattell probeerde een persoon zo volledig mogelijk te beschrijven, was Eysenck meer geïnteresseerd in het kleinste aantal trekken dat nodig was om de menselijke verschillen in kaart te brengen. Hij zocht naar de onderliggende biologische oorzaken van de verschillen en veronderstelde dat de biologie niet zou kunnen verklaren waarom de psychologie van mensen op 16 trekken van elkaar verschilde (Cattell was enkel geïnteresseerd in het beschrijven van persoonlijkheden, niet in het verklaren waarom iemand bijvoorbeeld sociabel, intelligent, vrolijk, achterdochtig en groepsgericht was). Volgens Eysenck overschatte Cattell het aantal trekken dat nodig was, want de 16 trekken van Cattell waren niet onafhankelijk van elkaar: Iemand die sociabel is, is ook meer groepsgericht en iemand die gewetensvol is vertoont meer zelfdiscipline dan iemand die onbetrouwbaar is

102

Hoe dacht Eysenck aanvankelijk dat hij alle verschillen tussen mensen kon verklaren?

Op basis van 2 trekken:

- Extraversie vs introversie
- Neuroticisme vs Emotionele stabiliteit

103

Extravert persoon

Sociabel, zoekt gezelschap, hunkert naar opwinding en heeft de neiging om impulsief en onbetrouwbaar te zijn

104

Introvert

Een persoon die gereserveerd is, voorzichtig en zelfbeheerst is.

105

Neurotisch persoon

Is humeurig, angstig en rusteloos

106

Stabiel persoon

Kalm, gelijkmoedig en zorgeloos

107

Psychoticisme

Zonder duidelijk omschreven tegenpool

108

Hoe werd psychoticisme gedefinieerd in een persoonlijkheidstrek?

Mensen die op het psychotische einde van het 3e continuüm scoorden, waren agressief, koud en egocentrisch; mensen an het andere einde waren empathisch en minder brutaal.

109

Eysenck Personality Questionaire EPQ

Deze vragenlijst bestaat uit 100 vragen, te beantwoorden met ja of nee.

110

Wat hebben onderzoekers opgemerkt met Eysenck's EPQ?

Dat de dimensie introversie-extraversie van Eysenck in feite 2 componenten bevat. Enerzijds is er het impulsieve aspect; anderzijds het sociale aspect. Een uitgezuiverde impulsiviteits score is een betere voorspellen van risicogedrag dan een gecombineerde extraversiescore, maar volgens Eysenck is een opsplitsing tussen impulsiviteit en gerichtheid naar anderen niet wenselijk omdat er een positieve correlatie tussen deze 2 scores bestaat en ze dus beide teruggaan op een gezamenlijke onderlinge trek

111

Grote 5 (Big 5)

er waren geen 16 of 3 trekken maar 5 en ze bestaan uit de volgende trekken:

- extraversie
- altruïsme
- conscientieusheid
- emotionele stabiliteit
- openheid voor ervaringen

112

Hoe komt het dat mensen spontaan de neiging hebben om deze 5 dimensies te gebruiken als zij anderen beschrijven?

Volgens Goldberg komt dit doordat de 5 de kritische vragen representeren die mensen over elkaar stellen: 'zal deze persoon mij domineren?' (extraversie), 'al ik deze persoon graag mogen?' (altruisme), 'kan ik het werk van deze persoon vertrouwen?' (consientieusheid), 'is deze persoon gek?' (neuroticisme) en 'is deze persoon bijdehand?' (openheid voor ervaringen)

113

Wat zijn de 2 meerst gebruikte vragenlijsten in het Nederlands taalgebied om de big 5 te meten?

- NEO-PI-R (Hoekstra et.al.)
- Five-Factor Personality Iventory (FFPI, Hendriks et al)

114

Wat zijn de 3 manieren om persoonlijkheidsverschillen binnen het gezonde bereikt te meten?

- Pen-en-papier test. Aan proefpersonen wordt gevraagd om een vragenlijst of een beoordelingsschaal in te vullen

- Objectieve tests. Hierbij moet een proefpersoon een taak uitvoeren waarvan men vermoedt dat verschillende persoonlijkheden er anders op reageren.

-Combinatie van de 2 voorgaande technieken: Men biedt persoonlijkheidsrelevante informatie op een impliciete manier aan en kijkt naar de effecten op de prestaties van een individu

115

Wat zijn pen-papier tests?

Dit zijn vragenlijsten en beoordelingsschalen.
Bij een vragenlijst krijgt de testnemer een reeks ja/nee vragen (zoals bij de EPQ) of meerkeuzevragen.
Bij een beoordelingsschaal moeten de onderzochte personen aangeven in hoeverre verschillende uitspraken op hun van toepassing zijn.

116

Wat zijn de voordelen van pen-papier tests?

Dat ze gemakkelijk af te nemen zijn, over het algemeen een goede test-hertest betrouwbaarheid hebben (behalve het MBTI) en dikwijls genormeerd zijn,zodat men de positie van een individu kan vergelijken met die van leeftijdsgenoten

117

Wat is de achillespees van vragenlijsten en beoordelingsschalen?

Dat hun bedoeling tamelijk duidelijk is voor de gesteste persoon en men dus gemakkelijk de antwoorden kan "aanpassen' afhankelijk van de indruk die men wil maken. Dit is vooral een probleem omdat bij een persoonlijkheidstest geen juiste of foute antwoorden bestaan, zoals bij een IQ test

118

Wat brengt de validiteit van persoonlijkheidstest in gedrang?

Als de persoon niet bereid is om eerlijk de vragen te beantwoorden. Dit kan gebeuren omdat de persoon antwoord naar het sociale wenselijke

119

Hoe proberen psychologen het probleem van sociaal wenselijkheid te ondervangen?

- Leugenschaal;
dit is een schaal met items waarop eerlijke mensen toegeven dat ze ook wel iets negatiefs doen of negatieve eigenschappen hebben. Veel persoonlijkheidsvragenlijsten hebben dit.
Door een aatnal dergelijke vragen in de lijst op te nemen, is het mogelijk om een idee te krijgen van de mate waarin de antwoorden van een persoon bepaald worden door sociale wenselijkheid.

120

Wat is het probleem van sociale wenselijkheid?

Dit is voor een probleem bij praktische toepassingen van persoonlijkheidstests wanneer de uitslagen van de test gevolgen hebben voor de persoon die de test aflegt. Bij fundamenteel onderzoek (zoals bij het aantal trekken dat een persoon het best beschrijft) is dit probleem minder groot. Wat men hier nog wel vaststelt is dat de antwoorden op de vragen beïnvloed worden door de manier waarop men de vraag formuleert en dat mensen vragenlijsten gedeeltelijk beantwoorden vanuit hun impliciete persoonlijkheidstheorie

121

Wat is een ander fenomeen dat men vaststelt bij vragenlijsten?

Dat de antwoorden voor een deel beinvloed worden door de impliciete persoonlijkheidstheorie die een persoon heeft.
De antwoorden van een persoon op een vragenlijst worden niet alleen bepaald door het werkelijke gedrag van mensen, maar ook door de overtuigingen die de gesteste persoon heeft over welke persooneigenschappen met elkaar samengaan. Dit is vooral zo bij wanneer men gevraagd wordt om de persoonlijkheid van anderen te beoordelen, maar ook wanneer men zo eerlijk mogelijk probeert om een vragenlijst over zichzelf in te vullen. Mensen hebben immers beperkt toegang tot hun eigen persoonlijkheidskenmerken en moeten het antwoord op een vraag uit een persoonlijkheidsvragenlijst dikwijls afleiden door hun eigen gedrag te observeren, door zich te baseren op reacties van andere of voort te gaan op hun impliciete persoonlijkheidstheorie.

De invloed van de impliciete persoonlijkheidstheorie op de antwoorden in een vragenlijst verklaart ook ten dele waarom de correlatie tussen zelfbeoordelingen en beoordelingen van andere niet perfect is

122

Wat is de 2 manier om persoonlijkheidsverschillen te meten?

Met objectieve tests.

Hierbij moeten proefpersonen een taak uitvoeren waarvan verwacht wordt dat individuen met een uiteenlopende persoonlijkheid er anders op zullen reageren.

123

Wie was een groot voorstander van het gebruik van objectieve tests ter aanvulling van pen-papier tests?

Raymond Cattell. Hij definieerde een objectieve persoonlijkheidstest als elke taak die variatie in de prestaties uitlokt (zodat verschillen tussen mensen vastgesteld kunnen worden, waarvoor een objectieve score te berekenen valt en waarvan de score significant correleert met een persoonlijkheidsgerelateerde criterium

124

Impliciete persoonlijkheidstest

Een impliciete persoonlijkheidstest meet automatische, niet-bewuste cognities van proefpersonen. Daardoor probeert men te voorkomen dat mensen zich beter of anders voordoen dan dat ze in werkelijkheid zijn. De proefpersonen moet een taak uitvoeren die op het eerste gezicht geen verband houdt met persoonlijkheidsbeoordeling, maar waarvan geweten is dat de reactiesnelheid afhangt van de mate waarin een stimulus bij een persoon past. Door de reactiesnelheid voor verschillende soorten stimuli te meten kan men een persoonlijkheidsprofiel opstellen

125

Wat is de meest gebruikte impliciete persoonlijkheidstest?

Implicite associatietest (IAT)

126

Wat is de hypothese van Eysenck tussen introverten en extraverten?

Volgens hem werden introverten gekenmerkt door een hoger opwindingsniveau bij rusttoestand dan extraverten. Wegens dit hogere niveau zoeken zij minder opwindende activiteit dan extraverten, bij wie het opwindingsniveau bij rusttoestand beneden het gewenste opwindingspeil ligt. Extraverten mensen zijn constant op zoek naar stimulatie vanuit de omgeving, terwijl introverten bijkomende activering eerder schuwen omdat dit bij hen een te hoog arousalniveau veroorzaakt

127

Wat is een manier om de biologische basis van persoonlijkheidstrekken te onderzoeken?

Door te kijken in welke maten trekken overgeërfd worden

128

Hoeveel % van de interindividuele verschillen op de Grote 5 kan toegeschreven worden aan genetische factoren?

40-50% (Bouchard)

129

Welk resultaat is verkregen bij een grootschalige corr-sectionele internetstudie mbt persoonlijkheidsontwikkeling tijdens het leven? (Srivastava)

Uit deze studie bleek dat naarmate mensen ouder worden, de eigenschappen conscientieusheid en vriendelijkheid toenemen en neuroticisme afneemt (vooral bij vrouwen). Openheid voor ervaringen neemt af terwijl er geen eenduidig effect is voor extraversie

130

Welk visie verdedigen McCrea et al?

Dat als we ervan uitgaan dat trekken in sterke mate biologisch bepaald worden, dan moeten we aannemen dat er een genetische predispositie bestaat om op bepaalde manieren te evolueren qua persoonlijkheid (net als sommige lichamelijke ontwikkelingen voorgeprogrammeerd zijn en pas op een bepaalde leeftijd tot uiting komen, bijv tijdens de pubertijd). Verder voorspelt deze visie dat de verschillen tussen personen stabiel zullen blijven en dat er geen culturele verschillen in de ontwikkelingen zullen zijn, want iedereen ondergaat ongeveer dezelfde veranderingen.

131

Welke positie neemt Robert et al op mbt persoonlijnheidstrekken?

Volgens hen heeft de toename in conscientieusheid. vriendelijkheid en emotionele stabiliteit in de volwassenheid te maken met het feit dat mensen in die periode sociaal investeren door een eigen carrière uit te bouwen en een gezin te stichten. Door deze sociale investering nemen personen sociale posities in die hen er toe aan zetten om consciëntieuzer, vriendelijker en emotioneel stabieler te gedragen. Bovendien heeft men minder tijd en energie voor openheid voor ervaringen, waardoor deze component afneemt

132

Wat stelt de trekbenadering?

Die stelt dat mensen van elkaar verschillen op 5 centrale trekken, die hoofdzakelijk overgeërfd worden en weinig onder invloed staat van het gedeelde gezinsmilieu.

133

Welke andere benadering bestaat er nog mee?

De sociaal-cognitieve theorie. Volgens deze benadering worden de verschillen tussen personen vooral bepaald door verschillen in hun leergeschiedenis, die tot uiting komen in hung cognitieve, emotionele en gedragsmatige reacties op stimuli

134

Als-dan-relaties

Volgens deze benadering worden de verschillen tussen personen vooral bepaald door verschillen in hun leergeschiedenis, die tot uiting komen in hun cognitieve, emotionele en gedragsmatige reacties op stimuli.

'als ik die persoon ontmoet, dan.....'

135

Hoe komt het onderscheid tussen de trekbenadering en de sociaal-cognitieve benadering tot uiting?

Dit komt vooral tot uiting als mensen in een volledig andere situaties terechtkomen, zoals studenten die op kamers gaan wonen

Volgens de sociaal-cognitieve theorie zullen deze studenten de vrijheid hebben om nieuwe omgangsvormen te ontwikkelen, omdat zij nieuwe situaties meemaken, die nog niet met een specifieke manier reageren verbonden zijn. Zodra deze studenten weer thuis zijn bij hun ouders en andere familieleden, zullen zij op hun oude, aangeleerde interactiepatronen terugvallen, waardoor het mogelijk is dat studenten op 2 verschillende manieren functioneren thuis en in de stad waar ze studeren. De enige continuïteit die er is, bestaat uit cognities die studenten met zich meebrengt naar het studentenleven

Volgens de trekbenadering zal een student thuis en op kamers min of meer gelijk functioneren mbt extraversie, altruïsme, conscienctieusheid, neuroticisme en openheid voor ervaring. Deze trekken zijn immers aangeboren en redelijk stabiel.

136

Welk benadering is de juiste? (sociaal-cognitieve theorie of trekbenadering)

Uit onderzoek blijkt dat beide benaderingen een gedeelte van de waarheid bevatten. De gedragingen van mensen worden voor een deel bepaald door aangeboren persoonlijkheidsverschillen (trekken) en voor een deel door persoonsgebonden en situatiegebonden als-dan relaties

137

Waarom is de vraag "hoe goed voorspellen persoonlijkheidstrekken gedrag?" legitiem?

Omdat dit gaat over het relatieve belang van de persoonlijkheidstrekken en de als-dan-relaties in situaties waarin kennis van persoonlijkheidsverschillen consequenties heeft

138

Waarom is de correlatie tussen persoonlijkheidstrekken en het gedrag dat men wil voorspellen zelden hoger dan 0,30 (volgens Walter Mischel)

Volgens hem komt dit doordat het gedrag meer onder invloed staat van persoongebonden en situatiegebonden als-dan reacties dan van algemene persoonlijkheidstrekken

Deze uitspraak is nooit weerlegd.

139

Waarom is het volgens aanhangers van de sociaal-cognitieve benadering een correlatie van 0,30 tussen trekken en gedrag het hoogste wat men kan bereiken? (Cervone, Mischel)

Omdat dit de daadwerkelijke invloed van trekken op prestaties weergeeft. Als men de voorspelling van gedragingen verder wil verbeteren moet men kijken naar de als-dan-relaties van een persoon

140

Hoe kun je het belang van de interactie tussen persoonlijkheidstrekken en situaties illustreren?

Aan de hand van onderzoek over vriendelijkheid. Volgens deze theorie van de Grote 5 verschillen mensen in hoe hartelijk, vriendelijk, onzelfzuchtig, meewerkend en soepel zij zijn tegenover anderen (of hoe koel, onvriendelijk, zelfzuchtig, tegenwerkend en star ze zijn).

Vonk wees er echter op dat niet iedereen op dezelfde manier reageert op alle personen. sommige mensen maken bijv. een onderscheid tussen de personen die zeggenschap over hen hebben, en personen die geen zeggenschap over hen hebben of over zij zij zelf macht hebben

141

Waarom is onderzoek naar de als-dan-relaties per definitie ingewikkelder dan het onderzoek naar persoonlijkheidstrekken?

Omdat men kijkt naar interacties tussen variabelen. Dit maakt dat de trekpsychologie wegens haar eenvoud in eerste instantie aantrekkelijker is

142

Wanneer is onderzoek over de als-dan-relaties belangrijk binnen de psychotherapie?

Als men inzicht wil krijgen in de leeftwereld van de cliënt die men voor zicht heeft

143

Persoonlijkheidsstoornis

Verwijst naar een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die binnen de cultuur van de betrokkene afwijken van verwachtingen en daardoor interfereren met het functioneren van die persoon; dit patroon is al aanwezig vanaf een vroege leeftijd (uiterlijk adolescentie of de vroege volwassenheid).
Persoonlijkheidsstoornissen zijn geen mentale stoornissen maar rigide, langdurige en disfunctionele levenswijzen die de impact van een mentale stoornis verzwaren en meestal blijven bestaan na een succesvolle behandeling van de mentale stoornis.

144

Waarom is er geen grote overlapping tussen de theorieën over persoonlijkheidsverschillen en de theorieën over persoonlijkheidsstoornissen, ook al zou je dit logischerwijs verwachten?

Omdat de 2 onderzoeksgebieden een verschillende onstaangeschiedenis hebben. Terwijl het onderzoek over de persoonlijkheidsverschillen plaatsvond vanuit het psychologische onderzoek, zijn de ideeën over de persoonlijkheidsstoornissen tot stand gekomen binnen de psychiatrie

145

Welke 2 belangrijke benaderingen worden en gebruikt om een persoonlijkheidsstoornis te diagnosticeren?

- Een gestructueerde interview op basis van DSM-IV

- Afname van vragenlijst

146

Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders
(DSM)

Gepubliceerd door de American Psychiatric Association.
Een handboek met alle belangrijke geachte mentale stoornissen en hun symptomen

147

Hoe is het DSM opgebouwd bij persoonlijkheidsstoornissen??

In de DSM-IV worden 10 persoonlijkheidsstoornissen beschreven, die gegroepeerd zijn in 3 clusters, aangevuld met een restcategorie van niet classificeerbare persoonlijkheidsstoornissen.
Voor elk stoornis worden de definiërende symptomen beschreven

148

Beschrijving van narcistische persoonlijkheidsstoornis volgens DSM-IV

Een diepgaand patroon van grootheidsgevoelens (in fantasie of gedrag), behoefte aan bewondering en gebrek aan empathie, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties zoals 5 (of meer) van de volgende:

1: Heeft een opgeblazen gevoel van eigen belangrijkheid

2: Is gepreoccupeerd met fantasieën over onbeperkte successen, macht, genialiteit of ideale liefde

3: Gelooft dat hij of zij 'heel speciaal' is en alleen begrepen kan worden door mensen met een hoge status

4: Verlangt buitensporige bewondering

5: Heeft een gevoel meer rechten te hebben dan een ander

6: Exploiteert anderen

7: Heeft gebrek aan empathie: is niet bereid de gevoelens en behoeften van andere te erkennen of zich ermee te vereenzelvigen

8: Is vaak afgunstig of meent dat anderen op hem of haar afgunstig zijn

9: Is arrogant of hooghartig

149

Waarom bestaan er verschillende protocollen om gestructureerde interviews af te nemen?

Omdat het probleem niet zozeer is om na te gaan of een persoon deze symptomen heeft, maar wel om zich ervan te verzekeren of een andere stoornis (bij antisociale of schizoïde persoonlijkheisstroonis) de symptomen niet beter beschrijft

150

Welke vragenlijsten kan er gebruikt worden om persoonlijkheidsstoornissen vast te stellen?

- Vragenlijst voor Kenmerken van de Persoonlijkheid (VKP) (Duijsens et al)
specifiek voor persoonlijkheidstoornissen

- MMPI-2 (Minnesota Multiphasic Personality Inventory-2nd edition) Algemene vragenlijst waar een Nederlandse versie beschikbaar van is (Derksen et al)
Deze test bestaat uit 566 uitspraken waarop met 'waar' of 'niet waar' moet worden geantwoord. Op basis van de antwoorden op deze vragen kunnen verschillende sleutels gebruikt worden, waaronder sleutels die zo nauw mogelijk aansluiten bij de DSM-IV persoonlijkheidsstoornissen

151

Welke criteria hanteert DSM-IV voor de diagnose van een antisociale persoonlijkheidsstoornis?

A: Een diepgaand patroon van gebrek aan achting voor een schending van de rechten sinds het 15e jaar blijkend uit ten minste 3 van de volgende 7 kenmerken

1: Niet in staat zich te conformeren aan de maatschappelijke norm dat men zich aan de wet moet houden, blijkend uit het herhaaldelijk plegen van handelingen die een reden van arrestatie kunnen zijn

2: Oneerlijkheid, zoals blijkt uit herhaaldelijk liegen, het gebruik van valse namen of anderen bezwadderen ten behoeve van eigen voordeel of plezier

3: Impulsiviteit of onvermogen 'vooruit te plannen'

4: Prikkelbaarheid en agressiviteit, blijkend uit bij herhaling komen tot vechtpartijen of geweldpleging

5: Roekeloze onverschilligheid ten aanzien van eigen of andermans veiligheid

6: Constante onverantwoordelijkheid zoals blijkt uit het herhaaldelijk niet in staat zijn geregeld werk te behouden of financiële verplichtingen na te komen

7: Geen spijtgevoelens hebben, zoals blijkt uit de ongevoeligheid voor of het rationaliseren van het feit anderen gekwetst, mishandeld of bestolen te hebben


B: Huidige leeftijd minstens 18 jaar

C: Er zijn aanwijzingen voor een gedragsstoornis beginnend voor het 15e jaar

D: Het antisociale gedrag komt niet uitsluitend voor tijdens episodes van schizofrenie of manie

Samengevat kan een diagnose van antisociale persoonlijkheisstoonis enkel gemaakt worden bij volwassen die antisociaal gedrag vertonen en ook als kind of tiener al agressief gedrag lieten zien (bijv vaak anderen pestten, bedreigden of intimideerden; dieren mishandelden; of met opzet eigendommen van andere vernielden). Hierbij valt nog op te merken dat een aantal van deze mensen op het eerste gezicht een innemende indruk maken, waardoor hun slachtoffers zich aanvankelijk van geen kwaad bewust zijn.

152

Waar komt antisociale persoonlijkheidsstoornissen vaker voor?

In moderne samenlevingen zonder duidelijke sociale normen en met een lage sociale cohesiegraad komt de stoornis meer voor dan in traditionele samenleving met duidelijke sociale normen en met een hoge cohesiegraad. Zo wordt de diagnose meer gesteld in de VS dan in Japan (3% vs 1%)
Schatting voor Nederland en Belgie 2 a 3% bij mannen en 1% bij de vrouwen

Komt 2 a 3x vaker voor bij mannen dan bij vrouwen

153

Vanaf wanneer lijken de symptomen van persoonlijkheidsstoornis milder te worden?

Vanaf de leeftijd van 45 jaar

154

Waar is de antisocialestoornis het resultaat van?

Van een genetische kwetsbaarheid in combinatie met ongunstige milieu-invloeden.

Een belangrijke studie in dit opzicht werd gepubliceerd door Caspi et al. Deze onderzoekers gingen uit van vorig onderzoek dat er op wees dat een gen op het X-chromosoom een belangrijke rol speelt bij agressief gedrag. Dit gen is nodig om monoamine axidase A (MAOA) aan te maken, een stof die een teveel aan de neurotransmitters noradrenaline, serotonine en dopamine wegwerkt in bepaalde delen van de hersenen. Uit onderzoek bij muizen en en genetisch onderzoek bij een Nederlandse familie was gebleken dat individuen met een slecht functionerend gen een verhoogde kans op antisociaal gedrag hebben


Uit de resultaten bleek dat het antisociale gedrag toenam naarmate de opvoedingssituatie verslechterde, maar vooal bij de jongens met een slecht functionerend gen voor MAOA.
Jongens met een goed functionerend gen waren weerbaarder tegen het slechte gezinsmilieu waarin ze opgroeiden. Anderzijds maakte het geen verschil of het kind een goed of een slecht functionerend gen had, als het kon opgroeien in een goed gezin.

155

Welke mensen hebben een zekere onvrede gevoeld met de DSM-IV definitie van een antisociale persoonlijkheid?

Personen die beroepshalve met misdadigers te maken hebben. Volgens hen is de definitie van een antisociale persoonlijkheid weinig meer dan een definitie voor een (recidiverende) misdadiger

156

Wat is de reden dat criminologen niet tevreden zijn met de definitie van antisociale persoonlijkheid?

Volgens hun ervaring moet er een onderscheid gemaakt worden tussen 2 groepen van antisociale persoonlijkheden. Het eerste type groep komt overeen met de definitie van de antisociale persoonlijkheid. De 2e groep wordt bovendien gekenmerkt door een agressief narcisme. Dit uit zich in een volledig gebrek aan meevoelen met hun slachtoffers, een complete afwezigheid van schuldgevoelens, manipulatie van anderen voor eigen gewin en een sterk opgeblazen gevoel van eigenwaarde. Deze groep wordt als veel gevaarlijker beschouwd en met de oudere naam psychopaten aangeduid

157

Wie heeft er veel onderzoek gedaan naar psychopaten?

Robert Hare, 2003

Volgens Hare is de kern van psychopathie een affectief deficit. Psychopaten begrijpen de betekenis van emoties we, maar voelen niet de affectieve component ervan; zij zijn emotioneel kleurenblind. Om psychopaten te onderscheiden, heeft Hare de Psychopathy Checklist ontwikkeld en genormeerd

158

Wat is een belangrijke component bij psychopathie? (en bij de antisociale persoonlijkheidsstoornis)

Dit lijkt een te gaan om een laag reactiviteitgehalte in het autonome zenuwstelsel te zijn, waardoor psychopaten niet in staat zijn om dezelfde emotionele reacties te ervaren als andere mensen en te leren op basis van beloning en straf. Zij zouden ook een verminderd vermogen hebben tot het waarnemen van angst en schrik, waarschijnlijk door een disfunctie van amygdala.

159

Hoe kan je gevoeligheid voor schrikreacties aantonen?

Dit kan aangetoond worden met het schokparadigma (startle paradigm). In dit paradigma kijken de proefpersonen naar stimuli en krijgen ze opeens hels lawaai te horen. Men gaat na hoe sterk de persoon schrikt van dit lawaai (bij door met de ogen te knipperen)

Uit de resultaten blijkt dat de mate van reactie afhankelijk is van het soort stimuli waar de persoon naar aan het kijken is. Als de persoon naar beelden van bloemen aan het kijken is, dan is de schokreactie minder groot dan wanneer de proefpersoon naar beelden van een auto-ongeval aan het kijken is

160

Waar verwijst de naam borderline naar?

De naam verwijst naar het feit dat men deze stoornis vroeger als een grensgeval (border) beschouwden tussen een neurose (angst, maar nog altijd een realiteitsgevoel) en een psychose (ernstige wanen en verwarring)

161

Wat hanteert de DSM-IV voor een diagnose voor een borderline persoonlijkheidsstoornis

Een diepgaand patroon van instabiliteit in intermenselijke relaties, zelfbeeld en emoties en van duidelijke impulsiviteit, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties. Mensen met borderline persoonlijkheidsstoornis voldoen aan 5 of meer van de volgende 9 criteria:

1: Krampachtig proberen te voorkomen om feitelijk of vermeend in de steek gelaten te worden

2: Een patroon van instabiele en intense relaties met andere, gekenmerkt door wisselingen tussen overmatig idealiseren en kleineren (extreem zwart-wit denken, iemand is geweldig of waardeloos)

3: Identiteitsstoornis: aanhoudend wisselend zelfbeeld of zelfgevoel

4: Impulsiviteit met negatie gevolgen voor zichzelf op minstens 2 gebieden. Bijv: geldverspilling, veel wisselende seksuele contacten, middelenmisbruik, roekeloos rijgedrag, vreetbuiten

5: Terugkerende pogingen tot zelfdoding of zelfverwonding

6: Sterk wisselende stemmingen, als reactie op gebeurtenissen. Dit kan leiden tot periodes van intense somberheid, prikkelbaarheid of angst, meestal enkele uren durend en zelden langer dan een paar dagen

7: Een chronisch gevoel van leegte

8: Inadequate, intense woede of moeite om de boosheid te beheersen. Dit uit zich in driftbuien, aanhoudende woede of herhaaldelijke vechtpartijen

9: Voorbijgaande, aan stress gebonden paranoïde ideeën of ernstige dissociatieve verschijnselen


Een borderline persoonlijkheidsstoornis komt dikwijls samen met een andere mentale stoornis en verzwaart aldus de problematiek voor de persoon

162

Wat hebben gezinsstudies aangetoond bij impulsieve stoornissen, zoals antisociale persoonlijkheidsstoornissen en alcohol- en drugsverslavingen?

Dat dit dikwijls ook voorkomt bij verwanten van personen met een borderline stoornis. In de meeste gevallen gaat de biologische kwetsbaarheid gepaard met ongunstige opvoedingsomstandigheden. Men schat dat seksueel misbruik in de kindertijd te minsten een kwart van de patiënten voorkomt en andere ernstige vormen van misbruik bij meer dan een derde

163

Comorbiteit

Het frequent voorkomen van verschillende stoornissen