H6: Conditioneren en leren Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H6: Conditioneren en leren > Flashcards

Flashcards in H6: Conditioneren en leren Deck (71)
Loading flashcards...
1

Leren

Dit kan je omschrijven als een relatief permanente verandering in gedrag of kennis ten gevolgen van ervaring.

We spreken over relatief permanent omdat we niet alles onthouden wat we geleerd hebben.

2

Welke 3 vormen van leren zijn er?

- Klassieke conditionering
- Operante conditionering
- Observerendleren

3

Ongeconditioneerde Respons (OR)

Reflexmatige processen, reacties die automatisch uitgelokt worden door een stimulus.

4

Ongeconditioneerd Stimulus (OS)

Een reactie die zonder voorafgaand leerproces uitgelokt wordt

5

Geconditioneerde Stimulus

Nieuwe stimulus die tegelijk gegeven wordt met de oude stimulus

6

Geconditioneerde Respons (CR)

De nieuwe stimulus-responsconnectie die we gecreëerd hebben door een nieuwe stimulus aan een oude respons te koppelen

7

Neutrale stimulus

Een stimulus die alleen maar een (alertheids)reactie uitlokt. Hij is dus nog nergens aan gekoppeld

8

Klassieke conditionering

Dit is een procedure waarbij een oorspronkelijke neutrale stimulus gecombineerd wordt met een ongeconditioneerde stimulus (OS) die een automatische reactie uitlokt. Als gevolg van deze CS-OS, begint de CS na verloop van tijd een respons (CR) uit te lokken die lijkt op de OR

9

Verwerving

het proces waardoor een geconditioneerde stimulus een geconditioneerde reactie gaat uitlokken

10

Waar hangt de duur van de verwervingsfase van af?

De belangrijkste factor is de intensiteit van de OS en de ermee gepaard gaande OR: Hoe intenser de OS hoe korter de verwervingsfase

11

Extinctie (of uitdoving)

Dit is de verzwakking van de CR die optreedt als de CS herhaaldelijk zonder de OS aangeboden wordt.

12

Spontane herstel

Als na extinctie een aantal conditionering sessies zijn geweest is het weer terug. Minder sessies dan vroeger.

Het geconditioneerde gedrag leer je niet af maar onderdruk je

13

Stimulusgeneralisatie

De geconditioneerde respons bij een bepaalde geconditioneerde stimulus generaliseert zich naar de andere stimuli die een grote overeenkomst met de geconditioneerde stimulus vertonen

14

Waar is de stimulusgeneralisatie nuttig voor?

Het beschermt individuen de een grote kans op gevaar vormen

15

Contiguiteit

Het kort op elkaar volgen van de geconditioneerde en ongeconditioneerde stimulus

Dit was cruciaal voor klassieke conditioneringen maar is niet altijd nodig

16

Biologische predispositie

Dit houdt in dat sommige associaties makkelijker te leren zijn dan andere.

Er bestaan wel biologische beperkingen op wat een organisme leert.

17

Blokkering

Blokkering verhindert de aanwezigheid van de geconditioneerde stimulus, die de ongeconditioneerde stimulus voorspelt, de conditionering van andere stimuli

Kan dus geen nieuwe stimuli leren als de eerst geleerde stimuli al betrouwbaar is

18

Wat is het verschil tussen de S-R en de S-S theorie van klassieke conditionering?

volgens de S-R theorie legt conditionering een directe band tussen de geconditioneerde stimulus en de (geconditioneerde) respons.

Volgens de S-S theorie legt conditionering een band tussen de geconditioneerd stimulus en de ongeconditioneerde stimulus.

19

Welke visie is bij klassieke conditionering een belangrijke vorm bij associatief leren?

Dat de principes van de klassieke conditionering niet enkel voor het leggen van associaties met stimuli die een ongeconditioneerde reactie uitlokken is, maar voor het leggen van associaties tussen alle mogelijke stimuli.

20

Wat leert men bij klassieke conditionering?

Dat de samenhang tussen gebeurtenissen in de omgeving is, zonder dat men er iets aan kan doen.

21

Operante conditionering/instrumentele conditionering

Het veranderen van gedragningen op basis van de gevolgen die ze hebben

22

Wie zijn 2 grote namen binnen de operante conditionering?

Edward L. Thorndike (1874-1949) en B.F. Skinner (1904-1990)

23

Wet van effect

Responsen die voldoening gevende gevolgen teweegbrengen zullen herhaald worden en steeds sneller en efficiënter uitgevoerd worden. responsen die onbevredigende gevolgen teweegbrengen zullen niet herhaald worden

24

Operante respons

Dit is een gedrag dat gevolgd wordt door een bepaald effect in de omgeving

25

Bekrachtiging

Dit is een verandering in de omgeving die ervoor zorgt dat het voorafgaande gedrag meer kans heeft om opnieuw op te treden

Dit kan gebeuren door het toedienen van een aangename stimulus of door het weghalen van een onaangename stimulus

26

Straf

dit is een verandering in de omgeving die ervoor zorgt dat het voorafgaande gedrag minder kans heeft om opnieuw op te treden.

Straf kan bestaan uit het toedienen van een onaangename stimulus of het wegnemen van een aangename stimulus

27

Positieve bekrachtiger

Deze verhoogt de kans op de respons die aan de bekrachtiger voorafgaat doordat hij toegediend wordt

28

Negatieve bekrachtiger

Deze verhoogt de waarschijnlijkheid van de voorafgaande respons doordat hij weggenomen wordt.

29

Primaire of ongeconditioneerde bekrachtigers

Dit zijn bekrachtigers zoals voedsel of het stoppen van iets onaangenaams. Zij heten zo omdat zij tegemoetkomen aan basisbehoeften van een dier of mens en daardoor inherent bekrachtigend zijn

30

secundaire of geconditioneerde bekrachtigers

Dit zijn bekrachtigers die hun effect ontlenen aan een associatie met een primaire bekrachtiger