H3: Gewaarwording Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H3: Gewaarwording > Flashcards

Flashcards in H3: Gewaarwording Deck (65)
Loading flashcards...
1

Gewaarwording

De gewaarwordingen (of de sensatie) is de opname van stimulatie uit de omgeving en het vertalen van deze stimulatie in elektrochemische neuronale signalen die naar de hersenen gestuurd kunnen worden en daar omgezet in beelden, klanken, geuren, smaken....

2

Waarneming

Waarneming (of perceptie) is het organiseren, interpreteren en begrijpen van de gewaarwording

Gewaarwording en perceptie zijn geen totaal verschillende processen maar uiteinden van een continuüm

3

Oscillatie

Snelle trillingen van elektrisch geladen materiaal en beweegt zich voort in golven

4

Golflengte

Een golf is een opeenvolging van pieken en dalen. De afstand tussen 2 pieken is de golflengte, deze worden uitgedrukt in manometers

5

Zichtbaar spectrum

Het menselijk oog is enkel gevoelig voor de elektromagnetische straling tussen de 400nm en 700nm

6

Lichtintensiteit

Licht komt in energiepakketjes die fotonen worden genoemd. De intensiteit van het licht hangt af van de sterkte van de lichtbron en wordt grofweg bepaald door de hoeveelheid fotonen die per tijdseenheid een oppervlak bereiken. Hoe meer fotonen hoe intenser het licht

7

Welke 3 dingen kunnen gebeuren wanneer een foton een oppervlak bereikt?

- foton wordt teruggekaatst (gereflecteerd)

- hij gaat door de oppervlak heen (waardoor het voorwerp transparant is) hierdoor wordt vaak de richting veranderd wat refractie heet

- hij wordt geabsorbeerd (incl energie, hierdoor chemische reacties afhankelijk van de samenstelling van het stof)

8

Wat vormt het begin van het menselijk gezichtsvermogen?

Het licht dat door andere oppervlakken gereflecteerd word en niet van een directe lichtbron

9

Wat zijn fosfenen?

Een visueel gewaarwording van lichtvlekken en lijnen (door elektrische stimulatie van de hersenen)

10

Cornea

Hoornvlies: transparant buitengedeelte aan de voorkant van de ogen

11

Kamervocht

Dit is het vloeistof die zich bevindt tussen de cornea en de lens

12

Pupil

Dit is opening in de iris

13

Iris

Dit is de gepigmenteerde die de ogen hun kleur geeft

14

Lens

Wanneer het licht hierdoor dringt wordt het verder afgebogen en gefocust op de retina

15

Accommodatie

De lens is elastisch. De dikte ervan word geregeld door ee reeks spieren, de circulaire spieren genoemd, die de lens meer of minder uitrekken en aldus zorgen voor de accommodatie. Op die manier kan het oog afgestemd worden op voorwerpen die zich op verschillende afstanden bevinden

16

glasachtig lichaam

Vloeistof tussen de lens en retina

17

Retina

Dit is een dun weefsel aan de achterkant van de oogbol en bevat ongeveer 127mln lichtgevoelige receptoren die de lichtenergie omzetten in de elektrochemische signalen van het zenuwstelsel

18

Transductie

Receptoren bevatten fotopigmenten die chemisch reageren wanneer er fotonen op vallen. De reacties in de receptoren leiden tot neuronale signalen die naar de hersenen gestuurd worden. Dit hele proces waarbij een receptorcel fysische energie omzet in elektrische signalen heet transductie

19

Fovea

De hoogste concentratie kegeltjes in het centrale gedeelte van de retina waar de gezichtsscherpte het grootst is en waar kleuren het best onderscheiden kunnen worden

Kegeltjes zijn verantwoordelijk voor kleur' ze vereisen relatief sterk licht om geactiveerd te worden en detecteren geen licht van een lage intensiteit

Staafjes zijn hier niet aanwezig, deze zijn gespecialiseerd in lage lichtintensiteiten en het zien van bewegingen

20

Uit welke 3 lagen bestaat de retina?

- onderaan liggen de de visuele receptoren: kegeltjes en staafjes

- 2e laag bestaat uit horizontale cellen, bipolaire cellen en amacriene cellen

- vervolgens de amacriene cellen

21

Oogzenuw

De axonen van de ganglionen vormen de oogzenuw

22

Blinde vlek

Op de plaats waar de oogzenuw zit zijn geen receptoren en is dus een blinde vlek, een deel van het visuele veld wordt niet waargenomen. Dit wordt gecompenseerd door het andere oog

23

Myopie

Bijziendheid, een persoon die problemen heeft om verre voorwerpen te zien, maar niet om voorwerpen dichtbij te zien

24

Hypermetropie

Verziendheid. Geen probleem oom verre voorwerpen te zien maar wel om voorwerpen van dichtbij te zien

25

Presbyopie

Het niet meer kunnen lezen zonder bril omdat de lens door verharding door de jaren heen niet meer flexibel is

26

Astigmatisme

Wanneer de cornea niet meer bolvormig is. Sommige oriëntaties in het retina zijn dan onscherp.

27

Helderheid

De intensiteit van het licht bepaald de helderheid. Hoe intenser een lichtbron, hoe helderder het licht voor ons zal zijn

28

Licht- en duisternisadaptie

De aanpassingen van de ogen aan het licht en duisternis. Volledige duisternisadaptie kan een half uur duren

29

Lichtheid

De relatieve helderheid van een voorwerp ten opzichte van de omringende voorwerpen bepaalt de lichtheid van het voorwerp

30

Gelijktijdig contrast

Het feit dat het gepercipieerde lichtheid van een voorwerp afhangt van de helderheid van de omringende voorwerpen