H15: Therapieën Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H15: Therapieën > Flashcards

Flashcards in H15: Therapieën Deck (170)
Loading flashcards...
1

Wie is een belangrijk figuur in de ontwikkeling van de behandeling van mentale stoornissen? En wie is hij?

Philippe Pinel. Hij had al een interessante wetenschappelijke carrière opgebouwd toen hij tijdens de Franse Revolutie hoofd werd van het Bicetre, een bekende Parijse instelling voor geestesgestoorden. In de geest van de revolutie voorde hij daar vanaf 1793 een humane behandeling voor de patiënten

2

Waardoor veranderde, in 1950, de situatie qua behandeling?

Er zijn 2 redenen voor.

- Er werden geneesmiddelen ontdekt die het mogelijk maakten om de patiënten op een humanere manier te behandelen. Voor vele was een opname in een instelling niet langer nodig.

- De samenleving begon op een andere manier met mentale stoornissen om gaan. Initiatieven werden opgezet om patiënten beter in de samenleving te integreren en hun een zinvol bestaat te geven (bijv door gebruik te maken van tussenhuizen en beschutte werkplaatsen

3

In welke 2 grote groepen worden de behandelingen van mentale stoornissen onderverdeeld?

- Biologische behandelingen

- Psychotherapeutische behandelingen

4

Biologische behandelingen

Gaat uit van een fysiologische of biochemische visie op mentale problemen: om de gevoelens en gedragingen van een patiënt te veranderen, moeten lichamelijke processen veranderd worden, voornamelijk door middel van geneesmiddelen.

5

Psychotherapeutische behandelingen

behandelingen waarbij men de gevoelens, de gedachten en de gedragingen van een cliënt probeert te veranderen door middel van gesprekken, toepassen van leerprincipes en het gebruik van emotionele expressies of het aanbrengen van veranderingen in de sociale omgeving.

6

Wat doet een samenleving naast de aangeboden therapieën?

Sociale voorzieningen treffen voor mensen met een stoornis. Deze voorzieningen zijn erop gericht om stoornissen te voorkomen (preventie) en om de betrokken een volwaardig leven te laten leiden, oa door aangepaste woonomstandigheden aan te bieden (rehabilitatie en revalidatie)

7

In welke 4 groepen worden de personen verdeeld die bij de behandeling van mentale stoornissen zijn betrokken?

- Psychiater

- Klinische Psychologen

- Psychologisch assistent, maatschappelijk werker of sociaal pedagogisch hulpverlener

- Psychiatrische verpleegkundige

8

Psychiater

is een medicus die een aanvullende opleiding psychiatrie gevolgd heeft. Psychiaters zijn de enigen die de wettelijke bevoegdheid hebben om biologische behandelingen, zoals geneesmiddelen en elektroshocks, voor te schrijven. Daarnaast kunnen zij ook psychotherapeutische verantwoordelijkheid op zich nemen. Door de medische studies die psychiaters gevolgd hebben, denken veel mensen dat psychiaters meer van mentale processen afweten dan klinische psychologen, maar dit is niet noodzakelijk zo. Een groot deel van de studies die psychiaters gevolgd hebben, hield in de eerste plaats verband met hun medische opleiding en bevatte weinig psychologische kennis. Daarom werken psychiaters en psychologen vaak samen, elk vanuit hun eigen specialisatie

9

Klinische psycholoog

Hebben een universitaire masterdiploma in de psychologie. Psychologiestudies duren 4 tot 5 jaar (bachelor + master) met een een klinische stage onder professionele begeleiding. Daarnaast hebben de meeste klinische psychologen een 2 tot 4 jarige postuniversitaire therapieopleiding gevolgd.

10

Psychologisch assistent
maatschappelijk werker of
sociaal-pedagogisch hulpverlener

Hbo opleidingen die gericht zijn op het helpen van mensen, en waarbij gebruikgemaakt wordt van psychotherapeutische technieken

11

Verpleegkunde psychiatrie

Iemand die HBO studie verpleegkunde gevolgd heeft, met specialisatie in de psychiatrie

12

Wat is de biologische therapiebenadering

Biologische therapieën gaan uit van een medische visie op psychopathologie. Het uitgangspunt is dat een stoornis in het lichaam de oorzaak is van het mentale probleem.
De meeste behandelingen bestaan uit het toedienen van geneesmiddelen; andere vormen zijn psychochirurgie, het toedienen van elektroconvulsieve shocks en het voorschrijven van lichttherapie of psychomotorische therapie

13

Geneesmiddelentherapie

Bij een geneesmiddelentherapie worden chemische stoffen gebruikt om gedrag, emoties en cognities in gunstige zin te beïnvloeden.
De beschikbaarheid van deze geneesmiddelen heeft ertoe geleid dat veel mensen ambulant (zonder opname in het ziekenhuis) behandeld konden worden en niet langer in een inrichting moesten verblijven

14

Hoe verkrijgen de psychofarmaca hun effect?

Doordat ze ingrijpen in de chemische component van de neurale activiteit

15

Hoe kunnen geneesmiddelen het effect van een neurotransmitter verhogen?

Door:

- De aanmaak van de neurotransmitter te verhogen

- De heropnamen van de neurotransmitter uit de synaptische spleet te verhinderen

-De ontvangende cel gevoeliger te maken voor de neurotransmitter

16

Hoe kunnen medicijnen het effect van een neurotransmitter verlagen?

Door:

- De aanmaak te belemmeren


- De heropname (reuptake) te bevorderen

- De receptoren in het ontvangende neuron te blokken

17

Angstdempende geneesmiddelen

Deze onderdrukken de activiteit van het centrale zenuwstelsel en hebben daardoor een kalmerend effect (daarom worden ze ook kalmerende middelen of tranquillizers genoemd). Zij behoren tot de meest verkochte geneesmiddelen en worden vaak voorgeschreven als slaapmiddel

18

Welke 4 groepen angstdempende geneesmiddelen zijn er?

- Barbituraten

Wordt gebruikt sinds het begin van de 20ste eeuw. Deze middelen worden nu nog zelden voorgeschreven, omdat ze verslavend zijn en ernstige ontwenningsverschijnselen veroorzaken als men probeert te toppen

- Benzodiazepines

Heeft merknamen als: Valium, Seresta, Temesta.
Benzodiazepines worden vooral gebruikt voor de behandeling van een veralgemeende angststoornis, omdat zij rechtstreeks inwerken op de angst, en dit gevoel zodanig onderdrukken dat gedragingen die voordien vermeden werden, opnieuw gesteld kunnen worden. Ze zijn wel verslavend en gaan gepaard met onthoudingsverschijnselen. De meest frequente bijwerkingen zijn sufheid, slaperigheid, spierzwakte en dubbelzien

- Bètablokkers

Dik kan propranolol zijn.
Dit middel wordt gewoonlijk gebruikt tegen een hoge bloeddruk en ter voorkoming van hartkrampen of migraine, maar vermindert ook hartkloppingen, zweten en beven en wordt daarom voorgeschreven bij mensen met plankenkoorts of vliegangst.

- Antidepressiva

Angstdempende geneesmiddel.
Omdat men vastgesteld heeft dat patiënten met angststoornissen eveneens reageren op deze geneesmiddelen en de bijwerkingen er minder van zijn dan die van tranquillizers, begint men een geneesmiddelen kuurt tegenwoordig dikwijls met een antidepressivum. De tranquillizers worden dan gebruikt voor mensen die niet op het eerste middel reageren

19

Antidepressiva

Verlichten de symptomen van een depressieve stoornis. Er zijn 3 grote types van antidepressiva:

- Tricyclische verbindingen
- monoamine oxidase inhibitoren (MAOI)
- Selectieve serotonine (5-HT) heropname inhibitoren

Doordat de selectieve serotonine heropname inhibitoren de minste bijwerkingen hebben, zijn zij de 1e keuze bij een behandeling.

20

Wat zijn bekende merknamen antidepressiva zijn er?

Prozac
Seroxat

Deze geneesmiddelen verhogen de aanwezigheid van serotonine in de synaptische spleet omdadt ze de heropname van deze neurotransmitter onderdrukken.

21

Hoe werd de antidepressiva tricyclische verbindingen ontdekt?

Ze werden bij toeval in de jaren 1950 ontdekt toen een Zwitserse dokter ze uitprobeerde om slapeloosheid bij psychiatrische patiënten te behandelen. Ipv de slaap te bevorderen, bleken ze de stemming van de patiënten te verbeteren en hen energieker te maken. Deze middelen danken hun effect aan het feit dat ze zowel de heropname van serotonine als van noradrenaline afremmen

22

Hoe werd de antidepressivum Monoamine oxidase inhibitoren ontdekt?

Deze werd ook in de jaren 1950 ontdekt, toen men ze in Frankrijk uitprobeerde om tuberculose te behandelen. Ze worden tegenwoordig relatief weinig voorgeschreven, omdat ze een verhoogde kans op bijwerkingen hebben (hoofdpijn, geelzucht, een verhoogde bloeddruk). Alleen bij personen die niet reageren op andere antidepressiva worden ze nog gebruikt

23

Wat gebruikt men bij een bipolaire stoornis?

Men gebruikt hier bij voorkeur lithium (of lithiumzouten) De werking werd vastgesteld toen men in Australië de mogelijkheid onderzocht om deze stof te gebruiken als alternatief voor keukenzout. Ook bij lithium zijn hinderlijke bijwerkingen mogelijk, vooral op de nieren en de schildklier. Veel patiënten klagen over dorst. Bij zo'n 5% van de patiënten remt de lithium de werking, wat zich kan uiten in traagheid van denken en zelfs depressie

24

Antipsychotica

Zijn geneesmiddelen die gebruikt worden bij de behandeling van schizofrenie en andere psychotische stoornissen.

25

Chloorpromazine

Dit was een verbeterde versie van een stof die men in Duitsland per abuis ontwikkeld had bij een zoektocht naar een blauwe ver stof en waarvan men een tijdje hoopte dat die zou helpen bij de behandeling van allergieën.
Fransen artsen waren dit middel in de jaren 1940 gaan gebruiken bij operaties omdat het de spierspanning en de misselijkheid leek te verminderen en de patiënten in een betere stemming bracht. In het begin van de jaren 1950 kwamen deze artsen tot de vaststelling dat het middel de wanen en hallucinaties van schizofreniepatiënten verminderde.

26

Wat deed het succes van chloorpromazine met de farmaceutische bedrijven?

Het zette de bedrijven aan om op zoek te gaan naar andere antipsychotische middelen. De succesvolste onder hen was de Belg Paul Janssen, die in jaren 1950 de stof haloperidol (merknaam haldol) ontwikkelde. Het succes van dit middel lag in het feit dat patiënten er minder slaperig en suf van werden

27

Waar is de werking van chloorpromazine en haloperidol hoogstwaarschijnlijk aan te danken?

Aan een vermindering van de dopaminegerelateerde activiteit in de hersenen, hoewel nog altijd niet begrepen wordt wat precies de onderliggende mechanisme is.

28

Wat is een groot nadeel van chloorpromazine en haloperidol?

De bijwerkingen die kunnen optreden. Deze hebben vooral te maken met het feit dat dopamine nodig is voor een vlotte en soepele uitvoering van bewegingen. Daardoor kunnen patiënten symptomen vertonen die gewoonlijk optreden bij de ziekte van Parkinson, zoals stijfheid in de spieren, moeite om in beweging te komen, stramheid en oncontroleerbare bevingen. In het ergste geval treedt tardieve dyskinesie op.

29

Tardieve dyskinesie

Een bijzonder onaangenaam syndroom waarbij de controle over de spieren, in het bijzonder die van het gezicht, verstoord wordt. De symptomen bestaan oa uit zenuwtrekken (tics) en oncontroleerbare bewegingen met de mond, lippen, kaken, waardoor men begint te kauwen en te smakken. Een behandeling met antipsychotica wordt gewoon gestopt bij de eerste tekenen van tardieve dyskinesie

30

Akathisie

Rusteloosheid