H4: Waarnemingen Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H4: Waarnemingen > Flashcards

Flashcards in H4: Waarnemingen Deck (56)
Loading flashcards...
1

Visuele agnosie

Gewaarwordingen niet meer kunnen organiseren en interpreteren tot een betekenisvolle waarneming

2

Welke 3 redenen zijn waarom de waarneming veel meer omvat dan alleen het registreren van gewaarwording?

- het signaal dat in de hersenen aankomt is onvolledig. Grote stukken ontbreken. Dit komt oa door blinde vlek, knipperen etc

- de beelden op onze retina's zijn plat. We zetten de 2d delen om in 3d. In 2d zien we geen diepte

- het binnenkomende signaal van een voorwerp veranderd voortdurend

3

Perceptuele constantie

Voorwerpen blijven gelijk ondanks voortdurende veranderingen in het retinale beeld. De belangrijkste perceptuele constanties betreffen grootte, vorm, kleur en lichtheid.

Ze zijn belangrijk omdat ze onze gewaarwordingen corrigeren en ons in staat stellen om de werkelijke vormen, groottes en kleuren van de wereld te zien en niet altijd de veranderde retinale beelden

4

Proximale stimulus

Het geheel aan fysische energie dat onze receptoren stimuleert

5

Distale stimulus

Het voorwerp in de buitenwereld dat de fysische energie (en dus de proximale stimulus) produceert

6

Visuele illusie

Verkeerde perceptie

7

Raster van Hermann

Als je op dit raster kijkt zie je grijze vlekjes op de intersecties van de witte lijnen. Op het moment dat je aandachtig naar 1 punt kijkt zijn ze weg.

De illusie ontstaat relatief vroeg in het visuele proces en haar oorsprong in de retina.

8

Bottom-up processen

Deze verwijst naar de informatiestroom van receptoren naar dr hersencentra die verantwoordelijk zijn voor het herkennen en classificeren van voorwerpen

9

Top-down processen

Een kennisstroom van de kenniscentra naar de vroege stadia van de verwerking. Op die manier kunnen we de zoektocht naar sensorische informatie in de omgeving sturen en onze waarneming efficiënter maken. Dit is de top-down informatiestroom

10

Uit welke 3 stadia gaan de meeste theorieën van uit dat het structureren van de receptorsignalen tot betekenisvolle voorwerpen verloopt?

- primaire schets
- perceptuele organisatie
- patroon- en object herkenning

Deze indeling gaat terug op het pionierswerk van David Marr (1982) die als eerste een coherente visie ontwierp over hoe men een computer visuele voorwerpen in een omgeving kan laten herkennen

11

Welke 3 voorwaarden in wiskundige algoritmes zijn in staat om randen van vormen te herkennen door abrupte overgang in helderheid?

- ze moeten kunnen bepalen welke helderheidsovergangen abrupt genoeg zijn om een grens te vormen.

- ze moeten niet alleen randen detecteren maar ook de oriëntatie van randen

- ze moeten onderscheid maken tussen "belangrijke" helderheidsveranderingen en en helderheidsveranderingen die door toevallige omstandigheden tot stand komen

12

Primaire schets

Een schets van lijnen die de plotselinge intensiteitveranderingen weergeven

13

Perceptuele organisaties

Het proces waarbij verschillende randen uit het retinale beeld gestructureerd worden in grotere gehelen die in bepaalde relatie tot elkaar staan. Zij onderscheidde 2 belangrijke principes in de perceptuele organisatie: perceptuele groepering en figuur-achtergrondscheiding.

De gestaltpsychologen (in het bijzonder wertheimer, 1923) wezen als het eerste op het belang hiervan op

14

Perceptuele groeperingen

Verwijst naar de processen die ervoor zorgen dat elementen uit de primaire schets waargenomen worden als bij elkaar horend, als onderdeel van eenzelfde perceptuele ervaring

15


Term 15
Welke groeperingsprincipes kunnen we onderscheiden

.- gelijkheid: gelijksoortige stimuli hebben meer kans om in eenzelfde eenheid gegroepeerd te worden dan ongelijke stimuli

- nabijheid: stimuli die dicht bij elkaar liggen, worden vlugger in eenzelfde eenheid gezien dan dan stimuli die verder uit elkaar liggen

- geslotenheid: stimuli die deel lijken uit te maken van eenzelfde voorwerp, worden in dezelfde eenheid gestopt, zelfs als we daarvoor stukjes contour moeten aanvullen

- goede voortzetting: stimuli die in elkaar overvloeien, worden vaker gezien als behorend tot eenzelfde geheel dan stimuli die niet in elkaar overvloeien.

Groeperingsprincipes helpen ons om alledaagse visuele percepties van de wereld te begrijpen

16

Wat is volgens wertheimer ook een groeperingsprincipe?

Vroegere ervaringen, zodra men een stimulus op een bepaalde manier gegroepeerd heeft, blijft deze groepering beschikbaar voor de toekomst

17

Wat is de 2e principe dat de gestaltpsychologen beklemtoonde in de perceptuele organisatie

De noodzaak om een onderscheid te maken tussen een figuur en een achtergrond. Dit heet de figuur-achtergrondscheiding

18

Principe van omsingelingen

Wanneer een gebied in de visuele stimulus volledig omsingeld is door een ander gebied, dan heeft het omsingelde gebied veel kans om gezien te worden als figuur en het omsingelende gebied als achtergrond

19

Principe van grootte van het gebied

Een kleine gebied heef meer kans om als figuur gezien te worden dan een groot gebied

20

Principe van symmetrie

Gebieden die symmetrisch zijn hebben meer kans om figuren te zijn

21

Principe van locatie

Gebieden onder aan een figuur hebben meer kans om als achtergrond gepercipieerd te worden

22

Principe van textuur

Gebieden met veel detail en een fijnkorrelige structuur worden vaker gepercipieerd als figuur

23

Principe van vorm

Gebieden die smaller zijn bovenaan dan onderaan worden vlugger als figuur gezien

24

Principe van vertrouwdheid

Gebieden die beantwoorden aan het silhouet van een bekend voorwerp hebben met kans om als figuur gezien te worden

25

Patroonherkenning

Om een object te herkennen en de bijbehorende informatie te activeren, moet het kijker-gerichte beeld aan een voorstelling in het geheugen gekoppeld worden

26

Welke 2 principes zijn wellicht werkzaam bij patroonherkenning (wagemans)

- template-matching:
hier wordt een reeks van templates (sjablonen) vergeleken met de figuur die tijdens de perceptuele organisatie geïsoleerd werd.
Templates zijn voorstellingen van voorwerpen die in het geheugen opgeslagen zijn. Als een figuur voldoende overeenstemt met een template, dan wordt het voorwerp herkent.

Dit principe werkt alleen als het mogelijk is om de figuur enigszins te vervormen zodat ze in de sjabloon past.

Bij te grote afwijkingen vermoedt men dat een nieuwe sjabloon wordt gebruikt

- kenmerken herkenning:
De meeste theorieën over patroonherkenning gaan uit van de veronderstelling dat ons visueel systeem voorwerpen kan herkennen op basis van karakteristieke kenmerken

27

Wat stelde Marr voor over hoe voorwerpen gedefinieerd worden?

Dat veel voorwerpen gedefinieerd worden door een reeks cilinders met een zekere lengte en breedte die op een bepaalde manier verbonden zijn

28

Hoe heeft Irving Bieder man de theorie van Marr verder uitgewerkt?

Zijn theorie "recognition by components theory" genoemd, gaat uit van de veronderstelling dat cilinders niet de weinige componenten zijn op basis waarvan mensen voorwerpen herkennen.

Biederman argumenteerde dat veel meer voorwerpen beschreven kunnen worden door gebruik te maken van 36 geons.

Hoe meer geons hoe sneller een voorwerp herkent wordt

29

Primen

Preactiveren

30

Subjectieve contouren

Zijn meer een illustratie van de voortdurende interactie tussen bottom-up processen dan van een pure top-down invloed