H7: Onthouden en vergeten Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H7: Onthouden en vergeten > Flashcards

Flashcards in H7: Onthouden en vergeten Deck (87)
Loading flashcards...
1

Reminiscentiebult

Blijkbaar worden er meer gebeurtenissen onthouden uit de leeftijdsperiode 10 tot 30 jaar dan uit de periode van 30 tot 60

2

Geheugen

Het geheugen verwijst naar het feit dat vroegere ervaringen in onze hersenen opgeslagen worden en tot uiting kunnen in ons verdere gedrag

3

Besparingsmethode

Ebbinghaus berekende de besparing door het aantal beurten bij het opnieuw leren te vergelijken met het aantal beurten bij de eerste keer. Het feit dat er een besparing optrad, betekende dat de originele sporen van de ervaring niet volledig uit het geheugen gewist waren

4

Vergeetcurve

De relatie tussen de van vergeten en het tijdsinterval sinds het leren

5

Primaire geheugen (William James, Principles of Psychology)

Het eerste geheugen; de stroom van gedachten in het bewustzijn (stream of consciouness)

kortetermijngeheugen

6

Secundaire geheugen (William James, Principles of Psychology)

Het 2e geheugen. Het geheugen voor het verleden.

langetermijngeheugen

7

Declaratieve geheugen

Dit is verantwoordelijk voor de bewuste herinneringen van feiten en gebeurtenissen die men kan verwoorden

8

Niet-declaratieve geheugen

Dit is verantwoordelijk voor onbewuste vaardigheden die tot uiting komen in het gedrag.

Dit wordt ook wel het procedurele geheugen genoemd, het geheugen voor de manier waarop we handelingen moeten uitvoeren

9

Implicite geheugen

Volgens sommige auteurs bevat het niet-declaratieve geheugen echter meer dan het puur motorische en bevat het alle geheugenfenomenen waarvoor het bewustzijn niet nodig is. Hieronder vallen perceptueel leren, priming en implicite conditionering.

Implicite geheugen wordt zo genoemd omdat we ons niet bewust zijn van het declaratieve geheugen.

10

welk onderscheid wordt er gemaakt in het declaratieve geheugen?

- Episodisch geheugen
-Semantische geheugen

11

Episodische geheugen

Het geheugen voor gebeurtenissen die we zelf meegemaakt hebben. Herinneringen in dit geheugen bevatten altijd informatie of de plaats en de tijd waarin de gebeurtenis zich voordeed

12

Semantische geheugen

Het geheugen voor feiten en kennis van de wereld.
Bij deze informatie is het niet belangrijk wanneer en waar ze verworven werd; deze informatie zit dan ook niet opgeslagen in het semantische geheugen.

13

Welke 3 hoofdstadia zijn er om onderscheid te maken in het geheugenproces?

- Verwerving
- Bewaren
-Oproepen

14

Verwerving

Ook wel coderen genoemd. Dit is het initiële leren van informatie en vormt het eerste stadium in het geheugenproces

15

Bewaren

Bewaren vereist veranderingen in het zenuwstelsel die het mogelijk maken om informatie vast te leggen. Wanneer een dergelijke verandering plaatsvindt, spreken van een geheugenspoor dat gevormd werd

16

Oproepen

Dit is het proces waarbij informatie uit het geheugen gehaald en gebruikt wordt

17

Wat zijn metaforen

Dit zijn beelden die helpen om de werking van het geheugen gemakkelijker te begrijpen

18

Sensorische geheugens

1 voor elk zintuig. Deze houden gedurende zeer korte tijd de informatie bij die de zintuigorganen bereikt heeft.
Informatie uit de zintuigorganen gaat via het zenuwstelsel naar de hersenen die haar zullen interpreteren. Voor deze interpretatie is het noodzakelijk dat de informatie even blijft hangen.
De sensorische geheugens kunnen heel veel informatie tegelijk gedurende een korte tijd onthouden

19

Iconische geheugen

Dit is het sensorische geheugen voor visuele stimuli.

Het iconische geheugen lijkt beperkt te zijn (ongeveer 1 seconde)

20

Echoische geheugen

Dit is het sensorische geheugen voor auditieve stimulatie; Dit geheugen lijkt iets langer te duren dan het iconische geheugen

Men schat dat het 2 tot 4 seconden bewaard wordt

Het is dus niet verwonderlijk dat een auditief nabeeld (een echo) een beetje langer duurt

21

Kortetermijngeheugen (KTG)

Het KTG houdt de informatie vast waar we ons op elk moment bewust van zijn, zoals de woorden die we nu lezen.

22

Welke kenmerken typeren het kortetermijngeheugen volgens Atkinson en Shiffrin?

- De beperkte capaciteit
- de fragiliteit van de geheugencode

23

Langetermijngeheugen (LTG)

In tegenstelling tot het KTG kreeg het LTG een nagenoeg onbeperkte capaciteit toegemeten. Ook werd er verondersteld dat vergeten erin heel traag gebeurde

24

Hoe breng je informatie over van het KTG en LTG?

Er is veel herhaling (rehearsal) nodig in het KTG

25

Seriele positiecurve

Dit is een grafiek die aantoont hoe goed een item onthouden wordt afhankelijk van zijn plaats in de stimulusreeks

26

Voorrangseffect (primacy effect)

Het kunnen herinneren van de eerste 3 of 4 items uit een lijst. Volgens Atkinson en Shiffrin komt dit tot stand doordat de proefpersonen in staat waren om de eerste woorden nog een paar keer te herhalen voordat de KTG volgepropt was. Binnen hun model was herhaling in het KTG het belangrijkste mechanisme om informatie over te dragen naar het LTG

27

Recentheidseffect (recency effect)

De goede herinneringen voor de laatst aangeboden stimuli. Dit wordt het recentheidseffect genoemd en is te danken aan het feit dat de laatste stimuli op het moment van de test nog in het KTG zitten waar personen het makkelijk uit kan halen.
Men kan de recentheidseffect makkelijk laten verdwijnen door proefpersonen een paar seconde achterwaarts te laten tellen.

28

Welke centrale functie heeft het KTG binnen het geheugenmodel van Atkinson en Shiffrin?

Enkel de informatie uit de sensorische geheugens die het KTG binnegeraakt, wordt verwerkt en gecombineerd met informatie uit het LTG. Vervolgens draagt het KTG de informatie over naar het LTG. Het KTG is ook nodig om informatie uit het LTG op te halen

29

Uit welke 3 componenten bestaat het werkgeheugen?

- Centrale verwerker
- Fonologische lus
- Visuopatiaal schetsblad

30

Waar komt de fonologische lus grotendeels mee overeen?

Deze komt grotendeels overeen met het KTG in het model van Atkinson en Shiffrin en is een tijdelijk opslagsysteem voor woorden in gesproken vorm.