H16: Gedrag en gezondheid Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H16: Gedrag en gezondheid > Flashcards

Flashcards in H16: Gedrag en gezondheid Deck (95):
1

Stress

Is de emotionele en lichamelijke reactie die optreedt wanneer iemand zich probeert aan te passen aan veranderingen die het normale dagelijkse leven verstoren of dreigen te verstoren en die een persoon dwingen om zich aan te passen

2

Stress

Is de emotionele en lichamelijke reactie die optreedt wanneer iemand zich probeert aan te passen aan veranderingen die het normale dagelijkse leven verstoren of dreigen te verstoren en die een persoon dwingen om zich aan te passen

3

Wanneer wordt stress een probleem?

Wanneer er te veel veranderingen na elkaar plaatsvinden, wanneer die veranderingen als bedreigend voor het welzijn ervaren worden en wanneer de persoon een gevoel van onvermogen krijgt om de dreiging aan te kunnen. Een dergelijke stressreactie lokt fysiologische veranderingen uit die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid.

4

Waar bestaat de eerste bron van stress uit?

Belangrijke levensveranderingen (life events) zoals beginnen aan een veeleisende studie, verhuizen naar een andere stad, een nieuwe baan of met een overlijden geconfronteerd wordt.

Elke levensverandering veroorzaakt stress, ook als die verandering positieve gevolgen heeft.

5

Wat geldt er in het algemeen met stress?

Hoe groter de mate van verandering en aanpassing, hoe groter de stress

6

Social Readjustment Rating Scale

Dit is een schaal om de invloed van 43 belangrijke levensgebeurtenissen te meten. Deze is ontwikkeld door Holmes & Rahe (1967).
De schaal maakt gebruik van een levensveranderingsscore. Hoe meer stresserend een gebeurtenis was, hoe meer eenheden eraan toegekend werden. De maximum score van 100 werd gegeven aan de dood van de partner.

Rahe stelde vast dat personen met een score van 300 of meer in het afgelopen jaar meer kans hadden op ziekten en ongevallen.

7

Wat veroorzaakt, naast levensveranderingen, nog meer stress?

De opeenstapeling van kleine irritaties

8

Waar hangt het effect, van de grote levensveranderingen en opeenstapeling van dagelijkse irritaties, vanaf?

Het effect hang af van de individu. Als een persoon een gebeurtenis als schadelijk of bedreigend percipieert dan is dit een een stresserend gebeurtenis; maar als dezelfde gebeurtenis als irrelevant beschouwd wordt, dan lokt die weinig of geen stress uit.

9

Life Experience Survey

Een aanpassing van de Social Readjustment Rating Scale, omdat niet iedereen een stressvolle situatie als stress beschouwd.

10

Welke factoren zijn belangrijk bij het uitlokken van stress?

- Hoe centraal een gebeurtenis is binnen het leven van een persoon. Mensen functioneren in verschillende levensgebieden (familie vrienden, werk, sportclub,...), die zie niet allemaal even belangrijk vinden.

- De mate waarin men overbelast is, Dagelijkse irritaties hebben vooral een impact op drukke momenten; tijdens een rustige periode kan men ze beter aan.

- De mate van ambiguïteit (dubbelzinnigheid) van de situatie. Vooral situaties waarin het niet meteen duidelijk is hoe men moet reageren, zullen stresserend zijn.

-De mate waarin men het gevoel heeft de gebeurtenissen te kunnen controleren. Situaties waar men zelf geen controle over heeft, lokken de meeste stress uit; problemen die men denkt gemakkelijk aan te kunnen, veroorzaken heel wat minder stress

11

Welke 2 reacties lokt een stressfactor uit in het lichaam?

- Onmiddellijke shockreactie
- Aanpassing op de langere termijn

12

Waar bestaat de onmiddelijke fysiologische reactie op een stressfactor uit?

Activering van het sympathische zenuwstelsel.
Dit is het deel van het zenuwstelsel dat ons in staat stelt om actie te ondernemen, om 'te vechten of te vluchten'. De activering start doordat de hypothalamus en een kern in in de hersenstam noradrenaline beginnen af te scheiden. Als gevolg hiervan zal het bijniermerg extra noradrenaline en adrenaline in de bloedbaan loslaten waardoor het sympathische zenuwstelsel een extra stimulus krijgen. Deze activatie zorgt ervoor dat we meer glucose (en dus energie) ter beschikking hebben, dat de alertheid verhoogt, dat er meer bloed vloeit naar de spieren, dat de hartslag en de ademhaling versnellen en er een verminderde activiteit is in het spijsverteringsstelsel

13

Waarom is er een fysiologische tegenreactie op stress?

Omdat het grote energieverbruik bij een actief sympathisch zenuwstelsel maar slechts een aantal uren volgehouden worden.

14

Wat is de fysiologische tegenreactie van stress?

De tegenreactie begint in de hypothalamus. Deze stimuleert de hypofyse om het adrenacorticicotrope hormoon (ACTH) in de bloedbaan los te laten. ACTH stimuleert de bijnierschors (het buitenste deel van de bijnier) die meer corticosteroïden gaat afscheiden, waaronder cortisol. De corticosteroïden regelen de glucosvoorraad (bij door vetzuren en eiwitten in glucose om te zetten en door de lever te stimuleren om opgeslagen glucose vrij te geven) zodat energie beschikbaar blijft. Zij zorgen er ook voor dat we niet te veel water en zout verliezen. Op deze manier wordt de homeostase gehandhaafd. De tegenreactie heeft echter ook consequenties, die duidelijk worden wanneer mensen of dieren te lang aan stressfactoren blootgesteld worden. Dan treedt namelijk het algemene aanpassingssyndroom op

15

Wie ontdekte de fysiologische veranderingen ten gevolge van stress?

Hans Selye tijdens zijn onderzoek met ratten

16

Uit welke 3 stadia bestaat het algemene aanpassingssyndroom (general adaption syndrome, GAS)?

- De alarmreactie

In dit stadium wordt het sympathische zenuwstelsel geactiveerd om de noodsituatie aan te kunnen. Tegelijk begint de tegenshockreactie ter voorkoming van vitale tekorten



- De weerstandsfase

Er wordt een soort evenewicht bereikt, waarbij een verhoogde sympathische activiteit gepaard gaat met een hoger niveau aan corticosteroïden in het bloed. De corticosteroïden stimuleren de omzetting van vetten en eiwitten in suikers en herstellen de evenwichtsverstoringen die door de sympathische activiteit veroorzaakt worden. De lichaamsfuncties lijken weer op hun normale niveau te zijn, maar tegelijk vindt een erosie plaats. Het herstel van beschadigd weefsel vertraagt en de vorming van afweerstoffen vermindert. Hierdoor wordt het organisme kwetsbaar voor ziektes. Ook de seksuele interesse vermindert. Een nieuwe stressfactor op dit moment kan zware gevolgen hebben.


- De uitputtingsfase.

Uiteindelijk slagen de hormonale en de neurale processen van de tegenreactie er niet meer in om de lichaamsprocessen in balans te houden. De symptomen van de alarmreactie keren terug en het lichaam zet de laatste overlevingsreacties in. Dit resulteert onder andere in een sterk verlaagd activiteitsniveau (lethargie). De situaties kan dusdanig verslechteren dat de dood erop volgt

17

Chronisch-vermoeidheidssyndroom

Een theorie is dat het algemene aanpassingssyndroom de oorsprong is van het chronisch-vermoeidheidssyndroom.

Dit is een stoornis waarbij mensen aanhoudend vermoeid zijn en niet meer herstellen zoals gewoonlijk. Door een te stresserend leven zouden deze mensen hun reserves uitgeput hebben, waardoor een kleine negatieve gebeurtenis een veel diepgaander effect heeft dan normaal en de volledige balans uit evenwicht brengt

18

Immuniteitssysteem

Dit systeem is vooral van belang om lichaamsvreemde stoffen te weren. Het vernietigt bijv. virussen en bacteriën. Een hele reeks studies heeft aangetoond dat psychische stress het immuniteitssysteem onderdrukt en dus het risico op het lichamelijke kwalen verhoogt. Door de verminderde werking van het immuniteitssysteem zijn mensen onder stress vooral gevoelig voor infectieziekten.

19

Wat bleek uit grootschalig onderzoek naar de fysiologische gevolgen van stress?

Uit een grootschalig onderzoek in maastricht blijkt bijv dat werknemers aan wie hoge eisen gesteld worden, vaker verkouden zijn en griep krijgen dan collega's die minder eisen hoeven te voldoen (Mohren et al) Ook onzekerheid op het werk, door bijv reorganisatie, leidt tot een toename van griep en buikgriep. Tot slot hebben medewerkers in een 24h ploegendiens een grotere kans op infecties dan dagdienstmedewerkers

20

Wat is een psychologische gevolg van stress?

Blootstelling aan aanhoudende stress verhoogt de kans op negatieve emoties, zoals angst, somberheid, frustratie en woede.

21

Stemming

Is een emotionele ervaring die langer duurt dan een emotie (gaande van uren tot maanden), minder intens is en minder duidelijk gericht op een bepaalde stimulus

22

Wanneer spreken we van een stemming?

Als de emoties lang duren en niet langer op een specifieke stimulus gericht zijn.

Het effect van langdurige stress zal zich eerder uiten in een stemming dan een emotie

23

Waar heeft stress nog meer invloed op? Hoe uit zich dat?

Op het cognitieve functioneren.

Een beetje stress (opwinding) bevordert het prestatieniveau, maar een te hoog niveau vermindert de prestaties. Dan verkleint de mogelijkheid om zich te concentreren, om goed na te denken en de juiste informatie uit het geheugen te roepen.

24

Yerkes en Dodson-wet

Het verband tussen de mate van motivatie en het prestatieniveau. Dit is 1 van de oudste bevindingen in de wetenschappelijke psychologie.

Deze wet stelt dat er voor elke taak een optimaal niveau van motivatie is. Een zeer lage motivatie is niet goed voor de prestaties, maar dat geldt evenzeer voor een zeer hoge motivatie. Als de opwinding te hoog wordt, dan functioneert een persoon niet goed meer. Omdat de opwinding zowel veroorzaakt wordt door de motivaties als door de taakmoeilijkheid (een moeilijke taak lokt meer opwinding uit dan een gemakkelijke) ligt het optimale motivatieniveau bij een moeilijke taak lager dan bij een gemakkelijke taak. Een hoge prestatiemotivatie helpt vooral bij het correct uitvoeren van gemakkelijke of vervelende taken, die uit zichzelf weinig opwinding veroorzaken.

25

Welk evidentie is er voor de Yerkes-Dodson-wet

Deze kwam uit een klassieke proef van Taylor. Aan de hand van een angstvragenlijst maakte deze onderzoeker een onderscheid tussen een groep studenten die hoog scoorde op angst en een groep die laag scoorde. De studenten met een hoge score presteerden beter op gemakkelijke taken, maar slechter op moeilijke taken dan de studenten met een lage score. Stress werkt volgens hetzelfde mechanisme als angst. Het veroorzaakt opwinding en daardoor zal een hoge mate van stress vooral negatieve gevolgen hebben voor het uitvoeren van moeilijke taken. Mensen onder stress nemen minder factoren in overweging bij het nemen van een beslissing en zullen in grotere mate onderhevig zijn aan de denkfouten.

26

Wat is de wisselwerking tussen stress en cognities?

Cognities kunnen de stress verder verhogen doordat iemand veranderingen in de routine te vlug als bedreigend percipieert (ook wel catastrofaal denken genoemd). Men gaat te veel belang hechten aan mogelijke negatieve gevolgen van veranderingen, waardoor elke nieuwe gebeurtenis potentieel bedreigend is.

27

Welke kans verhoogt stress nog meer?

De kans dat mensen agressief reageren, vooral op personen uit hun gezin

28

Op welke 2 manieren kan men omgaan met stress (coping)

Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen het aanpakken van de stressfactoren zelf en het onder controle houden van de gevolgen van stress

29

Het aanpakken van stress.

Door acties probeert het individu rechtstreeks zijn relatie tot de stressbezorgende gebeurtenis te veranderen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen toenadering en vermijding

30

Wat doet men bij 'toenadering' van stress?

Bij toenadering probeert men het probleem op te lossen. Dit kan men doen door een confrontatie aan te gaan ('ik ben niet van mening verander en ik heg gevochten voor wat ik nodig had'), sociale steun te zoeken ('ik hem met iemand over gesproken die mij raad kon geven') of door probleemoplossend gedrag te vertonen ('ik heb een actieplan opgesteld en houd mij daaraan')

31

Wat doet men bij 'vermijding' van stress?

Bij vermijding zal men de gebeurtenis negeren en het belang ervan minimaliseren. Deze aanpak is soms aangewezen bij voorbijgaande, lichte stressfactoren (bijv wanneer er geruchten zijn over ontslagen).

32

Wat is zijnbelangrijk element bij het aanpakken van stressuitlokkende factoren?

Controle over de situatie:
Stress wordt vooral gevaarlijk wanneer men het gevoel heeft machteloos te staan tegenover de uitlokkende factoren.


Voorspelbaarheid:
Veranderingen zijn minder stresserend als men ze kan voorzien en incalculeren. Dit is met name het geval bij kortdurende veranderingen met blijvende gevolgen (bij de dood van een geliefde) is het effect van voorspelbaarheid minder duidelijk (Carr et al)

33

Wat is een techniek om invloed uit te oefenen op stressbronnen waarbij het onmogelijk is om invloed erop uit te oefenen?

Men moet zich dan beperken tot het onder controle houden van de symptomen. Een techniek hierbij gebruikt kan worden is het herinterpreteren van de stressuitlokkende gebeurtenissen.

Het veranderen van de manier waarop men tegen de stressfactor aan kijkt.
Uit onderzoek is gebleken dat optimisten minder onder eenzelfde stress leiden dan pessimisten. c

34

Wat heeft Lazarus aangetoond met verschillende studies?

Dat de interpretatie van een bedreigende gebeurtenis gevolgen heeft voor de stress die de gebeurtenis uitlokt

35

Hoe kunnen we de lichamelijke symptomen van stress aanpakken?

Op een ontsnappende manier:
Alcohol, kalmeringsmiddelen

Actieve manier:
Meer lichaamsbeweging, betere voeding en ontspanningsmomenten in te bouwen zoals relaxatie of meditati

36

Progressieve relaxatietherapie

Werd in 1929 ontworpen door Edmund Jacobson en verder uitgewerkt door Joseph Wolpe (1958)

Het doel van de techniek is om een diepe ontspanning in de spieren te bewerkstelligen. Dit wordt bereikt door ergens rustig te gaan zitten en door de spieren eerst aan te spannen en vervolgens te ontspannen terwijl men op het verschil let tussen het gevoel van spanning en ontspanning. Het aanspannen en ontspannen van de spieren wordt afzonderlijk gedaan voor de verschillende spiergroepen in het lichaam. De 1e spiergroepen die aan bod komen, zijn dikwijls die voor de vuisten. Eerst knijpt men een vuist dicht en houdt die even zo. Daarna ontspant men de vuist en men let erop hoe het voelt wanneer de spieren zich ontspannen. Dit herhaalt men vervolgens bij de andere vuist en de andere spiergroepen in de armen, het gezicht en de benen.

37

Lichaamsmassa-index (LM-index, Body Mass Index)

Dit wordt gebruikt om te bepalen of iemand overgewicht heeft.

Deze index gaat terug op het pionierswerk van Quetelet en wordt verkregen door het lichaamsgewicht te delen door het kwadraat van de lengte.

38

Wanneer vertoont men een overgewicht, onderzwaarlijvigheid of te licht?

Bij een index tussen de 25 en de 25,9 en zwaarlijfigheid als de index 30 of meer bedraagt. Men beschouwt iemand te licht als het een LM-index heeft van lager dan 18,5

39

Welke 3 belangrijke theorieën zijn er over hoe genen het gewicht van een persoon beïnvloeden?

1: Volgens de eerste theorie bepalen de genen het metabolisme of het energieverbruik van het lichaam. Dit verbruik verschilt aanzienlijk van persoon tot persoon. Het basaal metabolisme van een persoon is het aantal calorieën dat in rusttoestand verbrandt wordt. Het metabolisme is niet constant, maar wordt beïnvloed door de voedsel inname


2: Volgens de 2e theorie hebben mensen met een aanleg tot zwaarlijvigheid meer vetcellen. Een dieet kan deze cellen leger maken, maar niet kleiner in aantal.


3: Tot slot vermoedt men dat de genen een invloed kunnen hebben op het regelen van honger en verzadiging. Lange tijd dacht men dat er bij zwaarlijvigen iets mis wat met de productie van leptine of de reactie erop. Leptine is een stof die afgescheiden wordt door de vetcellen en een gevoel van verzadiging geeft. Behalve bij een aantal patiënten die inderdaad een probleem hebben met de leptineproductie, heeft dit onderzoeksspoor echter nog geen echt bruikbare resultaten opgeleverd

40

Nederlands Vragenlijst voor Eetgedrag.

Een vragenlijst die bestaat uit 33 items met 5 antwoordalternatieven. De score van een persoon wordt vergeleken met die van een normgroep (er zijn aparte tabellen voor jongens, meisjes, mannen, vrouwen, zwaarlijvigen en niet-zwaarlijvigen). De vragenlijst is gebaseerd op 3 theorieën over zwaarlijvigheid. Alle 3 de theorieën stellen dat zwaarlijvige mensen te veel eten omdat ze op andere signalen letten dan op de inwendige signalen van honger en verzadiging

- Volgens de psychosomatische theorie eten mensen te veel als reactie op hun emotionele toestand

- Volgens de uitwendigheidstheorie eten mensen te veel omdat ze sterk onderhevig zijn aan aantrekkelijke voedselprikkels in hun leven

- Volgens de theorie van het ingehouden eetgedrag eten mensen te omdat hun eetgedrag onder cognitieve controle is komen te staan ('ik mag slechts zoveel eten') Deze controle wordt keer op keer doorbroken en dan eten mensen meer dan goed voor hen is.

41

Welke evidentie bestaat er dat preventie effectief kan zijn bij zwaarlijvigheid?

Dit vindt men in de sociale verschillen in zwaarlijvigheid. Binnen de ontwikkelde landen komt zwaarlijvigheid meer voor bij lagere sociale klassen dan bij hogere klassen.

De overheid en zorgverleners zijn stilaan gaan beseffen dat preventie meer inhoudt dan een eenvoudigweg signaleren van het probleem en zeggen tegen mensen dat ze gezonder moeten eten meer moeten bewegen.

42

Op welke niveaus moet er gewerkt worden voor preventie van zwaarlijvigheid

Het 1e niveau waarop gewerkt wordt, is beleidsmatig. Men stelt vast dat zwaarlijvigheid (voorlopig) een minder groot probleem is in landen waar men oog gehad heeft voor de mobiliteit van voetgangers en fietsers dan in landen waar dit niet gebeurd is. De mate van lichamelijke activiteit is groter wanneer de activiteit dele uitmaakt van de dagelijkse routine (fietsen naar werk) dan wanneer die als extra activiteit gepercipieerd wordt.

Een ander beleidsaspect waaraan gewerkt wordt, is het aanbod van voedsel op school. Men realiseert zich dat de maaltijden op school zoveel mogelijk een voorbeeld moeten zijn van wat men moet eten (en niet wat men bij voorkeur niet eet) Hetzelfde geld voor de aanbod van drank op school.

Een ander niveau waarop gewerkt wordt, is het verzamelen van onderzoeksmatige evidentie over effectieve opvoedingsstrategieen, zodat concrete en juiste raad gegeven kan worden

43

Waar wordt een eetstoornis door gekenmerkt?

Door een ernstige verstoring in de eetgewoonten

44

Hyperfagie

Hier heeft men te maken met een extreme vraatzucht, waarbij een persoon geen gevoel van verzadiging meer ervaart (wellicht ten gevolge van een stoornis in de hypothalamus). Het bekendste ziekte beeld met dit symptoom is het Prader-Willisyndroom (PWS)

45

Prader-Willi-Syndroom (PWS)

Een zeldzame erfelijke aandoening (1/20000 geboorten) die zich kenmerkt door een lage spierspanning, ziekelijke eetlust, een lichte verstandelijke handicap en gedragsstoornissen. Indien personen met dit syndroom niet tegengehouden worden, dan eten zij zich letterlijk dood.

46

Anorexia Nervosa

Hier streeft de persoon een lichaamsgewicht na dat lager ligt dan een LM-index van 18. Dat gebeurt door een combinatie van zelfuithongering, geïnduceerd braken en gebruik van laxeermiddelen. Anorexia nervosa komt vooral voor bij vrouwen, met een piek tijdens de adolescentie. De aandoening is niet onschadelijk, want een aanzienlijk percentage van de personen met deze aandoening brengen zichzelf onherstelbare lichamelijke schade toe en sterven vroegtijdig. Veel anorexiapatiënten blijven zichzelf als te dik zien, zelfs wanneer ze al hun vetreserves uitgeput hebben (zij hebben dus geen ziekte inzicht).

47

Waardoor ontstaat anorexia nervosa?

Volgens veel experts is het ene gevolg van een veelheid aan oorzaken, waaronder genetische aanleg, biochemische stoornissen, psychologische karakteristieken en sociale invloeden.
Wat de psychologische factoren betreft, stelt men vast dat dit probleem zich vaker voordoet bij personen met een laag zelfbeeld, die perfectionistisch ingesteld zijn en een obsessie hebben voor lichamelijke aantrekkelijkheid.
Wat de sociale invloeden betreft, wordt vooral gewezen op het extreme slankheidsideaal dat in de media gepropageerd wodt

48

Bulimia nervosa

Hierbij is de persoon eveneens bang om dik te worden, maar probeert dit te voorkomen door na het eten te braken of sterke laxeermiddelen te nemen. Tijdens het eten wordt gewoonlijk veel calorierijk voedsel geconsumeerd (ongecontroleerde eet buien), waardoor individuen met boulimia nervosa niet zo mager worden als individuen met anorexie (overgewicht kan voorkomen). Deze personen hebben ziekte-inzicht en lijden onder hun eetgedrag. Net als bij anorexia nervosa komt deze stoornis vooral voor bij vrouwen, met een piek in de adolescentie. Men schat dat 1 tot 3% van deze groep eraan lijdt. Er is weinig evidentie voor een genetische basis voor bulimia nervosa; het lijkt eerder om een aandoening te gaan die typisch is voor de westerse cultuur (Keel&Klump)

49

Wat is op dit moment de belangrijkste doodsoorzaak in west-europa?

Ziekten in de organen die voor de bloedsomloop instaan

50

Welke risicofactoren zijn het belangrijkst bij hart-en vaatziekten?

- Roken:
Een belangrijke oorzaak dat rokers minder lang leven dan niet-rokers is dat ze een sterk verhoogd risico op hart-en vaatziekten vertonen (naast een verhoogd risico op long- en keelkanker)

- Eetgedrag:
Een hoog cholesterolgehalte in het bloed verhoogt de kans op ziekten van de bloedsomlooporganen. Naast een genetische component in het cholesterolgehalte is er ook een bijdrage van het voedsel dat men consumeert. Mensen die veel verzadigde vetten eet, hebben meer kans op een hoog cholesterolgehalte.

- Hoge bloeddruk:
Een te hoge bloeddruk beschadigt de bloedvatwand. Vooral de bloedvaten van de nieren, de hersenen, het netvlies en de kransslagaders rond het hart zijn hier gevoelig voor. De invloed van het gedrag op de bloeddruk komt tot uiting in het feit dat de kans op een te hoge bloeddruk hoger is bij mensen die niet veel bewegen, die zwaarlijving zijn en die te veel zout of alcohol consumeren

- Stress:
Stress heeft een belangrijke impact op de bloedsomlooporganen, omdat het lichaam gemobiliseerd wordt voor een mogelijke bedreiging. Een herhaald activeren van dit defensiemechanisme verhoogt de kans op een hartinfarct, verhoogde bloeddruk en een beroerte. Dit lijkt vooral het geval te zijn bij personen die sterk lichamelijk reageren op een stressuitlokkende factor. Gezonde proefpersonen die een sterk verhoogde bloeddruk vertoonden bij milde stressfactor, bleken 6 jaar later een verhoogd rustniveau van hun bloeddruk te hebben (Matthews et al) Stressgebeurtenissen geven ook aanleiding tot een verhoogd cholesterolgehalte

- Persoonlijkheidsfactoren
Omdat de reactie op stressfactoren sterk verschilt van persoon tot persoon, hebben onderzoekers zich afgevraagd of het mogelijk was om hartziekten te voorspellen op basis van een persoonlijkheidsvragenlijst. Volgens Friedman & Rosenman kon men dit doen door een onderscheid te maken tussen type-A mensen en type-B mensen.
Het onderscheid tussen type-A en type-B is niet abrupt, maar vormt een continuüm, waardoor het merendeel van de mensen geen echt puur patroon vertoont, maar type-A neigt of naar type-B. Onderzoek heeft echter geen overtuigende evidentie opgeleverd voor het verband tussen hartkwalen en de specifieke persoonlijkheidstrekken die Friedman en Rosenman vooropstelden. Depressie en angst blijken bijv de kans op hartziekten meer te verhogen dan vijandigheid (Suls&Bunde). Deze (en andere) bevindingen brachten Denollet (2000) ertoe om het onderscheid tussen type-A en type-B personen te verlaten en als alternatief een type-D persoonlijkheid naar voren te schuiven.

51

Type-A mensen

Zijn actief, agressief, hardwerkend, doordrijven en competief, spreken snel en geven blijf van vijandigheid en woede

52

Type-B mensen

Zijn kalm, sereen en ontspannen.

53

Type-D persoonlijkheid.

Ook wel distressed personality genoemd. Dit is een persoon die gekenmerkt wordt door een combinatie van negatieve gevoelens en sociale inhibitie. De negatieve gevoelens omvatten depressie, angst en woede. Sociale inhibitie houdt in dat men probeert om de negatieve gevoelens die men ervaart, voor anderen verborgen te houden. De combinatie van negatieve gevoelens en sociale inhibitie blijkt de kans op hervallen na een initiële hartaanval sterk te verhogen.

54

HIV

Human immunodeficiency virus.

Hiv is een virus dat het immuniteitssysteem van een persoon verzwakt. De afweer is dan niet meer in staat om ziekteverwekkers te bestrijden, waardoor de dragen van het virus infecties krijgt , die de afweer van mensen die niet hiv-positief zijn zonder problemen kan bestrijden. Iemand die hiv-positief genoemd wordt, heeft wel al het virus maar heeft nog geen aids ontwikkeld. Een hiv-infectie gaat in meer dan de helft van de gevallen gepaard met griepachtige beeld, dat enkele dagen tot weken kan duren. Daarna treedt een incubatieperiode op, die sterk van persoon tot persoon verschilt, maar gem. 9 a 10 jaar duurt voordat men aids krijgt

55

AIDS

Acquired immune deficiency syndrome.
Bij aids schiet het afweersysteem zodanig tekort dat de persoon opportunistische infecties en tumoren krijgt. Opportunistische infecties zijn ijn die een een normale afweer snel kan opruimen. De afbraak van het afweersysteem gebeurt voornamelijk doordat het hiv de witte bloedcellen CD4 vernietigt. Bij een normale persoon zijn er 500 tot 1500CD4-cellen per kubieke milliliter bloed; bij aidspatiënten is dit gedaald tot minder dan 200. Als de diagnose aids eenmaal gesteld is, leidt dit zonder behandeling gemiddeld binnen 3 jaar tot de dood. Bij veel hiv-geïnfecteerden kan een goede medische behandeling het moment van aids echter jaren uitstellen.

56

Chlamydia

Dit is de meest voorkomende geslachtsziekte

De infectie wordt veroorzaakt door een bacterie. De symptomen beperken zich meestal tot ontstekingen van de geslachtsorganen en de baarmoeder. Deze kunnen bij de vrouw leiden tot onvruchtbaarheid. Chlamydia kan ook van moeder op kind overdragen worden, waarbij een risico bestaat op een ernstige ooginfectie of longontsteking. Chlamydia valt goed te behandelen met antibiotica

57

Biomedisch ziektemodel

Volgens dit model zijn ziekten louter lichamelijk en dienen ze bij mensen op dezelfde manier behandeld te worden als bij dieren.

58

Hoe kan volgens Ogden het biomedische model van geneeskunde worden samengevat?

- Ziektes hebben een niet te controleren, biologische oorzaak. Sommige ziektes komen van buitenaf (bijv via bacteriën en virussen), dringen het lichaam binnen en geven aanleiding tot fysiologische verandering. Andere ziektes beginnen als een interne fysiologische verandering ten gevolge van een chemisch onevenwicht of genetische predispositie

- Individuen hebben geen verantwoordelijkheid voor hun ziekte. Zij zijn het slachtoffer van de oncontroleerbare oorzaken.

- Behandeling dient te bestaan uit een herstel van de lichamelijk toestand. Dit bereikt men door geneesmiddelen, radiotherapie, chemotherapie en chirurgie.

- De verantwoordelijkheid voor de behandeling ligt volledig bij de geneeskundigen. Van de patiënt wordt verwacht dat die stipt de bevelen van de dokter opvolgt. Iets anders hoeft niet, want daar wordt geen enkel heil van verwacht.

Er is een strikt onderscheid tussen ziekte en gezondheid. Als men ziek is, moet men behandeld worden. Als men niet ziek is, hoeft men verder niet op de gezondheid te letten.

59

Wanneer werd de eerste antibioticum, penicilline ontdekt.

In 1928 door Alexander Flemming

60

Wat is volgens Unal et al de meest efficiënte manier om het aantal doden verder te doen dalen?

Mensen aan te moedigen hun ongezonde levensgewoonten op te geven.

61

Epidimologen

Onderzoekers die de verspreiding van ziektes onder de bevolking bestuderen en op basis daarvan proberen vast te stellen welke factoren een ziekte wel of niet in de hand werken.

62

Wanneer waren de geesten rijp voor een omslag in de visie op de relatie tussen arts en patiënt?

Rond de jaren 1970-1980.
Men begon anders te denken over de manier waarop patiënten het best geholpen worden. De nieuwe visie wordt het biopsychosociale of holistische ziektemodel.

63

Wat is de beschrijving van het biopsychosociale of holistische ziektemodel volgens Ogden?

- Ziekten ontstaan uit een wisselwerking van biologische factoren (virus), psychologische factoren (gedragingen en overtuigingen) en sociale factoren (bijv soort werk die de patiënt uitvoert)

- Individuen hebben tot op zekere hoogte invloed op het krijgen van een ziekte en het verdere verloop ervan. Zij kunnen gedragingen vertonen die de ziekte bevorderen of afremmen

- Behandeling van de lichamelijke symptomen is niet genoeg, vooral niet bij chronische aandoeningen. Soms moeten patiënten bovendien hun gedrag veranderen (stoppen met roken), hun aanpakstrategie van problemen aan passen of begrijpen hoe belangrijks het is om de behandeling gedurende lange tijd vol te houden (bijv bij cholesterolverlagende pillen). Een goede behandeling zal de patiënt helpen en ondersteunen om dit te realiseren.

- De verantwoordelijkheid voor de behandeling ligt zowel bij de patiënt als bij de arts. Dit veronderstelt dat de arts uitleg geeft aan de patiënten en hen betrekt bij de behandeling.

- Meestal is het beter om mensen gedragingen aan te raden of af te raden terwijl ze nog gezond zijn (preventieve maatregelen)

64

Gezondheidspsychologie

Is een vorm van toegepaste psychologie waarbij psychologische theorie en kennis aangewend worden ter bevordering van de gezondheid en het gezondheidsgedrag. Voorbeelden van bijdragen lopen uiteen van elementen die zorgen voor een betere behandeling van de patiënt, tot elementen die van belang zijn bij het verhinderen van aandoeningen bij de hele bevolking

65

Hoe worden patiënten gezien binnen het biopsychosociale ziektemodel?

Als personen die beslissingen nemen op basis van de informatie die krijgen en van de overtuigingen die ze hebben over ziekte en gezondheid

66

Waar hangt de invloed die artsen kunnen uitvoeren vanaf?

Dit hangt niet alleen af van hun kennis over de ziekte, maar ook van hun communicatievaardigheden, en de mate waarin ze de behandeling kunnen integreren binnen de leefwereld van de patiënt.

67

Attributie

is een overtuiging over de oorzaak van een gebeurtenis of activiteit die de patiënt meemaakt

68

Op welke 4 dimensies verschillen attributies?

- Intern vs extern
Ik heb een hoge bloeddruk omdat ik mij te snel opwind vs ik heb een hoge bloeddruk omdat mijn werk te stresserend is

- Stabiel vs instabiel.
Ik zal altijd een hoge bloeddruk hebben vs in sommige situaties moet ik opletten voor een hoge bloeddruk

- Globaal vs specifiek
Ik heb een hoge bloeddruk, want ik heb een slechte gezondheid vs mijn enige probleem is een hoge bloeddruk

- Controleerbaar vs oncontroleerbaar
Ik kan iets aan mijn hoge bloeddruk doen vs mijn ouders hadden ook een hoge bloeddruk; het zit dus in de familie

Patiënten kunnen van elkaar verschillen op elk van deze dimensies. Bovendien verschillen de dimensie binnen soms nog afhankelijk van de vraag of het gaat om gezondheid, ziekte, of behandeling.

Kennis over de attributies van een patiënt helpt om de informatie die men verstrekt beter af te stemmen op de persoon die men voor zich heeft, en verhoogt op die manier de kans op een succesvolle behandeling.

69

In welke 3 stappen verloopt de communicatie (om de patiënt te overtuigen om bepaalde behandelingen uit te voeren of te laten)

- De adviezen van de arts moeten omgezet worden in attitudeveranderingen bij de patiënt

- De attitudeveranderingen moeten leiden tot gedragsvoornemens

- De gedragsvoornemens moeten in daden omgezet worden

70

Welke suggestie is er, dat attitudes bij sommige vooral door gevoelens bepaald worden (ik doe dit graag vs ik doe dit niet graag)en bij andere vooral cognitief bepaald zijn (ik vind dat zinvol vs ik vind dat zinloos)?

Onderzoek van Trafimow suggereert dat.

De eerste groep patiënten zal eerder overtuigd worden door emotionele argumenten (wijzen op het feit dat mens spijt zal hebben als men het advies niet volgt) De 2e groep zal eerder door objectieve informatie overtuigd worden

71

Welk andere kloof moet er overbrugd worden tussen het advies van de dokter en het effectief uitvoeren van de patiënt?

De omzetting van voornemens in daden. Een voornemen geeft aan hoe hard mensen bereid zijn zich in te spannen om een doel te bereiken. Om voornemens in daden om te zetten, moet echter nog aan extra voorwaarden voldaan worden, zoals hoe goed de patiënt zich in staat ziet om de vereiste daden uit te voeren en de mate waarin het voornemen prioriteit krijgt boven andere voornemens

72

Welke 7 gedragingen houden verband met de gezondheidstoestand en de levensverwachting van een mens?
(steekproef onder 7000 mensen van Belloc in 1973)

- 7-8uur slaap per dag
- Elke dag een ontbijt gebruiken
- Niet roken
- Weinig eten tussen de maaltijden
-Dicht bij het ideale gewicht blijven
- Geen of beperkt gebruik van alcohol
- Regelmatig lichamelijke activiteit

73

Welke factoren geen noemenswaardige invloed op het condoomgebruik? (correlatie van +0,10)

- Kennis over HIV/aids
- aantal seksuele partners
- Leeftijd van eerste gemeenschap
- Geschatte vatbaarheid voor aids
- Zich zorgen maken over aids
- De geschatte ernst van aids
- Aidslessen op school
- Mediacampagnes over aids
- Schaamte om condooms te kopen
- Mate van seksuele opwinding
- Geslacht van een persoon
- Socio-economische status
- Opleiding
- Geloofsovertuiging
- Impulsiviteit

74

Welke factoren hebben wel invloed op het gebruik van een condoom
+ = wel invloed
- = geen invloed

- Hoe zeker een persoon zich voelt dat hij/zij een condoom kan aanbrengen (+)

- Kennis die een persoon heeft over de positieve gevolgen van het gebruik van een condoom (+)

- Overtuigingen die een persoon heeft over de negatieve gevolgen van condoomgebruik (-)

-Overtuiging dat andere mensen geloven in het gebruik van condooms (+)

- De overtuiging dat andere mensen vinden dat je een condoom moet gebruiken (+)

- Aanmoedigingen om een condoom te gebruiken (+)

- Instructies hoe een condoom gebruikt moet worden (+)

- Kennis over welke factoren het moeilijk maken om een condoom te gebruiken (+)

- Overtuiging dat een condoom goed is om zwangerschap te voorkomen

- Een condoom bij zich hebben (+)

- Instructies over waar je een condoom kunt kopen (+)

- Instructies die mensen ertoe aanzetten om condooms te kopen (+)

- Op tijd praten met je partner over het gebruiken van een condoom

75

Psychologie van arbeid en gezondheid A&G-psychologie.
(Occupational Health Pscychology)

Een gebied dat in de jaren 1990 gegroeid is vanuit de gezondheidspsycholoog en en arbeids-en organisatie psychologie, dat verband houdt met het bevorderen van de kwaliteit van de werkomgeving.

76

Welke factoren hebben een negatieve invloed op de gezondheid van de werknemer?

- Psychische jobstress (hoge tijdsdruk, hoog werktempo, moeilijk en mentaal belastend werk)

- Gebrek aan controle op het werk

- Negatieve balans tussen inspanning en beloning (waarbij beloning bestaat uit het salaris, achting die verbonden is aan de baan, jobzekerheid/promotiekansen die men heeft

77

Welke factoren vermoedt men een positief effect bij het welzijn van de werknemers?

- Beschikbaarheid van geld
- De mate van fysieke veiligheid
- Een gewaardeerde sociale positie
- De mogelijkheid om autonomie uit te oefenen
- Optimaal gebruik van vaardigheden
- Afwisseling in werk
- Realistische taakeisen
- Duidelijkheid over de taak en de omgeving waarin ze uitgeoefend worden
- De mogelijkheid tot sociale contacten

A&G-psychologen zullen helpen om voor elk van deze factoren het optimale niveau te vinden, zodat de onderneming in staat is om haar werknemers te behouden, ondanks een steeds veranderende contex

78

Retrospectieve studies

Studies die uit gaan van ziekenhuisgegevens of sterftecijfers en verzamelen aanvullende data over de vroegere sociale relaties van mensen die ziek geworden zijn of gestorven zijn.

79

Crosssectionele studies

Studies die na gaan of mensen die op een bepaald tijdstip ziek zijn een mindere kwaliteit van sociale relaties hebben dan zij die op hetzelfde tijdstip gezond zijn.

80

Prospectieve studies

Hierbij gaat men uit van 2 groepen en kijkt men longitudinaal hoe groot de kans is dat leven van elke groep sterven binnen een bepaalde periode

81

Positieve psychologie

Is de studie van de condities en de processen die bijdragen tot het bloeien of optimaal functioneren van mensen en groepen. Onderwerpen die behandel worden, zijn welzijn, gehechtheid, optimisme, liefde, dankbaarheid, vergevingsgezindheid, eerbied, inspiratie, hoop, nieuwsgierigheid en lachen.
De positieve psychologie sluit aan bij de uitgangspunten van de humanistische psychologie van Maslow en Rogers.

82

Wie is binnen de positieve psychologie een belangrijke onderzoeker op het gebied welzijn?

Ed Diener

83

Subjectieve welzijn

Verwijst naar een brede waaier van reacties die mensen ervaren in verband met zichzelf, hun sociale relaties en hun werk. Deze waaier omvat cognities, positieve affect en negatieve affect

Geluk is een te vaag begrip

84

Waarom is de cognitieve component van het subjectieve welzijn nodig om te verklaren waarom dezelfde objectieve omstandigheden niet bij iedereen tot een even groot welzijnsgevoel leiden?

Een gebeurtenis wordt door verschillende mensen anders gepercipieerd. Zo stelde Lyubormirsky vast dat mensen die zich gelukkig noemen, hun situatie minder vaak met die van anderen vergelijken. Zij zien een positieve ervaring die iemand anders anders te beurt valt, ook niet als een bedreiging voor hun eigen welzijn. Gelukkige mensen worden voorts gekarakteriseerd door optimistische strategieën en vertekeningen in hun reacties op voorspoed en tegenspoed. Zij vertonen de neiging

a: om hun levensomstandigheden met een roze bril te bekijken
b: om interessante levensomstandigheden voor de toekomst te verwachten
c: om controle te voelen over de afloop van hun daden
d: om vertrouwen te hebben in hun vaardigheden.

Mensen met een laag welzijnsgevoel daarentegen hebben de neiging om vooral negatieve gebeurtenissen te onthouden en er te lang over te piekeren

85

Positieve affect

Omvat het geheel aan positieve emoties en gemoedstoestanden die een persoon heeft. Hieronder vallen vreugde, opgetogenheid (wanneer het goed op het werk of in het gezin gaat), tevredenheid en vertrouwen.
Uit onderzoek blijkt dat dat niet de intensiteit van de positieve gevoelens het subjectieve welzijn op lange termijn bepaalt, maar wel de frequentie ervan, ergo iemand die herhaaldelijk een lichte tevredenheid rapporteert, zal zichzelf een hogere score voor subjectieve welzijn geven dan iemand die bij 1 meting extreem hoog scoort en voor de rest neutraal (Diener)

86

Het negatieve affect

omvat het geheel aan negatieve emoties en gemoedstoestanden die een persoon ervaart. Hieronder vallen schuldgevoel en schaamte, verdriet, verbittering en onvrede (wanneer iemand geen voldoening kan halen uit het verleden), stress, angst en bezorgdheid (wanneer iemand denkt geen voldoening te zullen krijgen in de toekomst. Hoewel het verleidelijk is om het negatief affect te zien als het compelement van positief affect (iemand die een hoog positief affect heeft, zal een laag negatief affect hebben; en omgekeerd), blijkt dit toch niet helemaal op te gaan

87

Aangeleerd optimisme

Mensen die door hun opvoeding geleerd hebben om een optimistische manier met de gebeurtenissen om te gaan, hebben geleerd
- Om een onaangename ervaring toe te schrijven aan een specifieke oorzaak ipv een algemeen probleem

- Om een probleem eerder te wijten aan externe oorzaken dan aan interne omstandigheden

-Om de oorzaken van leed te zien als veranderbaar en tijdelijk

Dit maakt hen weerbaarder tegen problemen die iedereen meemaakt in het leven

88

Wat lijkt de enige variabel te zijn die een langdurige invloed heeft op het algemene subjectieve welzijn?

Dat is het krijgen of verliezen van een innige relatie, al blijkt dit effect bij de helft van de mensen minimaal en kortdurend te zijn.

Het algemene welzijnsgevoel wordt verrassend weinig beïnvloed door gunstige of ongunstige omstandigheden

89

Welke 2 factoren maken het dat er een consistente verschil in de welzijnsscore tussen landen en waar houden deze verband me?

Deze verschillen houden verband met de welvaart van een land (Diener&Biswas-Diener)

A: Onder een bepaald niveau speelt welvaart een rol bij het subjectieve welzijn. Mensen die zich geen minimum aan voedsel of wooncomfort kunnen veroorloven, hebben een lager subjectief dan mensen die dit wel kunnen

B: Het subjectieve welzijnsgevoel wordt enigziens bepaald doordat men zichzelf vergelijkt met andere. Een toename in welvaart binnen een land heeft geen invloed op het subjectieve welzijn, omdat de welvaart van bijna iedereen toeneemt; maar verschillen in welvaart tussen landen hebben wel invloed, want de mensen uit Bulgarije en Estland vergelijken hun situatie met die van mensen uit Nederland en de VS

90

Volgens wie is het niet genoeg voor de psychologie om te onderzoeken welke factoren een invloed hebben op het subjectieve welzijn?

Seligman

91

Wat moet er volgens Seligman nog meer gebeuren in de psychologie?

De psychologie moet mensen ook helpen om gelukkiger te worden. Onderzoek heeft immers aangetoond dat een groot subjectief welzijn gepaard gaat met een betere kijk, een groter gedragsrepertoire, een groter gebruik van intuïtie en creativiteit, psychologische groei en een grotere weerstand bij tegenslag. Daarnaast heeft welzijn een gunstige invloed op het immuniteitssysteem

92

Hoe kan, volgens Seligman, men het welzijn van mensen verhogen?

Door hun bijv. te vragen om gedurende een week elke avond 3 goede dingen op te schrijven die op die dag gebeurd zijn. Bij het opschrijven dienen ze ook in te gaan op de oorzaak van elk positieve gebeurtenis en hun eigen rol daarbij. Het effect van deze interventie op het subjectieve welzijn was 6 maanden later nog altijd te merken

93

Wie en waarom is niet iedereen gelukkig met het recente werk van Seligman?

Lazarus bijv vraagt zich af in hoeverre het werk van Seligman verschilt van de zelfhulpboeken die al decennialang de psychologieafdeling in de boekhandels vullen en die beweren dat je alle problemen kunt oplossen door met een positieve blik naar de wereld te kijken. Volgens Lazarus is dit slechts 1 van de copingmechanismen die mensen kunnen gebruiken bij uitdagingen in hun leven, en niet eens het beste mechanisme (volgens hem is het beter om de uitdagingen rechtstreeks aan te pakken)

94

Welke 2, niet verenigbare visies binnen de positieve psychologie zijn er die verdedigd kunnen worden over hoe mensen subjectieve welzijn kunnen verhogen? (Bacon)

De 1e is focusgericht.
Volgens deze visie kan een persoon een bevredigend en zinvol leven hebben door zijn of haar persoonlijke sterktes zo goed mogelijk uit te bouwen. Een typische vb hiervan is creativiteit. Mensen worden aangemoedigd om hun welzijn te verhogen door hun creativiteit volledig los te laten. Wanneer men echter naar heel creatieve mensen kijkt, dan stemt men vast dat zijn ontzettend veel energie en passie in hun onderwerp stekken en relatief onverschillig staan tegenover de rest van de wereld. Vele onder hen hebben ook een eerder moeilijk (of althans arm gezinsleven

De 2 manier waarop aangeraden wordt om het leven zinvol en voldoeningsgevend te maken, is balansgericht. Volgens deze visie kan met het subjectieve welzijn verhogen, niet door bepaalde sterkten uit te bouwen, maar door een harmonie te vinden tussen de verschillende levensdoelen (werk, gezin, zelf, andere sociale relaties) Dit leidt tot wat men "wijsheid" noemde. Baltes&Staudinger definieerde een wijze persoon bijv als een persoon die een expert is in de 'fundamentele pragmatiek van het leven'. Dit houdt kennis in over de essentie van het menselijke bestaan en manieren om een goed leven te plannen, te beheren en te verstaan. Deze mensen weten een harmonie te vinden tussen hun eigen interesses en die van de bredere gemeenschap, Zij worden ook door anderen gewaardeerd wegens hun goede raadgeving

95

Op welk terrein begeeft positieve psychologie zich?

Door zich te richten op de vraag hoe men het welzijn van individuen kan verhogen begeeft positieve psychologie op een terrein dat dicht bij religieuze en filosofische ligt: Wat maakt het leven zinvol? Het grote verschil is dat de psychologie zo goed mogelijk probeert om op basis van systematische observaties, correlationele analyses en experimentele manipulaties uit te zoeken wat wel en wat niet werkt.