H11: Veranderingen in de loop van het leven Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H11: Veranderingen in de loop van het leven > Flashcards

Flashcards in H11: Veranderingen in de loop van het leven Deck (79)
Loading flashcards...
1

Ontwikkelingspsychologie

De tak van de psychologie die onderzoek doet naar veranderingen van vaardigheden en gedragingen tijdens de levensloop, en die probeert te achterhalen welke factoren deze veranderingen teweegbrengen of beïnvloeden

2

Van welke 4 bekwaamheden maken baby's gebruik.

- Selectieve aandacht
- baby's kunnen stimuli onthouden in hun semantische geheugen
- imitatieleren
- statisch leren.

3

Wat is statisch leren?

Een leer vorm waarbij regelmatigheden in een patroon ontdekt worden

4

Wie is Jean Piaget?

Een Zwitserse wetenschapper en filosoof, die zich interesseerde in de in de reeks aangeboren reflexen van kinderen en de verdere ontwikkeling van hen. Hij onderzocht dit zeer uitgebreid bij zijn eigen kinderen

5

Schema's

Interne mentale representatie van actie e bijbehorende voorwerp.

In het begin zal een schema sterk verbonden zijn aan een specifieke stimuli.
Op basis van de voortdurende interacties van de baby met de omgeving zullen schema's complexer worden en losser komen te staan van specifieke objecten. Dit zal gebeuren op basis van 2 adapatieprocessen:
Assimilatie
Accommodatie

6

Assimilatie

Het proces waarbij een kind nieuwe informatie uit de wereld opneemt en deze in bestaande schema's probeert onder te brengen

7

Accommodatie

Het aanpassen van de bestaande schema's aan afwijkende informatie

8

Wat is de theorie van Piaget mbt accommodatie?

Een kind probeert informatie aanvankelijk te begrijpen via assimilatie. Wanneer dat niet gaat , ontstaat een onevenwicht en wordt gebruikgemaakt van accommodatie om het evenwicht te herstellen. Vanuit hun verlangen om het evenwicht te behouden, worden kinderen volgens Piaget gemotiveerd om de wereld te begrijpen

9

Stadiatheorie

De theorie van Piaget splitst de cognitieve ontwikkeling op in 4 stadia.

- sensorimotorische stadium (geboorte tot 2 jaar)
- preoperationele stadium (2 jaar tot 7 jaar)
- concreet-operationele stadium (7 tot 11 jaar)
- formeel-operationeel stadium (vanaf 11 jaar)

De leeftijden bij elke periode zijn slechts benaderingen

10

Sensorimotorische stadium

In dit stadium zijn kinderen vooral bezig met hun waarnemingen (sensorische), hun acties (motorisch) en de interacties tussen deze twee.

Dit leerproces begint bij aangeboren reflexen zoals zuig-, grijp- en volgen van bewegende voorwerpen reflex, en worden geleidelijk minder reflectief waardoor het kind ze doelgerichter kan gebruiken.

Het ontwikkelt senorimotorische schema's voor acties die op direct aanwezige voorwerpen uitgevoerd kunnen worden. Daardoor verwerft het controle over de omgeving

11

Objectpermanentie

Het besef dat een voorwerp blijft bestaan als je het niet meer kunt zien. Dit is een belangrijk inzicht die kinderen in het senorimotorische stadium verwerven

12

Preoperationele stadium

De periode waarin de capaciteit voor logische operaties en logisch denken nog ontbreekt.

Volgens Piaget is kennis in dit stadium gebaseerd op het uiterlijk van de dingen en niet op de kennis van de onderliggende principes

Volgens Piaget worstelen kinderen in het preopernationale stadium nog met het onderscheid schijn en realiteit.

13

Operaties (volgens Piaget)

Omkeerbare acties, waarvan de gevolgen ongedaan gemaakt kunnen worden door andere acties.

De inzicht in de omkeerbaarheid van acties stelt kinderen in staat om de onderliggende fysische principes te begrijpen

14

Concreet-operationele stadium

Het toepassen van operaties bij concrete, tastbare problemen.

15

Conservatie

Het besef dat de onderliggende fysische dimensies gelijk blijft ondanks dat er oppervlakkige veranderingen in voorkomen.

16

Formeel-operationele stadium

Het punt waar kinderen de capaciteit bezitten

17

Wat is het probleem met Piagets benadering?

Piagets benadering is dat het denken van jonge kinderen te sterk geformuleerd werd in termen van een tekort

18

Welke 3 belangrijke assumpties legde Piaget sterk de nadruk op het bestaan van stadia in het denken van een kind

- De stadia gaan gepaard met kwalitatieve verschillen in het denken; het gaat niet louter om meer of minder begrip, maar om andere denkprocessen

- Binnen een stadium zijn denkprocessen gelijk voor mogelijke problemen waar een kind mee geconfronteerd wordt

- kinderen zijn pas in staat om de denkprocessen van een bepaald stadium te leren als ze kritisch leeftijd daarvoor bereikt hebben

Elk van deze assumpties wed door verder, gedetailleerd onderzoek ter discussie gesteld

19

Wat bleek uit de proef van Wynn (poppen proef) en soortgelijke proeven?

Dat baby's heel wat ,eer besef hebben van aantallen dan gesuggereerd werd door Piagets conservatieveproef. Dit betekend dat een deel van de moeilijkheid bij de proef van Piaget te wijten is aan de taak zelf en niet louter aan het besef van aantal.
Merk ook op dat de proeven van Wynn een vraagteken plaatsen achter Piagets aanname dat kinderen jonger dan 8 maanden helemaal geen objectpermanentie hebben

20

Wat is het 2e probleem voor de theorie van Piaget dat men vastgesteld heeft

Dat de overgang van de ene manier van denken naar de andere niet voor alle problemen op dezelfde leeftijd gebeurt

21

Wat zijn de sleutel principes voor telgedrag?

- het 1 op 1 principe: één en slechts één getal wordt aan een voorwerp toegewezen

- het principe van stabiele getalvolgorde: getallen worden altijd in dezelfde volgorde toegewezen

- het kardinaalprincipe: het laatst toegewezen getal geeft aan hoeveel voorwerpen er zijn

- het abstractieprincipe: de bovenstaande principes zijn van toepassing op elke groep van voorwerpen

- het principe van de irrelevantie van de item volgorde: voorwerpen kunnen in een willekeurige volgorde geteld worden

Zodra een kind deze kennis verworven heeft kan het niet meer in de war gebracht worden bij proeven van behoud van aantal, maar kan nog wel in moeilijkheden raken bij andere conservatietaken waar kennis over tellen niet gebruikt kan worden, zoals bij het behoud van materie en volume

22

Wat is het laatste probleem met Piagets overtuiging?

Dat een kind een bepaalde leeftijd (rijpheid) moet bezitten voordat het van het ene stadium naast het andere stadium kan overgaan.

Gelderman toonde aan dat het relatief makkelijk is om preoperationele kinderen de conservatietaken te lerenm door hen feedback te geven over hun prestaties.

Deze bevindingen stemt overeen met de vaststelling dat de grenzen tussen de verschillende stadia in de westerse maatschappij naast voren geschoven zijn sinds Piagets onderzoek

23

Wat werd er door Vygotsky beklemtoond?

Volgens zijn sociaal-culturele visie ontstaat kennis door sociale interactie. Ouders en leerkrachten vormen steigers die kinderen helpen om hun eigen kennis op te bouwen.
Bovendien bestaat kennis niet louter uit de wiskundige en logische operaties waar Piaget zo'n zijn aandacht aan besteden, maar ook uit de internalisering van sociaal gedeelde waarden.

24

Wat is het alternatief voor Piagets benadering?

Allereerst moet uitgegaan worden van wat kinderen van verschillende leeftijd en bepaalde socioculturele omgeving al wel kunnen (eerder dan wat ze niet kunnen). Ten 2e moet kennis gezien worden als een continu proces, eerder dan een alles of niets eigenschap.
De verschillen afhankelijk van de leeftijd zijn kwantitatief ('meer of minder') en niet kwalitatief ('anders'). Tot slot moet er ook een gedetailleerde analyse gemaakt worden van de vereisten die nodig zijn om een taak uit te voeren. Deze vereisten moeten daarna vergeleken worden met de capaciteiten die het kind op dat moment heeft.

25

Wat is een andere eigenschap waarop kinderen verschillen?

De spanne in hun KTG

26

Hoe werkte ontwikkelingspsychologen tegenwoordig?

Ipv van te vertrekken vanuit een algemene theorie over welke operaties kinderen van een verschillende leeftijd nog niet kunne uitvoeren, vertrekken ze vanuit een analyse van de processen die nodig zijn om een bepaalde taak te volbrengen en kijken ze in welke mate kinderen over de nodige capaciteiten beschikken om die processen adequaat uit te voeren. Bovendien aanvaarden ze dat deze vaardigheden niet spontaan verworven worden,maar actief geoefend worden op school of in de samenleving.
Dit is de reden dat sommige culturen sneller opgelost worden dan in andere culturen

27

Inclusief onderwijs

Onderwijs die alle kinderen en jongeren samen een zo goed mogelijk onderwijs wil bieden in een gewone school. Zij wijzen er op dat er veel verschillende oorzaken van speciale onderwijsbehoefte bestaat: een lichamelijke beperking, een leerstoornis, kansarme thuissituatie of een gebrek aan kennis van de instructietaal

28

Stratificatie in onderwijs

Onderwijs waarbij kinderen met een sterk verschillend competentie niveau in aparte klassen geplaatst worden.

29

Wat zijn de argumenten van voorstanders van inclusief onderwijs?

Zijn wijzen erop dat wie binnen een gestratificeerd (exclusief) onderwijssysteem eenmaal in een lagere categorie terechtkomt, hier nog moeilijk uit weg raakt, omdat de onderwijskwaliteit in deze categorie lager ligt. Dit ligt voor een deel aan motivatie bij de leerlingen, maar ook aan de verwachtingen en eisen van de leerkrachten, die binnen zo'n systeem hun status bepaald zien door de "kwaliteit" aan wie ze mogen les geven (Van Houtte). Bovendien is uit onderzoek gebleken dat kinderen uit kansarme thuissituatie een te grote kans maken om in ee te lage categorie terecht te komen. Hierdoor wordt de bestaande maatschappelijke tweedeling ten onrechte bestendigd en zelfs versterkt

30

Wat zijn de argumenten van voorstanders van gestratificeerd onderwijssystemen?

Volgens deze voorstanders zijn de verschillen tussen de kinderen te groot om binnen eenzelfde klas iedereen aan bod te laten komen. Binnen een dergelijk onderwijs is volgens hen het onderricht te veel gericht op de middengroep van de klas, waardoor zowel de hoogbegaafden als de minder begaafden sub optimaal onderwijs krijgen en zich niet ten volle kunnen ontplooien.