Week 10 Flashcards Preview

Frans > Week 10 > Flashcards

Flashcards in Week 10 Deck (109)
1

het was heel raar

c'était chelou

2

vreemd (adj)

chelou

3

loodrecht

perpendiculair(e)

4

opbouwen

bâtir

5

officieel openen (van een middelbare school)

inaugurer (un lycée)

6

de populier

le peuplier

7

waakzaam (adj)

vigilant(e)

8

het mechanisme/ de inrichting

le dispositif

9

strijden (tegen)/ worstelen

lutter (contre)

10

de verklikking

la délation

11

(zijn buurman) aangeven

dénoncer (son voisin)

12

getintel in zijn benen voelen / slapende benen hebben

avoir des fourmis dans les jambes

13

kooplustig/verkwistend zijn

être dépensier/cigale

14

gierig zijn

être économise/fourmi

15

uitlenen

prêter

16

lenen (van iemand)

emprunter

17

een veiling

une vente aux enchères

18

een fooi

un pourboire

19

de gewoonte

la coutume

20

contant betalen

payer en espèces

21

Big spender

madame/monsieur le dépensier

22

is dat de gewoonte bij jullie?

est-ce la coutume chez vous?

23

onzinnige/dwaze dingen zeggen

dire des inepties

24

kinderachtig

puérile

25

een levensvatbaar project/kind

un projet/enfant viable

26

afbreken

démolir

27

de rijweg/wegdek

une chaussée

28

(huis) inrichten/meubileren/indelen

aménager

29

herstellen/vaststellen

rétablir

30

zijn werktijden beter indelen

aménager ses horaires de travail

31

de agglomeratie, stedengroep, bebouwdekom

l'agglomération

32

een nonsens/dwaasheid

une ineptie

33

de smerigheid

la saleté

34

verwaarloosd zijn

être négligé

35

de schuifdeuren

des portes coulissantes

36

elegant/behaagziek

coquet(te)

37

een klein appartement

un appartement coquet

38

een badkamer met douche

une salle de douche (sdd)

39

een badkamer

une salle de bain (sdb)

40

Ik ga geen politieman nemen! (Seks) (Familier)

Je vais pas me taper un flic

41

een one-nightstand

un coup d'un soir

42

een joint

un bédo/un pétard

43

ze heeft het heel goed naar haar zin.

elle s'éclate

44

opvorderen/opeisen/"afpakken"

réquisitionner

45

de geclaimde huisvestigingen

des réquisitions de logements

46

Voltooien/finishen

Achever

47

uitzinnig/hysterisch

frénétique

48

blijven / wonen

demeurer

49

ongerust blijven

demeurer inquiet

50

hij heeft in Lyon gewoond

Il a demeuré à Lyon

51

Iemand waarschuwen voor gevaar

avertir ··· d'un danger

52

Iemand meedelen dat er iets gebeurd is

avertir ··· que ··· s'est passé

53

de afwijking

la anomalie

54

de zwaluw

la hirondelle

55

(rond)fladderen/dwarrelen

voltiger

56

de sneeuwvlokken dwarrelen

les flocons de neige voltigent

57

bij tanken (auto)

faire le plein

58

een zware vrachtwagen

un poids-lourd

59

pijnloos

indolore

60

reukloos/geurloos

inodore

61

woestijnvorming/leegloop/ontvolking

la désertification

62

(een) slecht (resultaat)

(un résultat) médiocre

63

betreuren/bekeuren

déplorer

64

een omvang

une envergure

65

de drogisterij

la droguerie

66

een ijzerwinkel/gereedschapswinkel (objecten voor het huis en doe het zelf)

un quincaillerie

67

klein boodschappen doen (3stuks) of shoppen

faire des emplettes

68

toewijden

consacrer

69

tijd wijden aan

consacrer du temps à

70

heet

brûlant(e)

71

luidruchtig

bruyant(e)

72

samenvallend/overeenstemmende (ideeën)

(des idées) coïncidentes

73

het bord is gloeiend heet

l'assiette est brûlante

74

de weiland/het weiden

le prés

75

een open vacature

un poste vacant

76

een obstakel

une embûche

77

omvang/wijdte van

l'ampleur de

78

(een wet) invoeren/grondvesten

instaurer (une loi)

79

Het is ingevoerd door de wet van

c'est instauré par une loi

80

de omvang van een demonstratie

l'ampleur d'une manifestation

81

de wijdte van een kledingstuk

l'ampleur d'un vêtement

82

denkbaar/optie zijn

Être envisageable

83

uitdrukking voor dat de kansen gaan keren

la roue tourne

84

het pleidooi

plaidoyer

85

afschuwelijk/verschrikkelijk (misdaad/geur)

(un crime/une odeur) abominable

86

een kasteeltoren

un donjon

87

verjongen

rajeunir

88

maagd

un puceau/une pucelle

89

moedig/dapper

vaillant

90

ballen

des couilles/testicules

91

seniel zijn

être gâteux

92

het spijt me

je suis navré/ désolé

93

trut

pétasse

94

waarschuwen/verwittigen/inlichten

avertir

95

niet

ne...pas/ ne...point

96

zot (5manieren)

ouf/zinzin/taré/cinglé/dingue

97

een zaklamp

une torche

98

een lelijkerd (vrouw)

un laideron

99

het regent dat het giet

il pleut comme vache qui pisse

100

een auto

une bagnole

101

vergeten ( gebruikt in formele brief)

omettre

102

c'est pas commode

het is niet makkelijk

103

de vrees/grote angst

l'effroi

104

angstwekkend/vreeswekkend

effroyablement

105

het lawaai/de herrie

le vacarme

106

olala wat een lawaai...

olala quel vacarme

107

een voorvader

un aïeul=un ancêtre

108

hartverscheurend/aangerijpend

déchirant(e)

109

wat is dit voor rotzooi?

qu'est-ce que c'est que ce binz