Week 9 Flashcards Preview

Frans > Week 9 > Flashcards

Flashcards in Week 9 Deck (128)
1

in ene kleine kring (iedereen leeft op de zelfde manier, zelfde gewoontes)

en vase clos

2

de overlast/hinder

la nuisance

3

de troeven (avantages/moyen pour réussir)

les atouts

4

gelijk/gelijkaardig

semblable

5

een jurk gelijk aan de jouwe

une robe semblable à la tienne

6

wonen/verblijven

résider

7

Uitvoeren

mettre en oeuvre

8

overschrijden/passeren

dépasser

9

een grens overschrijden

dépasser une limite

10

Een auto passeren

Dépasser une voiture

11

het met iemand kunnen vinden

s'entendre avec

12

goed voorzien (bereikbaarheid en openbaarvervoer)

bien desservi

13

Afspreken/overeenkomen

s'entendre sur

14

Het zolderkamertje

la mansarde

15

de benadeling

la préjudice

16

nadelig/bezwarend

préjudiciable

17

de voedselvoorziening

le ravitaillement

18

een nepvriend

Un faux ami
Une fausse amie

19

het tekort

la pénurie

20

de slavernij

l'esclavage(m.)

21

lui/gemakzuchtig (werkt liever niet)

paresseux
Paresseuse

22

de kastanje

la châtaigne

23

kaal

chauve

24

het washandje

le gant de toilette

25

een leiding

un tuyau

26

een schuimbad

un bain moussant

27

Er is een tegelvloer

Il y a du carrelage

28

Er is een vast tapijt/kamerbreed tapijt

Il y a de la moquette

29

een vitrage (laten daglicht door maar geen inkijk)

des violages

30

de luiken

des volets

31

de rolluiken/ de lamellen

les stores

32

een schilderij/jas ophangen

accrocher un tableau/manteau

33

op de vensterbank
op de vensterbanken

sur le rebord de la fenêtre
sur le rebord des fenêtres

34

een toren/ een torenflat

un tour

35

een huurcontract

un bail

36

de kosten

les charges

37

een groot salon

un vaste salon

38

een aangrenzende keuken

une cuisine adjacente

39

ontspannen/relaxed zijn

être détendu(e)

40

een uitklapbaar bed

un clic-clac

41

ontspannen

détendre

42

een voorraadkast

un placard

43

de schoonmaakmiddelen (ook afwasblokjes)

des produits d'entretien

44

de droge voedingsmiddelen

les aliments sec

45

de gasketel

la chaudière à gaz

46

de verhuurder

le bailleur

47

het behoud/onderhoud

le maintien

48

kapot

défecteux
défecteuse

49

buiten gebruik zijn

être hors d'usage

50

de offerte

le devis

51

aanmanen tot

mettre en demeure

52

behouden

maintenir

53

bemiddelend/ coöperatief/toeschietelijk (veel slikken en niets zeggen)

conciliant

54

Wij zijn goed geweest

nous avons beau être des locataires conciliants

55

kwaadwillig

malveillante

56

welwillend

bienveillante

57

oppassen voor/wantrouwen

se méfier

58

krioelen/wemelen

fourmiller

59

de koorden

les ficelles

60

oplossing hebben

avoir des ficelles

61

het doelwit

la cible

62

een mier

une fourmi

63

inschenken/betalen

verser

64

een uitbetaling (in delen betalen)

un versement

65

Hij heeft zich een drankje ingeschonken

il s'est versé à boire

66

iemand iets inschenken

verser à boire à..

67

geld storten op een rekening

verser de l'argent sur un compte

68

een persoon die van zich zelf houdt

une personne qui s'aime elle-même

69

een driekamers (appartement/huis)

F3

70

de inrichting van het appartement

la disposition de l'appartement

71

de oppervlakte (van een huis)

la superficie

72

een kaartenhuisje (fragiel)

un château de cartes

73

een kurkentrekker

un tire-bouchon

74

een handdoekenrek

un porte-serviette

75

een blikopener

un ouvre-boîte

76

een kluis

un coffre-fort

77

een nagelknipper

un coup-ongles

78

een onderlegger

un dessous de table

79

een kookpot

une casserole

80

een pan

une poêle

81

een polleppel

une louche

82

Het slabestek

les couverts à salade

83

een kaasrasp

une râpe à fromage

84

een snijplank

une planche à découper

85

een vergiet

une passoire

86

een klopper

un fouet

87

een houtenlepel

un cuillère en boit

88

een aantrekkelijke vrouw

une femme attrayante

89

hipster/yuppies

des bobos

90

ongezond

insalubre

91

een ongezond klimaat

un climat insalubre

92

de assen

les cendres

93

omkopen

corrompre

94

niet omkoopbaar zijn

être incorruptible

95

schoon schip maken

faire table rase

96

de neergang/het verval

le déclin

97

de val van het Romeinse Rijk.

le déclin de l'Empire romain

98

de (straat)stenen

les pavés

99

de gevel

la façade

100

het fietspad

la piste cyclable

101

onomkeerbaar

irréversible

102

onoplosbaar

insoluble

103

verouderd

vétuste

104

de vervanging van verouderd en afgedankt meubilair

le remplacement de mobilier vétuste et hors d'usage

105

de boormachine

la perceuse

106

de gereedschap

l'outil

107

een huurder/huurster

un locataire

108

iedere maand zijn huur betalen

payer son loyer tous les mois

109

een matige huur

un loyer modéré

110

de eigenaar van het pand

le propriétaire de l'immeuble

111

vuil en in slechte staat zijn

être sale et en mauvais état

112

installeren van de centrale verwarming

installer le chauffage central

113

tweede woning/verblijfplaats

la résidence secondaire

114

zijn jas aan de kapstok hangen

pendre son manteau au portemanteau

115

De veroordeelde is opgehangen

Le condamné a été pendu.

116

ophangen

pendre

117

zijn oud appartement verlaten

quitter son ancien appartement

118

een donkere, piepklein en luidruchtig appartement

un appartement sombre, minuscule et bruyant

119

een groter, helemaal nieuw en zonnig; die uitkomt op een rustige straat

un appartement plus grand, tout neuf et ensoleillé, qui donne sur une rue calme

120

een zonnige dag

une journée ensoleillée

121

uitzien op iets/uitkomen op iets

donner sur

122

uitzien op zee

donner sur la mer

123

Deze deur komt uit op de straat.

Cette porte donne sur la rue.

124

expression d'être désagréable, très peu aimable

aimable comme une porte de prison

125

Elke keer als ik haar een geheim vertel, gaat ze het van de daken schreeuwen

Chaque fois que je lui dis un secret, elle va le 'crier sur les toits'

126

een groot leugen (duidelijk/geen twijfel over dat het een leugen is)

un mensonge 'gros comme une maison'

127

Zoiets heb je toch meteen door?

C'est gros comme une maison?

129

ik ben lui/ ik heb geen zin (om)

j'ai la flemme (de)