Week 7 Flashcards Preview

Frans > Week 7 > Flashcards

Flashcards in Week 7 Deck (424)
1

de enkel

la cheville

2

zijn enkel verzwikken

se fouler la cheville

3

de haren afscheren

raser les poils

4

een haar

un poil

5

naakt zijn

être à poil

6

ik wil er naakt goed uitzien

je veux être beau à poil

7

een grote boezem

une grosse poitrine

8

kringen onder de ogen

la cernes

9

een gerimpeld gezicht

un visage ridé

10

de kin

le menton

11

het voorhoofd

le front

12

de hals

le cou

13

de knie

le genou

14

de elleboog

le coude

15

de pols

le poignet

16

de onderarm

l'avant-bras

17

de wenkbrauw

le sourcil

18

de wimper

le cil

19

de navel

le nombril

20

de billen

les fesses

21

het gezicht

le visage

22

het bovenbeen

la cuisse

23

de kuit

le mollet

24

de hiel

le talon

25

het haar (één)

le poil

26

bovenlichaam/borst (van een man)

le torso

27

de borstkas/boezem (vrouw)

la poitrine

28

de borsten

les seins

29

de beha (familier)

le soutif

30

de huid

le peau

31

de nagel

le ongle

32

de handpalm

la paume

33

de adamsappel

la pomme d'adam

34

de moedervlek

la grain de beauté

35

de sproet

la tâche de rousseur

36

de duim

le pouce

37

de kringen onder de ogen

la cernes

38

de rimpels

les rides

39

de tenen

les orteils

40

de achterkant van de nek

la nuque

41

de heup

la hanche

42

de tepel

le téton

43

de achillespees

le tendon d'Achille

44

de pees

le tendon

45

plotseling

soudain

46

plotseling wist ik niets meer

soudain, je savais rien

47

Ik laat je iets weten/ik hou je op de hoogte

Je te tiens au courant

48

een vonk

une étincelle

49

een geniale inval hebben

avoir une étincelle de génie

50

de meter

la marraine

51

de peter

le parain

52

het petekind (twee opties)

le filleul
la filleule

53

opsluiten

séquestrer

54

tegenspreken

contredire

55

het vasten/de hongerkuur

le jeûne

56

absurd/zwakzinnig

aberrante

57

hypochonder (iemand die denkt dat hij alle ziektes heeft)

hypocondriaque

58

wegdoen/afraken van iemand/iets

se débarrasser de quelqu'un/quelque chose

59

Dit is de beste manier om van haar af te komen.

C'est le meilleur moyen de se débarrasser d'elle.

60

de zonsopgang

l'aube

61

dwingend vragen/protesteren

réclamer

62

Hij vraagt dringend om een factuur.

Il réclame une facture.

63

een uitdaging

un défi

64

het onheil/het kwaad

le méfait

65

pleiten voor/aandringen

prôner

66

herstellen/beteren/helen/leven verbeteren

rétablir

67

het beenmerg

la moelle

68

een lekker ding
een mooie jongen/meisje

un canon

69

knap zijn

être canon

70

de gezonde mensen

les bien-portants

71

genezen

guérir

72

naarvoren brengen/opschieten met

avancer

73

een hypothese naarvoren brengen

avancer une hypothèse

74

opschieten met een werk

avancer un travail

75

verbazingwekkend/verwonderlijk/buitengewoon

prodigieux/prodigieuse

76

ontgiften

détoxifier

77

zuiveren

purifier

78

aanbevelen/aanraden

préconiser

79

de schade

le dégât

80

De storm heeft schade veroorzaakt.

La tempête a causé des dégâts

81

de geluidshinder

la nuissance sonore (v)

82

orgaanvlees

les abats

83

vasten/niet eten

jeûner

84

topsporters

des sportifs de haut niveau

85

een atleet

un(e) athlète

86

de genezing

la guérison

87

uitgesloten/geen optie!!

hors de question

88

de pijn/verdriet

la douleur

89

zijn verdriet te boven komen

surmonter sa douleur

90

inslikken

avaler

91

zich verslikken

avaler de travers

92

zwijgen

avaler sa langue

93

door de zure appel heen bijten

avaler la pilule

94

kauwen

mâcher

95

de namaak

le toc

96

een pijnstiller

un anti-douleur
un analgésique

97

onbewust

inconsciemment

98

geloofwaardig/logisch/aannemelijk

crédile

99

de verzadiging

la satiété

100

afvallen

perdre du poids

101

ik wil afvallen

je veux perdre du poids

102

verminderde eetlust hebben

avoir moins d'appétit

103

veel honger hebben

avoir beaucoup d'appétit

104

slikken

avaler

105

kauwen

mâcher

106

de namaak

le toc

107

een OCD (obsessieve-compulsieve stoornis)
een dwangneurose

un TOC (Trouble obsessionnel compulsif)

108

de afkorting

l'abréviation

109

Gewoon een film aan het kijken.

Juste en train de regarder un film.

110

ik ben naar een film aan het kijken.

Je suis au milieu d'un film.

111

Ja, dat zullen we nog wel zien.

Oui, c'est ce qu'on verra.

112

Oke, ik zal erover nadenken.

OK, je vais y penser/réfléchir

113

Kinderachtig/onvolwassen

puérile

114

Opvullen/overstelpen/bevredigen

Combler

115


 een tekort aanvullen

combler un manque

116

iemand overstelpen met cadeaus

combler ··· de cadeaux

117

iemands wensen vervullen

combler les désirs

118

Een vrouw behagen

Combler une femme

119

je zal de mijne worden.

tu seras à moi.

120

je zal de mijne worden.

tu seras à moi.

121

Droomzacht

Faites de beaux rêves

122

Slim

Malin/Maligne

123

Dat kan niet waar zijn

Ça ne peut pas être vrai
C'est impossible

124

Het is moeilijk te geloven dat

J'ai du mal à croire que

125

verspillen/verknoeien

gâcher

126

zijn geld verspillen

gâcher son argent

127

zijn kansen verknoeien

gâcher ses chances

128

Door het slechte weer is het feest in het water gevallen.

Le mauvais temps a gâché la fête.

129

door een rood licht rijden

brûler un feu rouge

130

Het ruikt hier verbrand

Ça sent le brûlé

131

Je hangt me de keel uit met je gevraag!

Tu me gonfles avec tes questions !

132

een buil op zijn voorhoofd hebben

avoir une bosse au front

133

smerig

dégueulasse

134

wat hij gezegd heeft, is smerig

Ce qu'il t'a dit est dégueulasse

135

een tekst uit het hoofd kennen

connaître un texte par coeur

136

een blauwe plek

un blue

137

Hoelang is het geleden?

ça fait combien de temps?

138

krabben

griffer

139

De kat heeft hem gekrabd.

Le chat l'a griffé.

140

omgeven/omringen

s'entourer

141

de tactiek

le stratagème

142

een medicijn

un médicament

143

zijn welzijn

son bien-être

144

beperken/indijken/limiteren

endiguer

145

blind

aveugle

146

ik heb een tafel laten maken

je fais faire un table

147

krabben

griffer

148

transplanteren

greffer

149

de angst

l'angoisse

150

angstig zijn

être angoissé(e)

151

terugwerkende kracht

effet rétroactif

152

terugwerkend

rétroactif/rétroactive

153

Hij is bang voor zijn baas.

Il redoute son chef.

154

Ik vrees te moeten vertrekken.

Je redoute de devoir partir.

155

vrezen/niet kunnen verdragen

craindre

156

Wees nergens bang voor.

Ne craignez rien.

157

Deze plant kan niet tegen kou.

Cette plante craint le froid.

158

een diepvriesgerecht

un plat surgelé

159

ingevroren

surgelé

160

Zijn scheiding heeft hem ertoe gebracht te verhuizen.

Son divorce l'a amené à déménager.

161

Hij maakt me dol!

Il m'exaspère!

162

verhelpen

remédier

163

een slaapmiddel

le somnifère

164

heel gespannen zijn/snel geïrriteerd

avoir les nerfs à fleur de peau

165

uitgeput/doodmoe zijn(fam)

être crevé

166

een klopje hebben(fam)

avoir un coup de barre

167

dik/weldoorvoed

bien en chair

168

het kippenvel

la chair de poule

169

slaapproblemen hebben

avoir des insomnies

170

een vaste/lichte slaap

un sommeil lourd/léger

171

een diepe slaap

un sommeil profond

172

het minste geluid

le moindre bruit

173

gaan slapen

aller dans les bras de Morphée

174

een kruidenthee

une tisane/une infusion

175

een muntthee

un thé à la menthe

176

een kalmeringsmiddel

un sédatif léger

177

verbieden/bannen

proscrire

178

men moet pepmiddelen in de avond bannen

on doit proscrire les excitants en soirée

179

melk (adj)

lacté

180

een melkproduct

un produit lacté

181

een internetgebruiker

l'internaute

182

de pepmiddelen

les excitants

183

hij snuit zijn neus

il se mouche

184

de koorts/grip hebben

avoir la fièvre/la grippe

185

hoesten

tousser

186

een verstopte neus

le nez bouché

187

de keel die pikt

la gorge qui pique

188

een snotneus hebben

avoir le nez qui coule

189

kleed je warm aan/bedek je goed

couvrez-vous bien

190

moeite hebben met ademen

avoir des difficultés à respirer

191

hoofdpijn hebben (twee opties)

avoir mal à la tête
avoir mal au crâne (fam)

192

een zware verkoudheid hebben (twee opties)

avoir un gros rhume
avoir la crève (fam)

193

leiden aan slaaploosheid/krampen

souffre d'insomnies
souffre de crampes

194

spijsverterings-/ademhalingsproblemen hebben

avoir des problèmes de digestion/respiration

195

zich verzwakt/koortsachtig voelen

se sentir affaibli/fièvreux

196

ik voel me zwak

je me sens faible

197

het brand

ça me brûle

198

Pak vast, mijn handen verbranden

Tiens, comme ça me brûle les mains

199

mijn ogen gaan er van branden.

ça me pique les yeux

200

ik heb een stekende pijn in mijn kuit

ça me lance dans le mollet

201

de kramp

la crampe

202

kramp in je buik hebben

avoir des crampes à l'estomac

203

het jeukt verschrikkelijk

ça me démange beaucoup

204

de krampaanval

la attaque de crampes

205

het is opgezwollen

c'est enflé

206

het is opgezwollen/opgeblazen (erger dan enflé)

c'est gonflé

207

het is geïnfecteerd

c'est infecté

208

jeuk hebben

avoir une démangeaison

209

je hebt opgezwollen ogen

tu as des yeux enflés

210

een ballon oppompen

gonfler un ballon

211

een opgezwollen buik

un ventre gonflé

212

een bobbel/bult hebben

avoir une boule

213

verdikking/knobbeltje/ gezwel

avoir une grosseur

214

rode huidvlekken hebben

avoir des rougeurs de la peau

215

het blozen

la rougeur

216

een buil/een bochel/hobbel

une bosse

217

de bulten van een kameel

les bosses du chameau

218

de hobbels op de weg vermijden

éviter les bosses sur la route

219

ik ween bij de minste tegenwind

je pleure à la moindre contrariété

220

wispelturig (kind)

un enfant capricieux

221

de grootte van een vrucht

la grosseur d'un fruit

222

een bevlieging/driftbui

un caprice

223

een kwaadaardig gezwel in je darmen

une tumeur maligne des intestins

224

angsten/ slaapproblemen hebben

avoir des angoisses/des insomnies

225

opvliegingen hebben

avoir des bouffées de chaleur

226

hartkloppingen hebben

avoir des palpitations

227

zich misselijk voelen

avoir la nausée

228

puistjes hebben

avoir des boutons

229

overgeven (drie mogelijkheden)

vomir
dégueuler (fam)
gerber (fam)

230

misselijk zijn

avoir mal au coeur

231

pijn hebben aan het hart

avoir des douleurs cardiaques

232

u kunt beter

vous feriez mieux de + inf

233

het zou beter zijn dat

il vaudrait mieux que

234

laten we

vous n'avez qu'à
on n'a qu'à

235

je moet/het is absoluut noodzakelijk

il est impératif

236

rust nemen

prendre du repos

237

belang hebben bij

avoir intérêt à

238

het zou de moeite waard zijn

cela vaudrait la peine de/que

239

de moeite waard

valoir la peine

240

Het is de moeite waard

ça vaut la peine

241

teveel pijn hebben

avoir trop de peine

242

de behandeling volgen

suivre ce traitement

243

een recept (wat je afgeeft in de apotheek)

une ordonnance

244

een geneeskundige verklaring (afwezigheid voor school/sport)

un certificat médical

245

een arbeidsverzuim (document van dokter dat je niet kan werken)

un arrêt de travail

246

naar spoedgevallen gaan

aller aux urgences

247

verzachten

atténuer (la force)

248

zeuren

râler

249

zachte heelmeester, stinkende wonden (je pest iemand omdat je om haar geeft)

qui aime bien, châtie bien

250

opwindend

excitant(e)

251

de doping

le dopage

252

doping gebruiken

se doper

253

de valsspelerij

la tricherie

254

ertoe brengen om iets te doen

amener à faire quelque chose

255

de beproeving/tentamen

l'épreuve

256

Oké, laten we maar bestellen.

OK, on n'a qu'à commander.

257

Oké, dus laten we Claudia gewoon bellen en...

OK, on n'a qu'à appeler Claudia et...

258

concurreren

rivaliser

259

afschrikkend

dissuasif

260

gebrek aan bewijs

faute de preuve

261

een implantaat

un implant

262

het me het strot uit als/ het irriteert me

ça m'exaspère

263

verheugen/lachen uit leedvermaak

jubiler

264

slank/dun

mince

265

het doet me plezier

ça me fait plaisir

266

het begint irritant te worden/ik word er gek van

ça m'agacé

267

gekwetst zijn (heel vaak gebruikt)

être vexé(e)

268

het is onbegrijpelijk/ondenkbaar

c'est inconcevable

269

de eigenwaarde/zelfrespect

l'amour-propre(m.)

270

fierheid

amour propre

271

opgelucht zijn

être soulagé(e)

272

op kop liggen

être en tête de

273

dik/ zwaar zijn (twee mogelijkheden)

être corpulent(e)
être épaisse

274

zo dun als een sprietje

c'est un fil de fer

275

knokig/skeletachtig zijn

être squelettique

276

een beetje gezet/zwaarlijvig zijn

avoir un peu d'embonpoint

277

vel over been zijn

n'avoir que la peau sur les os

278

overgewicht hebben (heel dik)

être en surpoids

279

mooie love handles hebben

avoir de belles poignées d'amour

280

een dikke buik hebben

avoir du ventre

281

vlezig/rondborstig zijn (sexy)

être pulpeuse

282

de zool

la semelle

283

de buikspieren

les abdominaux

284

hij krijgt een buik

il prend du ventre

285

dat zijn 2 handen op een buik

ce sont deux têtes sous un bonnet

286

er de buik vol van hebben

en avoir ras le bol

287

(plat) op de buik liggen

être à plat ventre

288

de oogarts

l'ophtalmo(logiste)

289

de neuroloog

la neurologue

290

de longen

les poumons

291

de nieren

les reins(m)

292

de cardioloog

le cardiologue

293

de dermatoloog

la dermato(logue)

294

de orthodontist

l'orthophoniste

295

de tandarts

le dentiste

296

de gewrichten

les articulations

297

uit deze studie naar voorkomen

se dégager (de cette étude)

298

tendensen/trends

des tendances

299

de oprechtheid/eerlijkheid

le sincérité

300

voorzien zijn van

être muni de

301

een bloedtransfusie

une transfusion sanguine

302

bloed (adj)

sanguin(e)

303

Misschien/er is een kans dat

Il se peut que

304

Maar misschien krijg ik een nieuwe baan.

Mais il se peut que j'obtienne un nouveau job.

305

Maar ik ga misschien eerder naar huis, als ik weer misselijk word.

Mais il se peut que je parte plus tôt si les nausées reviennent.

306

pijnloos (zijn)

(être) indolore

307

een pijnloze prik

une piqûre indolore

308

pijn doen

faire mal

309

dat doet geen pijn

ça ne fait pas mal

310

waar heb je pijn?

où est-ce que vous avez mal?

311

zich pijn doen aan

se faire mal à

312

Hoe heb je jou pijn gedaan

comment est-ce que vous vous faites mal?
comment est-ce que tu te fais mal?

313

Nee ik heb me geen pijn gedaan

non, je ne me suis pas fait mal

314

pijnlijk (adj)

douloureux/douloureuse

315

een pijnlijke knie

un genou douloureux

316

een pijnlijke val

une chute douloureuse

317

het (menselijk) lijden/het leed

la souffrance (humaine)

318

groot leed ondervinden

éprouver une grande souffrance

319

dat laat me koud

cela me laisse froid

320

het is verschrikkelijk koud

il fait un froid de loup

321

een felle/hevige/harde pijn

une douleur aiguë

322

een uitstralende/verspreide pijn

une douleur diffus

323

vallen (twee mogelijkheden)

tomber
faire une chute

324

hij is van zijn paard gevallen (twee mogelijkheden)

il a fait une chute de cheval
il est tombé de cheval

325

botsen/stoten

se cogner

326

op de deur kloppen

cogner à la porte

327

ze heeft haar arm gestoten en nu heeft ze blauwplekken op haar arm

Elle s'est cogné le bras et maintenant elle a des bleus au bras

328

een kneuzing

une contusion

329

de hersenschudding

la commotion cérébrale

330

zijn enkel verzwikken/verstuiken

se tordre la cheville
se faire une entorse à la cheville

331

iets breken

se casser quelque chose

332

een gebroken been hebben

avoir une fracture de la jambe

333

een gips hebben

avoir un plâtre

334

Ze heeft haar been gebroken tijdens het skiën.

Elle s'est cassé la jambe en faisant du ski.

335

Het bord is in tweeën gebroken.

L'assiette s'est cassée en deux.

336

zich snijden

se couper

337

een snede hebben

avoir une coupure

338

een verband aanbrengen bij iemand

faire un pansement à ···

339

gestoken worden door een mug

se faire piquer par un moustique

340

in een appel bijten

mordre dans une pomme

341

gebeten worden door een hond

se faire mordre par un chien

342

dat klein meisje is gebeten door een hond

la petite fille s'est fait mordre par un chien

343

ongedeerd zijn

être indemne

344

ongedeerd zijn na een ongeluk

sortir indemne d'un accident

345

zich verwonden

se blesser

346

een blessure/wond

une blessure

347

gewond zijn

être blessé(e)

348

niet slapen

être insomniaque

349

een slapeloze nacht doormaken

passer une nuit blanche

350

een nachtmerrie hebben

faire un cauchemar

351

ziek worden

tomber malade

352

kou vatten

attraper froid

353

verkouden worden/kou vatten

attraper un rhume

354

de hoest (heeft haar verhinderd om te slapen)

la toux (l'a empêché de dormir)

355

moeite hebben om te ademen

avoir du mal à respirer

356

een nies

un éternuement

357

ze heeft 39 graden koorts

elle a de 39 degrés de fièvre

358

een flinke koorts (heel erg)

une fièvre de cheval

359

zeeziek zijn

avoir le mal de mer

360

slecht verteren

mal digéré

361

Ik verteer sommige voedingsmiddelen slecht.
verteren

Je digère mal certains aliments.
digérer

362

ziek zijn als een hond

avoir malade comme un chien

363

ze is zo ziek geweest als een hond

elle a été malade comme un chien

364

slecht verteerd hebben

avoir mal digéré

365

een zenuwinzinking hebben

faire une crise de nerfs

366

sterven aan een hartaanval (twee mogelijkheden)

mourir d'une crise cardiaque
mourir d'un infarctus

367

duizelig zijn

avoir des vertiges

368

hoogtevrees hebben

avoir le vertige

369

het bewustzijnverliezen

perdre connaissance

370

een duizeling/een zwijmel

un vertige

371

flauwvallen (twee mogelijkheden)

s'évanouir
tomber dans les pommes

372

een baby krijgen

attendre un bébé

373

de zwangerschap

la grossesse

374

de borst geven (twee mogelijkheden)

allaiter
nourrir au sein

375

voeden met de fles

nourrir au biberon

376

Hij geeft zijn zoon de fles.

Il donne le biberon à son fils.

377

de consultatie

la consultation

378

een zieke ausculteren

ausculter un malade

379

iemand de pols voelen

prendre le pouls

380

de bloeddruk nemen

prendre la tension

381

een diagnose doen

faire un diagnostic

382

medicijnen voorschrijven

présérie des médicaments

383

een bloedafname

une prise du sang

384

een longfoto maken
(een röntgenfoto)

faire une radio des poumons
(une radio)

385

het voorschrift

le prescription

386

de voorschriften van de dokter volgen

suivre les prescriptions du médecin

387

iemand een spuit geven

faire une piqûre à

388

de patiënt in behandeling

le patient sous le traitement

389

zich laten opereren door een chirurg

se faire opérer par un chirurgien

390

een operatie ondergaan

subir une opération

391

opgenomen in het ziekenhuis

être hospitalisé

392

een gaatje (in de tand)

une carrie

393

een zilveren/gouden kroon laten zetten op een tand

mettre une couronne en argent/or usur une dent

394

een tand uittrekken/wegnemen

arracher/enlever une dent

395

een siroop

un sirop

396

een hoestpastille

une pastille contre la toux

397

een antibiotica

un antibiotique

398

een anti-inflammatoir/een ontstekingsremmende

un anti-inflammatoire

399

anti-depressiva

un antidépresseur

400

oogdruppels

un collyre

401

een crème

une pommade

402

een aspirine

un comprimé d'aspirine

403

een capsule/een pil

une gélule/un cachet

404

een zetpil

un suppositoire

405

een tape

du sparadrap

406

een condoom

un préservatif

407

een (injectie)spuit

une seringue

408

een pleister

un pansement

409

verpakking (van een pleister)

un sachet

410

de watten

de l'ouate
du coton

411

de alcohol van 90graden

de l'alcool à 90degrés

412

een ontstekingsremmende zalf

une pommade anti-inflammatoire

413

het gaat om, er is sprake van

Il s'agit de

414

Zich schuldig voelen dat

Culpabiliser de
Se sentir coupable

415

Het Schuld gevoel

La culpabilité

416

Zich zelf de schuld geven

Se culpabiliser

417

Op stang jagen/kwaad maken

Emmerder

418

Ze doet dit enkel om me kwaad te maken.

Elle fait ça pour m'emmerder.

419

de kinderen

des mômes

420

In diepe slaap gedompeld zijn

être plongé dans le sommeil

421

Dat is onzin

ça ne tient pas debout

422

gesloten zijn

Être clos/close

423

Dit gedeelte van het debat is gesloten.

Cette partie du débat est close.

424

Aan u de eer, mijn vriend

À toi l'honneur, mon ami.