week 2 Flashcards Preview

Frans > week 2 > Flashcards

Flashcards in week 2 Deck (226)
Loading flashcards...
1

een tovenaar (twee mogelijkheden)

un magicien
un sourcier

2

een toverstok

une baguette magique

3

verwend

gaté(e)

4

springen (twee mogelijkheden)

plonger
faire la plongée

5

de jaren 80

les années 80

6

oud/niet meer van deze tijd

dépassé

7

het is beter dat

c'est mieux si

8

omgekeerd, tegenovergesteld

en revanche

9

proberen opnieuw in conditie te komen

essayer de le devenir à nouveau

10

opnieuw

à nouveau

11

een muur uit glas

la paroi de verre

12

waard zijn om een omweg te maken

valoir le détour

13

waard zijn een kijkje te nemen

valoir le coup d'oeil

14

een groot raam/schuifdeur

une baie vitrée

15

ten opzichte van/over/ten aanzien/wat betreft

quant à

16

hij is naar buiten gegaan om een toer te maken, wat haar betreft, zij is thuis gebleven

il est sorti faire un tour quant à elle, elle est restée à la maison

17

waardevol/verdienstelijk (adj)

mérité

18

een waardevolle werkman

une salaire méritée

19

Dat heb je verdiend

Ça tu l'as mérité

20

verdiend hebben/toekomen

mériter

21

beperkt (adj)

restreint(e)

22

goed tot zijn recht laten komen

mettre en valeur

23

te weinig/onvoldoende (adverbe)

insuffisamment

24

ze was onvoldoende gemotiveerd

elle était insuffisamment motivée

25

gemengd (adj)

mitigé(e)

26

de meningen zijn gemengd

Les opinions sont mitigées

27

blind zijn

être aveugle

28

een raad/advies

un conseil

29

futloos/zonder energie/lamlendig/zweterig

mou/molle

30

geschokt/versteld

bouleversé