Week 8 Flashcards Preview

Frans > Week 8 > Flashcards

Flashcards in Week 8 Deck (227)
1

Als ik te laat aankom, blijf dan heel ontwijkend/vaag

Si j'arrive trop tard, restez le plus évasif possible.

2

Leg het mij uit in je eigen woorden/op jouw manier

Expliquez-moi à votre façon

3

Maar u hebt mij gevraagd om in mijn eigen woorden te antwoorden.

Mais vous m'avez demandé de répondre avec mes propres mots.

4

we doen het op mijn manier.

On fait à ma façon.

5

Maar laat me het op mijn manier doen.

Mais laissez-moi le faire à ma façon.

6

Ontwijkend/ vaag

évasif/évasive

7

Wegwezen! Ga weg!

Dégage

8

Ja, Ik wacht, dank u wel.

Oui, je patiente, merci.

9

Je mag hem niet eens, wat kan het jou schelen?!

Tu l'aimes même pas. Qu'est-ce que ça peut te foutre ?

10

-maak dan dat je wegkomt!
-rot op/verdwijn uit mijn ogen

-Barrez-vous
-Casse toi

11

Vrijen

Baiser

12

Hij gaat ervandoor/hij ontsnapt

Il se barre

13

losmaken

détacher

14

aan boord gaan (vliegtuig, boot)/inschepen/pikken

Embarquer

15

De passagiers gaan aan boord gaan

Les passagers vont embarquer.

16

passagiers inschepen goederen inladen

embarquer des passagers/des marchandises

17

Hij heeft mijn pen gepikt

Il a embarqué mon stylo

18

Het vliegtuig vertrekt/stijgt op om 12 uur.

L'avion décolle à 12 h.

19

in de fleur van zijn leven

à la fleur de l'âge

20

Ik lig in de zetel/ ik zit in de zetel

Je m'allonge sur le canapé/ je suis assis(e) sur le canapé

21

Een voetenbankje

Un repose-pied

22

het diner van gisteren eten

Manger le dîner de la veille.

22

Ik ben niet op de hoogte

Je ne suis pas au courant

23

wat doe je in hemelsnaam?
wat ben je verdomme aan het doen?

Qu'est-ce que vous foutez?!

24

Hij is knock-out geslagen

Il a été assommé

25

Ik heb geprobeerd het haar uit te leggen.
Ik heb geprobeerd haar te bellen.

J'ai tenté de lui expliquer.
J'ai tenté de l'appeler

26

Ik heb hem vermoord (twee mogelijkheden)

Je l'ai tué
je l'ai buté (un peu vulgaire)

27

plantaardige geneesmiddelen gebruiken

se soigner avec des plantes

28

zich tot een arts wenden

avoir recours à un médecin

30

gerechtelijke stappen ondernemen

avoir recours à la justice

31

zijn verdomd dagelijkse leven

sa foutue vie quotidienne

32

de verteller

le narrateur

33

de afwijzing/afstoting

le rejet

34

afkeuring (adj)

réprobateur

35

dat is verschrikkelijk

quelle horreur

36

Zich verzorgen

se soigner

37

genezen zijn

être guéri(e)

38

zich beter/minderwaardig voelen

avoir un sentiment de supériorité/d'infériorité

39

zich superieur voelen dan iemand

se sentir supérieur à quelqu'un

40

verbaasd (adverbe)

étonnement

41

de levenswijze/stijl

le mode de vie

42

zich tot iemand wenden, zijn toevlucht nemen tot iets

avoir recours à

43

breder/ruimer maken
vergroten

élargir

44

men telt..

on dénombre

45

een monster/een staal

un échantillon

46

een parfumstaaltje

un échantillon de parfum

47

een overzicht van (de situatie)

un aperçu de (la situation)

48

de afkeurende blik

un regard réprobateur.

49

de roddels, roddelrubriek

les potins

50

de droogte

la sécheresse

51

een vertekend beeld

une image déformée

52

het sedentarisme/vaste verblijfplaats

la sédentarité

53

afschaffen

abolir

54

de afschaffing

l'abolition

55

een van (paarden)

un van

56

een zonnewijzer

un cadran solaire

57

kruimels

des miettes

58

het perceel

une parcelle

59

zich uitwijken naar een ander land

s'expatrier

60

hij liegt altijd

il ment comme il respire

61

verslaafd zijn (twee opties)

être accro à (fam)
être dépendant à

62

elders

ailleurs

63

de verzadiging

la saturation

64

de armoede

la pauvreté

65

de wals

la valse

66

de landloper

le vagabond

67

het van iemand overnemen

prendre le relais de

68

een verslaafde

une accro

69

een mutatie/verandering/overplaatsing

une mutation

70

de verdienste, pluspunt, verdienstelijkheid

le mérite

71

een nadeel

un inconvénient

72

een troep

une troupe

73

de alomtegenwoordigheid

l'ubiquité

74

ik kan niet op twee plaatsen te gelijk zijn

je n'ai pas le don d'ubiquité

75

een reis (maar met moeilijkheden)

un périple

76

drukken/steunen

appuyer

77

de hoofdplaats van een departement

la préfecture

78

*

étoile

79

#

dièse

80

overplaatsing aanvragen

demander sa mutation

81

op een knop drukken

appuyer sur un bouton

82

zijn hoofd tegen de rugleuning laten rusten

appuyer sa tête contre le dossier

83

zijn kandidatuur steunen

appuyer sa candidature

84

een getuigenis

une témoignage

85

een enquete/ onderzoek(politie)

une enquête

86

een onderzoek leiden

mener une enquête

87

uitzetten

expulser

88

een huurder eruit zetten

expulser un locataire

89

iemand uit een land zetten/uitwijzen

expulser ··· d'un pays

90

het doorzettingsvermogen/ vastberadenheid

la ténacité

91

een aanhoudende pijn

une douleur tenace

92

koppig/hardnekkig

tenace

93

slagen/bereiken

parvenir à

94

ik heb een paar dingen gevonden door te gokken

j'ai trouvé des truc au pif

95

vermelde/geformuleerd

énoncé(e)

96

Hij is erg dom.

Il est d'une grande bêtise.

97

een steun

un appui

98

bekend/beroemd

réputé(e)

99

de gastvrijheid

l'hospitalité (m.)

100

gehecht zijn aan

être attaché à

101

uitgeleverd worden (naar uw eigen land)

être extradé

102

uitleveren (naar uw eigen land)

extrader

103

plegen

commettre

104

vragen/verzoeken (formeel)

solliciter

105

zich kandidaat stellen voor een functie

poser sa candidature à un poste

106

behoorlijk/goed/naar behoren (formeel)

dûment

107

de regels formuleren

énoncer les règles

108

Het ontbreken van deze informatie wordt naar behoren gemotiveerd.

L'absence de ces considérations est dûment justifiée.

109

bijgevoegde

ci-joint

110

toeschouwen/bekijken voor lange tijd/observeren

contempler

111

onafhankelijk worden/zijn vleugels strekken

voler de mes propres ailes

112

wegvliegen

s'envoler

113

(het vaakst) gebruikt

(le plus) usité

114

zo/zoveel

si/tellement

115

de mist

le brouillard

116

een massa van/ een menigte

la foule de

117

een behoefte/trek/zin om

une envie de

118

ontslaan (twee mogelijkheden)

virer/licencier

119

verlaten

quitter

120

ontslag nemen

démissionner

121

beu

saôulant

122

gaan varen/de openzee opgaan

prendre le large

123

zijn vrouw verlaten

quitter sa femme

124

zijn land van herkomst verlaten

quitter son pays d'origine

125

Ze heeft zoveel bang gehad dat ze nog trilt.

Elle a eu tellement peur qu'elle tremble encore.

126

ik vond het tijd dat ik op eigen benen kwam te staan

il était temps pour moi de voler de mes propres ailes.

127

Ik bracht mijn dagen door boten te observeren/aanschouwen

je passais mes journées à contempler les bateaux.

128

bijgaand het formulier

le formulaire ci-joint

129

een doel (twee mogelijkheden)

un but
une fin

130

een doel bereiken (tweemogelijkheden)

arriver/parvenir à ses fins

131

goal/doelpunt!!

But!!

132

de keeper/een doelman

un gardien de but

133

de goal/het doel

la cage

134

de aankomende zomer (twee mogelijkheden)

l'été qui vient
l'été qui approche

135

een obsessie/nooit aflatende angst

une hantise

136

de nooit aflatende angst voor de dood

la hantise de la mort

137

een behekst huis

une maison hantée

138

precies/gedetailleerd

minutieusement

139

maximaal profiteren van

profiter au maximum de

140

in ballingschap

en exil

141

repatriëren/ naar het vaderland doen terugkeren

rapatrier

142

verplaatsen

délocaliser

143

een staatloze

un apatride

144

het asielrecht/ het recht op asiel

le droit d'asile

145

illegaal de grens oversteken

traverser clandestinement la frontière

146

de woede/ de hondsdolheid

la rage

147

woeden

faire rage

148

de oorlog woedt om me heen

la guerre fait rage autour de moi

149

De storm woedt.

La tempête fait rage.

150

een bittere vrucht

un fruit amer

151

een staaf

une barre

152

een ijzeren staaf

une barre de fer

153

een reep chocolade

une barre de chocolat

154

cijfers scheiden door een schuine streep

séparer des chiffres par une barre oblique

155

een stuwdam

un barrage

156

een (politie)versperring

un barrage (de police)

157

op zich laten wachten

tarder

158

(een) lenige (acrobaat)

(un acrobate) agile

159

de boon

le haricot

160

Hij heeft er te lang over gedaan een besluit te nemen

Il a trop tardé à se décider.

161

sperziebonen/prinsessenbonen

des haricots verts

162

bruine bonen

des haricots rouges

163

de motorkap openen

ouvrir le capot

164

hij sterft (fam)

il clamse

165

Een stervende vampier is geen fraai gezicht.

Un vampire qui clamse, c'est pas beau à voir.

166

ompraten/lullen (dingen zeggen die niet waar zeggen om bv iets te verkopen)

baratiner

167

de gebruikelijke onzin

le baratin habituel

168

het vervellend (irritant)/ het is rot

c'est emmerdant

169

een telefoontje
op een telefoontje wachten
een telefoontje plegen

un coup de fil
attendre un coup de fil
passer un coup de fil

170

na een week

Au bout d'une semaine

171

mokken

bouder

172

de ondeugd/slechte eigenschap

le vice

173

steunkousen

des bas de contention

174

vreemd/louche/raar

chelou

175

een varkenstal (rommelige kamer)

une porcherie

176

rotzooien/zwannen

déconner

177

Het is toch duidelijk dat ik 'n geintje maak.
Nee ik treiter je maar.

C'est clair que je déconne.
Non, je déconne.

178

stop met dat idiote gedoe

arrête de déconner.

179

een grapje(fam)

une vanne

180

treiteren/pesten(fam)

charrier

181

Ik maak maar een grapje/Ik ben maar wat aan het dollen.

Je te charrie.

182

waakzaam

vigilant(e)

183

Je moet waakzaam zijn!

Tu dois être vigilant!

184

een stevige kerel/zak

un homme/sac costaud

185

zich afspoelen

se rincer

186

hij kreunt/hij kermt (van de pijn)

il gémit

187

het bloedbad/slachtpartij/slachting

la tuerie

188

het kusje

la bise

189

dus (zoals "donc" (familier))

du coup

190

zij maakt een grapje

elle charrie

191

ga weg

va-t-en

192

adoreren/zien zitten

kiffer

193

ik zie u zitten (fam)

je te kiffe

194

opgewekt/goedlachs

rieur

195

hij is vrolijk/opgewekt

il est rieur

196

de rotzooi/ellende/troep

le merdier

197

Ja, en veel geluk om alle rotzooi op te ruimen.

Oui et bonne chance pour nettoyer ce merdier.

198

het madeliefje

la pâquerette

199

in rouw zijn

être en deuil

200

een rouwende vrouw

une femme en deuil

201

het geld (3manieren fam)

le fric/l'oseille/la thune

202

Ik denk dat die meid op me valt.

Je crois qu'elle me kiffe.

203

gek zijn (fam)

être taré

204

een sigaret (fam)

une clope

205

roken (fam)

cloper

206

neuriën

chantonner

207

kirren(rire en poussant de petits cris)/giechelen

glousser

208

kirrende meisjes

des filles qui gloussent

209

ik wil een omhelzing/knuffel

je veux un câlin

210

even goede vrienden/ik vergeef het jou

sans rancune

211

Even goede vrienden over daarnet?

Sans rancune, pour tout à l'heure ?

212

zorgen hebben

avoir des soucis

213

de slordigheid/ de nonchalance

le laisser-aller

214

vervloeken/verwensen

maudire

215

een ondraaglijke pijn

une douleur atroce

216

knettergek/gestoord zijn

être fou à lier

217

de telefoonnummer vragen

demander le 06

218

de herrie (bv van spelende kinderen)

le chahut

219

kermen/kreunen

grémir

220

de uitkering

les ASSEDIC

221

een lelijke vrouw

un thon

222

een kleine man/dwerg

un nabot

223

gedumpt worden door

se faire larguer par

224

zich beter voelen (adj)

hautaine

225

het is geweldig/super

c'est chanmé

226

een smalle weg

un chemin étroit

227

ik heb gescoord gisterenavond

j'ai pécho hier soir