Week 3 Flashcards Preview

Frans > Week 3 > Flashcards

Flashcards in Week 3 Deck (286)
1

ontkiemen/ontstaan

germer

2

de roeping/het levensdoel

la vocation

3

het borrelen/gepruttel

le bouillonnement

4

het borrelen van culturen

le bouillonnement de cultures

5

de toestand

la disposition

6

ervaren (adj)

aguerri(e)

7

toekomstig/aanstaande/opkomend

... en herbe

8

een aanstaande schrijver (nog geen professional)

un écrivain en herbe

9

het bed/bloemenperk

la plate-bande

10

uitputten (vb. grond)

s'épuiser

11

ik word doodmoe van de kinderen

les enfants m'épuisent

12

de groentetuin/tuinbouwer

le maraîcher

13

de kwekerij/het tuinbouwbedrijf

le maraîchage

14

de oogst/ wijnoogst

la récolte

15

de stadsbewoner

le citadin/la citadine

16

een dorpeling

un villageois/une villageoise

17

de lengte/maat/grootte

la taille

18

een grote/kleine man

un homme de grande/petite taille

19

een middelgroot bedrijf

une entreprise de taille moyenne'

20

een broek maat 38

un pantalon taille 38

21

snoeien/knippen

tailler

22

een moestuin

un jardin potager

23

een siertuin

un jardin d'agrément

24

planten

planter

25

de meststof

l'engrais(m.)

26

wieden

désherber

27

wieden/benemen

arracher

28

het leven benemen

arracher la vie

29

het onkruid

la mauvaise herbe

30

klimmend/toenemend

grimpant

31

oogsten

récolter

32

vaste planten

des plantes vivaces

33

klimplanten

des plantes grimpantes

34

éénjarige planten

des plantes annuelles

35

uitdunnen/wegsnoeien

élaguer

36

innoverend

novateur/novatrice

37

de vernieuwer

l'innovateur

38

kortsluiting/korte voedselvoorziening

le circuit court

39

teamwork

le travail d'équipe

40

de honingbij

l'abeille(f.)

41

de impker

l'apiculteur/l'apicultrice

42

zaaien

semer

43

de omgeving/ de mensen rondom u

l'entourage(m.)

44

erven

hériter

45

moederlijk instinct hebben

avoir l'instinct maternelle

46

vergemakkelijken

faciliter

47

samenvatten

résumer

48

een doel

un but

49

de waarde

la valeur

50

bruggen achter zich verbranden (vb breken met familie)

couper les ponts

51

intimideren/ schrik aanjagen

épouvanter

52

uitschakelen/uitdoven

éteindre

53

de tv uitschakelen

éteindre la télévision

54

ladderzat drinker

picoler

55

let's get drunk

picolons

56

het zwaar hebben

en baver

57

ik had het zwaarder dan u

j'en bavais plus que vous

58

hier en daar

par-ci par-là

59

de brandstof

le carburant

60

de waardering

la valorisation

61

waarderen

mettre un valeur

62

de toekomst

l'avenir (m.)

63

de file

l'embouteillage (m.)

64

een plaats

un endroit

65

een stijging (2mogelijkheden)

une hausse/une augmentation

66

een daling (2mogelijkheden)

une base/une diminution

67

de overbelasting/verstopping/opstopping

l'engorgement(m.)

68

het afvalverwerkingsbedrijf

la déchetterie

69

de richting

la filière

70

de technische richtingen

les filières techniques

71

de stortplaats/het vuilnisbelt

le décharge

72

het erfstuk/erfgoed

le patrimoine

73

efficiënte/bekwaam

efficace

74

proeven

goûter

75

het verwijt/berisping/standje

le reproche

76

in dubbel glas

à double vitrage

77

de vensteropening met dubbele beglazing

à double vitrage

78

een aanslag

un attentat

79

bullshit

n'importe quoi

80

zou u zo vriendelijk willen zijn om (mij te helpen)

auriez-vous la gentillesse de (m'aider)

81

ik wou net een bericht sturen (twee mogelijkheden)

je voulais justement envoyer un message
je venais d'envoyer un message

82

opgroeien

grandir

83

opvoeden

élever

84

ik ruik lekker

je sens bon

85

ik voel me goed

je te sens bien

86

de verkoop

la vente

87

de gloeilamp

l'ampoule

88

besparen/sparen

épargner

89

sparen voor het pensioen

épargner pour la rétraite

90

energie besparen

épargner l'energie

91

zijn vijand sparen

épargner son ennemi

92

verhinderen/weerhouden

empêcher

93

... verhinderen om weg te gaan

empêcher ... de sortir

94

het geluid verhindert mij om te slapen

le bruit m'empêcher de dormir

95

een vuur/ een (bos)brand

un incendie de fôret

96

de woekering van

la prolifération de

97

schaden/aantasten

nuire

98

de gezondheid aantasten

nuire à la santé

99

besmetten/vergiftigen

contaminer

100

bewerken/veranderen/herzien

modifier

101

uw reis wijzigen

modifier votre voyage

102

onvoorwaardelijk/met nadruk/krachtig/ (staat in de wet)

formellement

103

streng/niet toegeven/volgens de regels

strictement

104

verbieden/opkomen voor/verdedigen

défendre

105

een idee verdedigen

défendre une idée

106

ik verbied je om te roken

je te défends de fumer

107

rolschaatsen

faire du rolleurs

108

vuur aanleggen

faire du feu

109

vuur vatten

prendre feu

110

vuur geven

faire feu

111

online gokken (twee mogelijkheden)

jouer les jeux sur internet
jouer les jeux en ligne

112

een zelfverwijt

un remords

113

(het milieu) beschermen

préserver (l'environnement)

114

schadelijk/ongezond/nadelig zijn

être nuisible

115

de soort

l'espèce (f.)

116

vuile leugenaar

Espèce de sale menteur

117

contant betalen

payer en espèces

118

op maat

sur mesure

119

een maatpak

un costume sur mesure

120

dat verklaart veel

ça explique beaucoup de choses

121

niet toegestaan

être pas autorisé

122

het is verboden om + inf

il est interdit de + inf
il est défendu de + inf

123

verboden te + inf/mot

interdiction de + inf/mot
défense de + inf/mot

124

men mag niet

il ne faut pas + inf
on ne dois pas + inf

125

het gebruik van pesticiden is verboden

l'utilisation des pesticides est interdite/defendue

126

bekend (adj)

connu/célèbre

127

weinig schelen of/mislopen/mislukken

faillir

128

in slaap doen vallen

endormir

129

een melige film

un film à l'eau de rose

130

doof (adj.)

sourd(e)

131

stom (niet kunnen praten) (adj.)

muet/muette

132

de muziek, hoe vind je die?

la musique, tu l'as trouvée comment

133

tenminste (iets positief)
minimum

au moins (un point positif)
au moins

134

eerlijk/open (adverbe)

franchement

135

hij heeft eerlijk geantwoord

il a répondu franchement

136

teleurstellen

décevoir

137

Je stelt me erg teleur

tu me déçois beaucoup

138

Sorry dat ik je teleurstel

Je regrette de te décevoir

139

zich interesseren

s'intéresser

140

De kleermaker

Le tailleurs

141

Het politiebureau

Le commissariat (de police)

142

Leeg/onbevolkt/verlaten (adj)

Désert

143

de kleermaker

le tailleurs

144

de tranen in de ogen hebben

avoir les armes aux yeux

145

geïnteresseerd zijn in

être intéressé à

146

zich interesseren in

s'intéresser à

147

komen van

venir de

148

aankomen in

venir à

149

in staat zijn om

être capable de

150

beginnen

se mettre à

151

het begint te regenen

il se met à pleuvoir

152

twijfelen aan

douter de

153

instemmen met
lidwoorden van

adhérer à

154

praten over

parler de

155

praten met

parler à

156

overtuigd zijn van

être persuadé de

157

tegen... zijn

être opposé à

158

eten van

manger de

159

zin hebben om

avoir envie de

160

zich bezighouden / zich bekommeren om

s'occuper de

161

bewust zijn van (de situatie)

être conscient de (la situation

162

slagen in (een doel)

parvenir à (un but)

163

een voorbeeld zijn voor

être un exemple de

164

denken aan

penser à

165

getuigen van

témoigner de

166

zich verzetten tegen

s'opposer à

167

op iets zinspelen/toespelen

faire allusion à

168

zich voorbereiden om

se préparer à

169

een bewijs zijn voor

être une preuve de

170

weigeren te (twee opties)

refuser de
se refuser à

171

ik weiger om vlees te eten

je me refuse à manger de la viande

172

ik weiger om engels met hun te praten

je me refuse à parler anglais avec eux

173

verslag uitbrengen/melden/vertellen

se rendre compte de

174

gevoelig zijn voor

être sensible à

175

opstijgen/klimmen/doen toenemen

monter à

176

af gaan/uitstappen

descendre de

177

de trein uitstappen

descendre du train

178

de commissaris

le commissaire

179

de rechter

le juge

180

de verdachte

le suspect

181

bemachtigen/verkrijgen van schuldbekentenissen

obtenir des aveux

182

iemand gerechtelijk vervolgen

poursuivre ··· en justice

183

toegeven/opbiechten

avouer

184

een beschuldiging

une mise en examen

185

een moord

un meurtre

186

een moordenaar (drie opties)

un assassin
un meurtrier
un tueur

187

vermoorden(twee mogelijkheden)

tuer
assassiner

188

kwaadaardig

maléfique

189

verklikken/verraden/ontdekken

déceler

190

noemen/vernoemen

nommer

191

meteen/dadelijk/subiet

aussitôt

192

optellen/toevoegen

ajouter

193

blijven zitten

se rasseoir

194

het niet/de leegte

le néant

195

de huiszoeking

la perquisition

196

wegglippen tussen de vingers

filer entre les doigts

197

ontraadselen/uitpluizen

se démerder
se débrouiller

198

Zoek het uit!

démerdez-vous!

199

een bewijs

une preuve

200

wurgen

étrangler

201

vrijlaten/verslappen

relâcher

202

zijn aandacht laten verslappen

relâcher son attention

203

besluiten/zeggen met gezag

conclure/dire avec fermeté

204

angstig

angoissé

205

de angst

l'angoisse

206

gespannen (adj)

tendu

207

gespannen zijn

être tendu

208

de vervanger

le substitut

209

beschuldigen

accuser

210

een aanhouding (24u, max 72u)

une garde à vue

211

een opening, een start, een gat

une ouverture

212

een bankoverval (twee mogelijkheden)

un casse d'une banque
un braquage d'un banque

213

een inbraak

un cambriolage

214

een gijzeling

une pris d'otage

215

een seriemoordenaar

un tueur en série

216

een levenslange gevangenisstraf

la condamnation à perpétuité

217

een voorwaardelijke straf (als hij opnieuw een fout begaat, gaat de straf in werking

une amende avec sursis

218

iemand verdriet doen

faire de la peine à

219

nauwelijks/ (nog maar net)

à peine

220

hij heeft nauwelijks gegeten

il a à peine mangé

221

hij is nog maar net wakker

il est à peine réveillé

222

vergeefs moeite doen

perdre sa peine

223

ondergaan

subir

224

een operatie ondergaan

subir un opération

225

la victime a subi un dommage

het slachtoffer heeft schade ondervonden

226

zich beklagen/morren/bezwaren

se plaindre

227

de aanklager

la/le plaignant(e)

228

humeurig, knorrig

plaignant

229

een aanklacht tegen iemand doen

porter plainte contre

230

een oplichting/fraude

une escroquerie

231

verkrachten/overtreden/schenden

violer

232

een graf schenden

violer une tombe

233

aanklagen/aangeven/beschuldigen

dénoncer

234

schuldig

coupable

235

ik voel me schuldig

je me sens coupable

236

de getuige

le témoin

237

rapporteren/melden

relater

238

meebrengen/veroorzaken

apporter

239

(de feiten) bekennen

reconnaître (les faites)

240

argumenteren,tegenspreken,betwisten

contester

241

ontkennen

nier

242

opbiechten

avouer

243

verzachtende omstandigheden

des circonstances attenuantes

244

verzwarend

aggravante

245

zijn gezondheidstoestand verergeren

aggraver son état de santé

246

verergeren

aggraver

247

de voorbedachtheid

la préméditation

248

voorbedacht/met opzet

prémédité

249

moord met voorbedachten rade

meurtre avec préméditation

250

ik heb mezelf niets te verwijten

je n'ai rien à se reprocher

251

een boete

une amende

252

zich verwijten

se reprocher

253

lastig vallen/hinderen (twee opties)

importuner
déranger

254

een ruitenwisser

une essuie-glace

255

zich dubbel parkeren

se garer en double file

256

nachtkabaal/herrie

le tapage nocturne

257

je maakt deel uit van het meubilair (uitdrukking als iemand ergens al lang is)

tu fais partie des meubles

258

uitermate

vachement

259

essentieel/onmisbaar

inéluctable

260

zich aangetrokken tot iemand voelen

être attirer par

261

aantrekken

attirer

262

het licht trekt de muggen aan

la lumière attire les moustiques

263

de voormiddag

la matinée

264

snel gaan/ ervandoor gaan

filer

265

een snel rijdende auto

une voiture qui file

266

ik moet ervandoor

il faut que je file

267

de gijzelaars

des otages(m.)

268

gijzelaars vrijlaten

relâcher des otages

269

een gewapende overval

un hold-up
un vol à main armée

270

orgeorganiseerde evacuatie

évacuation faite dans le désordre

271

een rommelige slaapkamer

une chambre en désordre

272

wanorde/ verwarring

le désordre

273

stinken

puer

274

ik stink, ik moet me wassen

je pue, il faut que je lave
je pue, je dois me laver

275

grappig/belachelijk/komisch

risible

276

als je tegen een hondje zegt om in zijn mand te gaan

coucouche panier

277

verorberen/onfatsoenlijk eten

croquer

278

instorten/neerstorten/zich gedeisd houden

s'écraser

279

flapuit, praatziek

bavard

280

koffiekletsen

bavarder

281

ik heb de film afgezet omdat

j'ai arrêté le film par

282

gebruiken

se servir de

283

een standje geven aan (een kind)

gronder un enfant

284

ik gebruik mijn computer elke dag

je me sers de mon ordinateur tous les jours

285

bedienen/serveren

servir

286

Mag ik je telefoon gebruiken?

Puis-je me servir de ton téléphone