B1-B2 - Preposities Flashcards Preview

Nederlands Woorden > B1-B2 - Preposities > Flashcards

Flashcards in B1-B2 - Preposities Deck (60)
Loading flashcards...
1

rekening houden

met

2

nadruk leggen

op

3

uitgaan

van ik ga ervan uit (I assume that)

4

opkijken

van to be moderately surprised

5

afleiden

uit to deduce

6

inspelen __ iets

op to respond to something

7

aanpassen

aan

8

overschakelen

op

9

verzetten zich

tegen

i.e. to oppose

10

geven (hulp, eten, etc)

aan

11

iets ___ wijden

aan to devote / dedicate to

12

ik heb geen recht __ (geld, gunsten etc)

op

i.e. I have no rights to...

13

lijden ____

onder

14

sluipen (sloop)

uit to sneak uit

15

toevoegen ___

aan

16

zich ____ ingezet / inspannen

voor inzetten -> to be committed to inspannen -> to put a lot of effort into

17

___ wie hebben jullie dat verteld? ___ wie was je?

Aan Met

18

Geloof je __ het effect van het?

in

19

Daar moest ik __ lachen Ik lachte hard __ haar

om

20

Heeft u ____ dat bureau geschreven vanwege uw klacht? Misschien is het beter dat je het ___ de manager schrijft.

naar aan

21

Luister je ___ muziek?

naar

22

Die foto doet me denken ___ mijn jeugd.

aan This photo reminds me of my youth

23

Heb je het __ fouten gecontroleerd?

op

24

We hopen __ een zomer met zon

op

25

Heeft hij zich al ___ je voorgesteld?

aan Has he already introduced himself to you yet?

26

We hebben er____ gezocht

naar We searched for it

27

Ik trok ___ het touw Je moest er___ trekken

aan

28

Waar wijs je ____ ??

naar What are you pointing at?

29

Je kunt geen appels ___ peren vergelijken

met

30

___ welk genre behoort dit? ___ welke stad behoort dit?

Tot