A2-B1 lastig (old) Flashcards Preview

Nederlands Woorden > A2-B1 lastig (old) > Flashcards

Flashcards in A2-B1 lastig (old) Deck (60)
Loading flashcards...
1

circumstance

omstandigheid

2

float (floated)

drijven (dreef, gedreven)

3

That you can be yourself / can express your passion

ik kan mijn ei erin kwijt

4

I do not see that it will work out OR I think that it will not work out; explanation: this indicates that someone is negative towards something. Even not willing to cooperate.

Dat zie ik niet zitten

5

I don't have a talent for this; explanation: someone does not have a talent for this. But it is also used as an excuse for not doing something.

Dat ligt mij niet zo

6

That is not what I mean; explanation: mainly used when someone tries to make something clear and the other starts filling things in. After this sentence, very often a further explanation will follow to explain what it is all about.

Daar gaat het mij niet om

7

reached your limit

Dan houd ik het voor gezien.

8

almost (formal)

vrijwel

9

owner / holder / possesor

bezitter

10

The ratio between
The camp was relatively cheap

De verhouding tussen
De kamping was naar verhouding best goedkoop

11

I want a ___ anyway...

ik wil hoe dan ook een...

12

by trial and error

met vallen en opstaan

13

nagger
whiner
nag

zeikerd
zeurpiet
zeurt

14

don't count on it

reken er niet op

15

the mood

de stemming / het humeur

16

I do not take this resolution seriously

But I am not affected by it

ik trek mij van deze resolutie niets aan (zich aantrekken van)

ik trek me er niets van aan

17

In the Netherlands this is not common (occurred, occurred)

In Nederland komt dat niet vaak voor (kwam voor, is voorgekomen)

18

the reverse / opposite

het omgekeerd

19

depressed

deprimerend

20

threaten

dreigen

21

emphasis
explicitly

nadruk
nadrukkelijk

22

constraint / limitation

beperking

23

it is irrelevant whether you are a student

het is niet van belang of u student bent

24

maintain order

de orde handhaven

25

opponent / supporter

tegenstander / voorstander

26

humiliating

vernederend

27

to skip class

spijbelen

28

cuts (to jobs)

bezuinigen

29

suffer (suffered / has suffered)

lijden (leed / heeft geleden)

30

free-spirited

vrijgevochten