De Sprong Thema 1 Flashcards Preview

Dutch courses > De Sprong Thema 1 > Flashcards

Flashcards in De Sprong Thema 1 Deck (51):
1

aanmelding (de)

de inschrijving

2

afzeggen (zei/zegde af, h. afgezegd)

odříct (odvolat ap.), odvolat (domluvené ap.)
zeggen dat iets niet doorgaat

3

arbeidsmarkt (de)

de banenmarkt

4

bang zijn voor

vystrašený

het gevoel hebben dat er iets akeligs kan gebeuren, angstig zijn

5

begeleiding (de)
(vakkundige) begeleiding

(hudební) doprovod (klavírní ap.)

- vedení (odborné usměrňování ap.)
de hulp, de steun

6

behoren tot

(behoorde, h. behoord)
phr
Hij behoort tot de besten...

1. náležet komu, patřit komu, být čí (majetek ap.)
2. příslušet kam, k čemu, řadit se (do jisté skupiny ap.)

Patří k nejlepším...

horen bij, een onderdeel zijn van iets

7

belasten (belastte, h. belast)

1. zatížit co (zatěžkat)
2. (ekon.) zdanit co
3. zatížit koho čím (daněmi, nároky ap.)

een moeilijke taak geven

8

betrouwbaar

důvěryhodný, spolehlivý
iemand die betrouwbaar is, is eerlijk en doet wat hij of zij belooft

9

bijzonder

adj
1. mimořádný
2. zvláštní (specifický, osobitý), speciální
adv
zvlášť (mimořádně ap.), obzvlášť

speciaal, apart, niet gewoon

10

circus (het)

een groep artiesten en dieren die in een tent optreden

11

dit komt omdat…

de oorzaak is dat…

12

een kleine drie uur

een beetje minder dan drie uur

13

eigenlijk

adv
v podstatě (téměř naprosto ap.)
part
vlastně, vůbec

in werkelijkheid (realita, skutečnost0, zoals het werkelijk is

14

emigreren

naar een ander land verhuizen

15

eng

1. stísněný (prostor ap.)
2. strašidelný (atmosféra ap.)

van iets wat eng is, word je bang

16

erachter komen

to espy (spatřit koho co)
ontdekken (objevit co) (ontdekte, h. ontdekt)

17

flierefluiten

to slack (nedbalý, flákat, laxní)

geen serieuze activiteiten doen, luieren (zahálet, lenošit)

18

forse stijging (de)

pořádný vzestup, nárůst, vzrůst

de grote toename (nárůst)

19

geschikt

1. příhodný (chvíle ap.)
2. vhodný k čemu, způsobilý k čemu, pro co

goed, juist

20

gezamenlijk

adj
1.společný (úsilí ap.)
2. celkový (v součtu, úhrnu)
adv
1. celkem, celkově (jako celek)
2. jednotně, společně (jednat ap.)

samen

21

indruk maken op

zapůsobit na koho (ohromit ap.), udělat dojem na koho

bijzonder gevonden worden door iemand

22

indrukwekkend

1. efektní (silně působící ap.), působivý
2. majestátní, impozantní (ohromný)
3. úctyhodný (výsledek ap.)


iets wat indrukwekkend is, maakt veel indruk

23

jeugd (de)

1. dorost (mládež ap.), mládež
2. mládí

de tijd waarin je jong bent

24

jongere (de)

mladiství

een jong persoon

25

met een gerust hart

zonder zorgen (starosti, obavy, trápení)

26

nieuwsgierig

zvědavý

een nieuwsgierig wil graag dingen weten die niet voor hem of haar bedoeld zijn

27

nuttig

prospěšný pro koho/co, přínosný, užitečný


zinnig (rozumný), iets wat nuttig is, is goed om te gebruiken of te doen

28

ondersteunen (ondersteunde, h. ondersteund)

1. podepřít co čím
2. podpořit koho, podporovat koho
3. podporovat (návrh ap.), schvalovat (plán ap.)


iemand helpen omdat hij problemen heeft

29

ontspanne

(ontspande, h. ontspannen)

1. uvolněný (chování ap.)
2. pohodový (atmosféra ap.)

v uvolnit (napětí ap.)

je lichaam en geest rustig maken door iets wat prettig is

30

onwaarschijnlijk

nepravděpodobný

iets wat onwaarschijnlijk is, gebeurt waarschijnlijk niet

31

oorzaak (de)

říčina čeho

de reden (důvod pro co)

32

opvoeding (de)

výchova
de zorg dat iemand goed gedrag ( chování, jednání (počínání si)) ontwikkeld (rozvinout, vyvinout)

33

pas

adv
teprve
part
1. až (nedávno ap.)
2. až (relativně pozdě)

niet eerder dan

34

realiseren (zich)

provést co (udělat ap.), provádět (činnost ap.), realizovat co (plán ap.)

beseffen (uvědomit si co), beginnen te weten, zich bewust (uvědomělý, vědomý) worden van

35

recent

nedávný, poslední

kort geleden

36

schuin

adj kosý, šikmý
adv šikmo

niet recht (rovný, přímý)

37

spannend

napínavý (film ap.)

spannende dingen zijn dingen waarvan je zenuwachtig wordt of die je volledige (úplný) aandacht (pozornost, ohled) vragen

38

stijgen

omhoog gaan

39

ten opzichte van

iem./iets proti čemu (ve srovnání s), oproti čemu (porovnání)

in vergelijking met iets proti čemu (ve srovnání s), oproti čemu (porovnání)

40

trainen

trénovat, cvičit, vyškolit
iets oefenen zodat je er steeds beter in wordt

41

uitdaging (de)

výzva pro koho (těžký úkol ap.)

een taak waarvan je weet dat hij moeilijk zal zijn, maar waarvan je verwacht dat het je zal lukken

42

uitgebreid

1. obšírný (popis ap.)
2. rozšířený (vyhledávání, možnosti ap.)



iets wat uitgebreid is, is groot en bevat veel details

43

uitoefenen
(oefende uit, h. uitgeoefend)

1. provozovat (činnost ap.)
2. vykonávat (funkci, povinnosti ap.), zastávat (funkci ap.)
3. praktikovat
4. vyvinout (nátlak ap.)


uitvoeren (vyvážet, provést, vykonat), doen

44

uitvinden (vond uit, h. uitgevonden)

vynalézt

ontdekken, uitzoeken

45

voor de lol

pro srandu
voor je plezier

46

voorbereiden (zich) op (bereidde voor, h. voorbereid)

připravit se na co, přichystat se na co

zorgen dat je klaar bent voor iets

47

voorkomen (voorkwam, h. voorkomen)

předejít čemu (nedorozumění ap.), předcházet čemu (prevencí ap.)

zorgen dat iets niet gebeurt

48

vrijwilliger (de)

dobrovolník

iemand die werk doet dat niet betaald wordt

49

waarmaken

naplnit očekávání, splnit očekávání, to prove, to live up to

realiseren

50

zelfstandig

adj samostatný (stát ap.)
adv zvlášť (odděleně), samostatně (ne v jednom)

onafhankelijk (nezávislý), zelfstandige mensen of zaken zijn niet van iemand of iets afhankelijk

51

huidig

dnešní, nynější

van dit moment, na nu