Lekce 15 Flashcards Preview

Dutch courses > Lekce 15 > Flashcards

Flashcards in Lekce 15 Deck (135):
1

om acht uur

v osm hodin

2

op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag, zondag

v pondeli, uterý, středa ... neděli

3

bed, het; bedden

postel

4

beddengoed, het

ložní povlečení

5

bedekken

pokrývat

6

beneden
in: naar beneden

dole
dolů

7

binnen/stappen; stapte binnen, is binnengestapt

vstoupit

8

boekenkast, de; boekenkasten

knihovna

9

boven
in: naar boven

nahoře
nahoru

10

breed

široký

11

breed

široký

12

delen; deelde, gedeeld

sdílet, dělit

13

eten, at, gegeten

jíst

14

gezellig

útulný

15

gordijn, het; gordijnen

záclona

16

gordijntje, het; gordijntjes

záclonka

17

hiernaast

vedle (příslovce)

18

kamer, de; kamers

pokoj

19

kast, de; kasten

skříň

20

keuken, de; keukens

kuchyň

21

la (lade), de; la's, laden

zásuvka

22

laken, het; lakens

prostěradlo, plátno

23

laten, liet, gelaten
in: laten zien

nechat
ukázat

24

logeerkamer, de [lo:že_:r...]

pokoj pro hosty

25

mee/nemen; nam mee, meegenomen

vzít s sebou

26

op/passen; paste op, opgepast

dávat pozor

27

poetsen; poetste, gepoetst

čistit

28

raam, het; ramen

okno

29

's nachts

v noci

30

schoon

čistý

31

slaapkamer, de; slaapkamers

ložnice

32

slapen; sliep, geslapen

spát

33

stoel, de; stoelen

židle

34

tand, de; tanden

zub

35

tapijt, het; tapijten

koberec

36

tegen/spreken; sprak tegen, tegengesproken

odporovat, odmlouvat

37

tevreden met

spokojený s

38

toilet, het [toale_t nebo tojle_t]

toaleta, záchod

39

trap, de

schodiště

40

uit/kleden; kleedde uit, uitgekleed

svléknout

41

verdieping; verdiepingen

patro

42

vloer, de; vloeren

podlaha

43

voor/lezen, las voor, voorgelezen

číst

44

wassen; waste, gewassen

mýti

45

zeil, het, zeilen

plachta, linoleum

46

zolder, de; zolders

půda

47

zolderkamertje, het; zolderkamertjes

pokojíček v podkroví, mansarda

48

zolderkamertje, het; zolderkamertjes

pokojíček v podkroví, mansarda

49

op 12 juni 2006

12. června 2006

50

vandaag

dnes

51

gisteren

včera

52

morgen

zítra

53

maandagochtend

v pondělí ráno

54

maandagmiddag

v pondělí odpoledne

55

maandagavond

v pondělí večer

56

in het weekend

o víkendu

57

van maandag tot zaterdag

od pondělí do pátku

58

deze week

tento týden

59

vorige week

minulý týden

60

dit jaar

tento rok

61

vorig jaar

minulý rok

62

volgend jaar

přístí rok

63

elke dag

každý den

64

's morgens

ráno

65

's middags

v poledne, odpoledne

66

's avonds

večer

67

's nachts

v noci

68

vandaag

dnes

69

vanmorgen

dnes ráno

70

vanmiddag

dnes odpoledne

71

vanavond

dnes večer

72

vannacht

dnes v noci

73

over een week

za týden

74

over een uur

za hodinu

75

over drie maanden

za tři měsíce

76

in de winter

v zimě

77

in de zomer

v létě

78

in de zomer

v létě

79

in
De man zit in de auto.
In de hoek staat een lamp.

v

80

op

na

81

boven

nad

82

onder
De schoenen staan onder het bed.

pod

83

naast
De boom staat naast he huis.

vedle

84

voor
De leraar staat voor de klas.

před

85

achter
Voor en achter het huis is een kleine tuin.

za

86

tussen
De tafel staat tussen de deur en het raam.

mezi

87

bij
Bij de tafel staat een stoel.

u

88

naast
De boom staat naast het huis.

vedle

89

bij
Bij de tafel staat een stoel.

u

90

Dag, Henk, ik ben blij dat je eindelijk bent gekomen.

Dobrý den, Henku, jsem rád, žes konečně přišel.

91

Ik zal je mijn kamertje laten zien.

Ukázu ti svuj pokojík.

92

Kom eens binnen.

Pojď dál.

93

Hier wook ik dus.

Tak tady bydlím.

94

Hoe vind je mijn kamer?

Jak se ti líbí můj pokoj?

95

Mooi, niet waar?

Pěkný, že ano?

96

Hier slaap ik, kijk eens.

Tady spím, vidíš?

97

Het bed is niet te breed, maar ik slaap altijd goed.

Postel není příliš široká, ale já spím vždycky dobře.

98

Ik heb allen maar een stoel, ga eens zitten, ik ga even op mijn bed zitten.

Mám jen jednu židli, posaď se, já si sednu na postel.

99

Weet je, wat ik in mijn kamer het mooist vind?

Víš, co se mi nejvíc líbí v mém pokoji?

100

Weet je, wat ik in mijn kamer het mooist vind?

Víš, co se mi nejvíc líbí v mém pokoji?

101

Natuurlijk mijn boekenkast!

Přirozeně moje knihovna!

102

Je mag hem bekijken.

Můžeš si ji prohlédnout.

103

Ik heb helaas nog geen tapijt, maar zonder tapijt kan je toch leven, vind je niet?

Nemám bohužel ještě koberec, ale bez koberce se dá přece žít., nemyslíš?

104

Maar met een tapijt is her gezelliger, dat weet ik.

Ale s kobercem je to útulnější, to vím.

105

Zonder tapijt en zonder gordijnen is een kamer niet gezellig, dat zegt mijn moder altijd.

Bez koberce a bez záclon není žádný pokoj útulný, to říká vždycky moje maminka.

106

En ze heeft gelijk.

A má pravdu.

107

Maar tapijten, gordijnen, stoelen, dat alles komt nog.

Ale koberce, záclony, židle, to všechno ještě přijde.

108

Stel je het maar even voor: jouw eigen kamer!

Představ si: vlastní pokoj!

109

Ik ben zo blij dat ik mijn eigen kamer heb.

Já jsem tak rád, že mám svůj pokoj.

110

Hier woon ik dus.

Tak tady bydlím.

111

Ik heb alleen maar een stoel, ga eens zitten, ik ga even op mijn bed zitten.

Mám jen jednu židli, posaď se, já si sednu na postel.

112

Maar met een tapijt is het gezelliger, dat weet ik.

Ale s kobercem je to útulnější, to vím.

113

Zonder tapijt en zonder gordijnen is een kamer niet gezellig, dat zegt mijn moeder altijd.

Bez koberce a bez záclon není žádný pokoj útulný, to říká vždycky moje maminka.

114

ingericht

zařízený

115

weliswaar

sice

116

badkuip, de

vana

117

douche, de

sprcha

118

bloem, de

květina

119

kleur, de

barva

120

kleurig

barevný

121

achter

za

122

struik, de

keř

123

beuk, de

buk

124

moestuin, de

zelinářská zahrada

125

kweken

pěstovat

126

ui, de

cibule

127

kuiken, het

kuřátko

128

voortuin, de

zahrada před domem

129

voortuin, de

zahrada před domem

130

Zonder tapijt en zodner gordijnen is een kamer niet gezellig, dat zegt mijn moeder altijd.

Bez koberce a bez záclon není žádný pokoj útulný, to říká vždycky moje maminka.

131

En ze heeft gelijk.

A má pravdu.

132

Maar tapijten, gordijnen, stoelen, dat alles komt nog.

Ale koberce, záclony, židle, to všechno ještě přijde.

133

Stel je het maar even voor: jouw eigen kamer!

Představ si: vlastní pokoj!

134

Ik ben zo blij dat ik mijn eigen kamer heb.

Já jsem tak rád, že mám svůj pokoj.

135

Zonder tapijt en zonder gordijnen is een kamer niet gezellig, dat zegt mijn moeder altijd.

Bez koberce a bez záclon není žádný pokoj útulný, to říká vždycky moje maminka.