De Sprong Thema 8 Flashcards Preview

Dutch courses > De Sprong Thema 8 > Flashcards

Flashcards in De Sprong Thema 8 Deck (66):
1

aanbrengen (bracht aan, h. aangebracht)

installeren, erop doen

1. nanosit co kam
2. nanést co (na co) (krém ap.)
3. udat koho (na policii ap.)
4. zapracovat co do čeho (začlenit)

2

afhankelijk zijn van

niet zelfstandig zijn, hulp nodig hebben van anderen

adj
1. závislý na kom/čem (odkázaný)
2. závislý na čem (drogově ap.)
adv
v závislosti na čem

3

bankieren

je bankzaken doen

banking · to bank banking practice

4

beperken (beperkte, h. beperkt)

kleiner of minder maken, begrenzen

1. omezit co (stanovit rozsah)
2. zabránit šíření čeho, lokalizovat co (požár ap.)
3. (fin.) vinkulovat
phr
zich beperken in iets omezovat se v čem
zich beperken tot iets omezit se na co (ve svém jednání ap.)

5

bestaan uit (bestond, h. bestaan)

hebben, opgebouwd zijn uit

v
1. existovat
2. sestávat z čeho, skládat se z čeho
t
1. bytí, existence
2. živobytí
phr
niet bestaand neexistující
to consist · to consist of · to comprise

6

bevatten (bevatte, h. bevat)

in zich hebben, inhouden

1. obsahovat co
2. skrývat (v sobě) co (obsahově ap.), zahrnovat co (významově ap.)
3. pochopit co

7

bijdragen aan
(droeg bij, h. bijgedragen)

een aandeel leveren, helpen bij

1. přispět k čemu (podílet se)
2. přispět na co (finančně)

8

bovendien

ook

(a) navíc (k tomu ještě), nadto, navrch (ještě k tomu)

9

braak laten liggen

land gedurende een bepaalde tijd niet bewerken

úhor
braak liggen ležet ladem

10

druppelende kraan

een kraan die lekt

kapajici kohoutek

11

duurzaam

van goede kwaliteit, niet snel kapot of niet snel op

adj
1. trvalý (navždy ap.)
2. trvanlivý (svojí odolností ap.)
3. (trvale) udržitelný (vývoj ap.)

12

duurzaam

duurzame dingen zijn van goede kwaliteit zodat ze niet snel kapot gaan

adj
1. trvalý (navždy ap.)
2. trvanlivý (svojí odolností ap.)
3. (trvale) udržitelný (vývoj ap.)

13

energiezuinig

weinig energie kostend

energy-saving · low-energy

14

flink

erg, zeer

(po)řádný (výprask ap.)

15

gas (het) (~sen)

een onzichtbare stof die uit de grond gehaald wordt, en
waarop bijv. gekookt kan worden

plyn (plynná látka)
van gas voorzien plynofikovat

16

gevel (de) (~s)

de voorkant van een gebouw, de facade

průčelí (domu ap.)

17

gifvrij

zonder gif (een stof waarvan je ernstig ziek wordt of soms doodgaat)

gif [xif] t (~fen)
jed

18

haast hebben

snel iets moeten of willen doen

haast hebben mít naspěch

19

impuls (de) (~en)

de stimulans, begin of versterking van een ontwikkeling

1. impulz, podnět
2. hybnost (pohybová energie)

20

inademen (ademde in, h. ingeademd)

lucht of gassen door je mond naar binnen halen

1. nadechnout se
2. vdechnout co
3. inhalovat co (do plic ap.), vdechovat co, nadýchat se čeho
phr
diep inademen zhluboka se nadechnout

21

instelling (de) (~en)

de organisatie, de instantie

instituce

22

isolatie (de) (~s)

geplaatst materiaal dat ervoor zorgt dat warmte, kou of geluid minder goed naar binnen of naar buiten gaat

1. (tech., stav.) izolace (tepelná ap.)
2. odloučení

23

kasgroente (de)

groente die in een glazen gebouw groeien (omdat het daar warm is)

greenhouse vegetables, hot-house vegetables

24

katoenteelt (de)

de productie van katoen

25

kernenergie (de)

de energie die ontstaat als de kern van een atoom wordt gedeeld

jaderná/atomová energie

26

keurmerk (het)

een teken op een product waaruit blijkt dat het goedgekeurd

hallmark (znak, rukopis, punc)

27

kunstmest (de)

chemische middelen waardoor planten beter groeien

(zeměd.) hnojivo

28

leefbaar

situatie waarin je goed kan leven

liveable

29

leertje (het)

dichtingsring, onderdeel van de kraan dat ervoor zorgt dat de kraan goed afsluit

tesneni

30

levensstijl (de) (~en)

de manier waarop je leeft

životospráva

31

leveren

bezorgen, brengen

t zásobování čím, dodávání čeho, dodávka čeho (elektřiny ap.)
v (leverde, h. geleverd)
dodat co komu (zboží ap.), doručit co komu

32

lpg

een soort gas als brandstof voor auto’s

(chem.) propan-butan

33

luchtvervuiling (de)

het vies worden van de lucht

air pollution

34

meststoffen en gifstoffen

chemische middelen

hnojivo a toxin

35

milieubewust

met aandacht voor het milieu (de water, de grond en delucht om ons heen)

green

36

milieuvriendelijk

goed voor het milieu, met zorg voor het milieu

adj ekologický (neznečišťující ap.), šetrný k životnímu prostředí
adv ekologicky

37

nauwelijks

bijna niet

sotva, stěží

38

olie (de) (oliën/~s)

dikke vloeistof die uit de grond gehaald wordt en die moeilijk met water gemengd kan worden

olej

39

opbrengen (bracht op, h. opgebracht)

door verkoop geld opleveren

vynést co (zisk ap.)

40

opladen

met iets vullen zodat het kan werken

1. dobití (kreditu ap.)
2. nabití (baterie ap.), dobití (akumulátoru ap.), nabíjení

41

overschot (het) (~ten)

het restant (zbytek), meer dan nodig is

1. přebytek
2. pozůstatek

42

overwegen (overwoog, h. overwogen)

nadenken over iets als een mogelijkheid

1. přemítat o čem, uvažovat nad čím (přemýšlet)
2. uvážit co (promyslet ap.), zvážit co (nabídku ap.)

43

reclamedrukwerk (het)

folder met reclame

44

schelen

verschillen, een verschil uitmaken

to differ · to ail · to be missing · to be lacking · to be different

45

slim

goed (algemene betekenis is intelligent)

bystrý (žák ap.), chytrý
te slim af zijn iem. obelstít koho, přechytračit koho, přelstít
Líbí se vám nové

46

steenkool (de) (-kolen)

zwart materiaal dat in de grond zit en dat gebruikt wordt als brandstof

uhlí

47

stoken (stookte, h. gestookt)

de kachel of de verwarming laten branden

1. topit kde
2. destilovat, pálit (alkohol)

48

stookkosten (de)

de kosten voor de verwarming

heating costs

49

stopcontact (het) (~en)

een voorwerp aan de muur met twee gaatjes, waaruit elektriciteit kan komen

zásuvka (elektrická)
in het stopcontact steken iets zapojit co do zásuvky, strčit co do zásuvky (elektrické), zasunout co do zásuvky

50

talloos

heel veel

bezpočetný, nesčetný, nespočetný

51

tegengaan

proberen iets te verminderen of tegen te houden

to counteract (pusobit proti, potlacovat)

52

uitstoot (de) (-stoten)

de emissie

1. zplodiny (exhaláty ap.)
2. (chem., ekol.) exhalát

53

Verantwoord beheerde bossen

bossen waar op een milieuvriendelijke manier voor gezorgd wordt

beheren [bəheːjrə] v (beheerde, h. beheerd)
1. (BeN) řídit co, vést co
2. hospodařit s čím (nakládat s majetkem)
3. spravovat (provádět správu)

54

verbouwen (verbouwde, h. verbouwd)

laten groeien op het land

přebudovat, přestavět, zrekonstruovat co

55

verbruiken (verbruikte, h. verbruikt)

opmaken door te gebruiken

spotřebovat

56

vermijden (vermeed, h. vermeden)

zorgen dat iets niet gebeurt

t vyhýbání se čemu
v vyvarovat se čeho

57

vervangen (verving, h. vervangen)

de plaats van iets of iemand innemen, veranderen

1. nahradit koho/co kým/čím (vyměnit za jiného), nahrazovat
2. nahradit koho/co (zaujmout místo), vystřídat koho (v práci ap.)
3. nahradit (lepším, modernějším)
4. (mat.) dosadit co za co (do rovnice ap.)

58

vervuiler (de) (~s)

iemand, een organisatie die iets vies maakt

znečišťovatel

59

verwoestijning

het ontstaan (vznik) van nieuwe woestijngebieden (poustni oblast, okruh)

desertification - premena v poust

60

volladen

vol doen, helemaal vullen

61

voorraad (de) (-raden)

extra artikelen of producten om te bewaren

zásoby
voorraad van iets maken dělat (si) zásoby čeho
in/op voorraad hebben iets mít na skladě co (zásoby)

62

waterkracht

de sterkte waarmee water uit de kraan komt

water power · hydro power

63

waterleiding (de) (~en)

het geheel van leidingen waardoor water naar de kraan, de wc enz. loopt

vodovod

64

windenergie (de)

bewegingsenergie door lucht (wind) om te zetten in een bruikbare vorm, bijvoorbeeld in elektriciteit

wind power

65

zonne-energie (de)

energie van de zon in de vorm van warmte en licht

66

zuinig

1. weinig geld uitgeven 2. weinig energie verbruiken

adj
šetrný (neutrácející ap.), spořivý
adv
šetrně (bez plýtvání)
phr
zuinig zijn met iets (dobře) hospodařit s čím (neplýtvat ap.)