De Opmat Thema 4 Flashcards Preview

Dutch courses > De Opmat Thema 4 > Flashcards

Flashcards in De Opmat Thema 4 Deck (303):
1

anders (thema 3, 4 en 8) 

else; otherwise

2

minute

minuut (de; minuten, thema 4) 

3

als (thema 4)

if, when

4

inside pocket

binnenzak (de; -ken, thema 4) 

5

boot (de; boten, thema 4) 

boat

6

jaloers (thema 4) 

jealous, envious

7

reiziger (de; -s, thema 4) 

traveller

8

radio

radio (de; -‘s, thema 4) 

9

nerveus (thema 4) 

nervous

10

lukken (thema 4) 

 


(lukte, lukten; is gelukt)

to succeed, to be successful

11

ontbijt (het; -, thema 4) 

breakfast

12

dame (de; -s, thema 4) 

lady

13

almost, nearly

bijna (thema 4) 

14

stilstaan (thema 4) 

 


(stond stil, stonden stil; heeft stilgestaan)

to stand still, to stop

15

 other, different

ander (thema 4)

16

gesprek (het; -ken, thema 4) 

talk, conversation

17

 tip, advice

tip (de; -s, thema 4)

18

boring

saai (thema 4) 

19

special, remarkable

bijzonder (thema 4) 

20

zuiden (het; -, thema 4)

 south

21

mailen (thema 4)

 


(mailde, mailden; heeft gemaild)

 to (send a ) mail

22

lied (het; liederen, thema 4) 

song

23

overstappen (thema 4) 

 


(stapte over, stapten over; is overgestapt)

to change (trains)

24

owner

eigenaar (de) 

25

to let

laten (thema 4) 

 


(liet, lieten; heeft gelaten)

26

eigen (thema 4) 

own

27

part

deel (het; delen, thema 4) 

28

boat

boot (de; boten, thema 4) 

29

uur (het; uren, thema 4) 

hour

30

plan

plan (het; plannen, thema 4) 

31

rush hour

spits (de; -, thema 4) 

32

moped

brommer (de; -s, thema 4) 

33

to stand still, to stop

stilstaan (thema 4) 

 


(stond stil, stonden stil; heeft stilgestaan)

34

public

openbaar (thema 4) 

35

on foot, walking

te voet (thema 4) 

36

 moving staircase

roltrap (de; -pen, thema 4)

37

on (time); at (place)

op (thema 4 en 5) 

38

result

resultaat (het; resultaten, thema 4) 

39

vervelend (thema 4) 

annoying; boring

40

duren (thema 4) 

to last

41

stappen (thema 4) 

 




(stapte, stapten; heeft gestapt)

to step; to go out

42

hoofdstad (de; hoofdsteden, thema 4) 

capital (city)

43

zelf (thema 4) 

oneself /- selves

44

quiet

rustig (thema 4) 

45

omdat (thema 4) 

because

46

plaatsbewijs (het; plaatsbewijzen, thema 4) 

(train) ticket

47

oneself /- selves

zelf (thema 4) 

48

fantastisch (thema 4) 

fantastic

49

total(ly)

totaal (thema 4) 

50

vertraging (de; -en, thema 4) 

delay

51

to pass

passeren (thema 4) 

 


(passeerde, passeerden; heeft gepasseerd)

52

loose

los (thema 4) 

53

hour

uur (het; uren, thema 4) 

54

suggestie (de; -s, thema 4) 

suggestion

55

rivier (de; -en, thema 4) 

river

56

destination

bestemming (de; -en, thema 4) 

57

straight on

rechtdoor (thema 4) 

58

onderweg (thema 4)

 on your way, on the road

59

rechtdoor (thema 4) 

straight on

60

dun (thema 4) 

thin, slender

61

negatief (thema 4) 

negative

62

dubbeldekker (de; -s, thema 4) 

double decker

63

veranderen (thema 4) 

 


(veranderde, veranderden; heeft veranderd)

to change

64

dichtbij (thema 4) 

close to, nearby

65

zaak (de; zaken, thema 4) 

shop; busisness

66

to taste, to try (food, drink)

proeven (thema 4) 

 


(proefde, proefden; heeft geproefd)

67

thin, slender

dun (thema 4) 

68

 to dream

dromen (thema 4)

 


(droomde, droomden; heeft gedroomd)

69

historic(al)

historisch (thema 4) 

70

to be disappointed

balen (thema 4) 


(baalde, baalden; heeft gebaald

71

lopend (thema 4) 

walking

72

geduld (het, thema 4) 

patience

73

 car

auto (de; -‘s, thema 4)

74

oplossing (de; -en, thema 4) 

solution

75

links (thema 4) 

left

76

brommer (de; -s, thema 4) 

moped

77

bezoeken (thema 4) 


(bezocht, bezochten; heeft bezocht)

to visit

78

kroeg (de; -en, thema 4) 

pub

79

waaien (thema 4) 

 


(waaide/woei, waaiden/woeien; heeft gewaaid)

to blow (wind)

80

vroeg (thema 4) 

early

81

return ticket

retour (het; -, thema 4) 

82

afspreken (thema 4)


(sprak af, spraken af; heeft afgesproken)

 to make an appointment

83

ophalen (thema 4)

 


(haalde op, haalden op; heeft opgehaald)

 to pick up

84

genoeg (thema 4) 

enough, sufficient

85

heavy

zwaar (thema 4) 

86

huren (thema 4)

 to rent, to hire

87

spits (de; -, thema 4) 

rush hour

88

hurry, rush

haast (de; -, thema 4) 

89

breakfast

ontbijt (het; -, thema 4) 

90

 to pick up

ophalen (thema 4)

 


(haalde op, haalden op; heeft opgehaald)

91

gentleman

heer (de; heren, thema 4) 

92

auto (de; -‘s, thema 4)

 car

93

camp site

camping (de; -s, thema 4) 

94

haast (de; -, thema 4) 

hurry, rush

95

vol (thema 4) 

full, filled

96

 to fall

vallen (thema 4)

97

because

omdat (thema 4) 

98

ontbijt (het; -, thema 4) 

breakfast

99

reclame (de; -s, thema 4) 

advertising, publicity

100

downstairs, below

beneden (thema 4) 

101

motorway

snelweg (de; snelwegen, thema 4) 

102

 to make an appointment

afspreken (thema 4)


(sprak af, spraken af; heeft afgesproken)

103

goal, aim

doel (het; -en, thema 4) 

104

spoor (het; sporen, thema 4) 

railway, rails

105

walking

lopend (thema 4) 

106

bezoek (het; -, thema 4)

visit

107

right

rechts (thema 4) 

108

file (de: -s, thema 4)

traffic jam, queue of cars

109

to change (trains)

overstappen (thema 4) 

 


(stapte over, stapten over; is overgestapt)

110

 train compartment

coupé (de; -s, thema 4)

111

op (thema 4 en 5) 

on (time); at (place)

112

langzaam (thema 4)

 slow(ly)

113

 slow(ly)

langzaam (thema 4)

114

own

eigen (thema 4) 

115

openbaar (thema 4) 

public

116

in orde (thema 4) 

all right

117

telefoon (de; -s, thema 4) 

telephone

118

fluitje (het; -s, thema 4) 

whistle

119

solution

oplossing (de; -en, thema 4) 

120

landen (thema 4) 


(landde, landden; is geland)

to land

121

wachten (thema 4) 

 


(wachtte, wachtten; heeft gewacht)

to wait

122

rechts (thema 4) 

right

123

journey

reis (de; reizen, thema 4) 

124

centrum (het; centra, thema 4) 

centre

125

 to hurry up

opschieten (thema 4)

 


(schoot op, schoten op; is opgeschoten)

126

to close

sluiten (thema 4) 

 


(sloot, sloten; heeft gesloten)

127

 because, for

want (thema 4)

128

binnenkomen (thema 4) 


(kwam binnen, kwamen binnen; is binnengekomen)

 to enter, to come in

129

very

heel (thema 4) 

130

(train) ticket

plaatsbewijs (het; plaatsbewijzen, thema 4) 

131

close by, close to

vlakbij (thema 4) 

132

fantastic

fantastisch (thema 4) 

133

 to enter, to come in

binnenkomen (thema 4) 


(kwam binnen, kwamen binnen; is binnengekomen)

134

iemand (thema 4)

 somebody, someone

135

minuut (de; minuten, thema 4) 

minute

136

dromen (thema 4)

 


(droomde, droomden; heeft gedroomd)

 to dream

137

soon, before long

binnenkort (thema 4) 

138

roltrap (de; -pen, thema 4)

 moving staircase

139

else; otherwise

anders (thema 3, 4 en 8) 

140

bijzonder (thema 4) 

special, remarkable

141

dan (thema 3, 5 en 10) 

then; than (+ comparative)

142

bestemming (de; -en, thema 4) 

destination

143

all right

in orde (thema 4) 

144

kom op! (schiet op) (thema 4) 

come on! hurry up!

145

intercity (de; -‘s, thema 4) 

intercity train

146

resultaat (het; resultaten, thema 4) 

result

147

brug (de; -gen, thema 4) 

148

whistle

fluitje (het; -s, thema 4) 

149

early

vroeg (thema 4) 

150

traveller

reiziger (de; -s, thema 4) 

151

to have lunch

lunchen (thema 4) 

 


(lunchte, lunchten; heeft geluncht)

152

deel (het; delen, thema 4) 

part

153

shop; busisness

zaak (de; zaken, thema 4) 

154

irriteren (thema 4)

 

 


(irriteerde, irriteerden; heeft geïrriteerd)

 to irritate

155

binnenzak (de; -ken, thema 4) 

inside pocket

156

to step; to go out

stappen (thema 4) 

 




(stapte, stapten; heeft gestapt)

157

suggestion

suggestie (de; -s, thema 4) 

158

proef (de; proeven, thema 4) 

test, trial

159

vertraagd (thema 4) 

delayed

160

to drive, to ride

rijden (thema 4) 

 


(reed, reden; heeft / is gereden)

161

annoying; boring

vervelend (thema 4) 

162

 map (of city)

plattegrond (de; -en, thema 4)

163

friendly, nice; reasonable

aardig (thema 4 en 6) 

164

korting (de; -en, thema 4) 

discount

165

snelweg (de; snelwegen, thema 4) 

motorway

166

procent (het; -en, thema 4)

 per cent

167

test, trial

proef (de; proeven, thema 4) 

168

to accept

accepteren (thema 4) 


(accepteerde, accepteerden; heeft geaccepteerd)

169

radio (de; -‘s, thema 4) 

radio

170

breakfast

ontbijt (het; -, thema 4) 

171

accepteren (thema 4) 


(accepteerde, accepteerden; heeft geaccepteerd)

to accept

172

balen (thema 4) 


(baalde, baalden; heeft gebaald

to be disappointed

173

to visit

bezoeken (thema 4) 


(bezocht, bezochten; heeft bezocht)

174

lady

dame (de; -s, thema 4) 

175

absolutely, certainly

absoluut (thema 4) 

176

traffic jam, queue of cars

file (de: -s, thema 4)

177

 to irritate

irriteren (thema 4)

 

 


(irriteerde, irriteerden; heeft geïrriteerd)

178

often

vaak (thema 4) 

179

to last

duren (thema 4) 

180

bus (de; -sen, thema 4) 

bus

181

plein (het; -en, thema 4) 

square

182

want (thema 4)

 because, for

183

terrace

terras (het; terrassen, thema 4) 

184

bang (thema 4) 

 

afraid, frightened

185

come on! hurry up!

kom op! (schiet op) (thema 4) 

186

totaal (thema 4) 

total(ly)

187

vlakbij (thema 4) 

close by, close to

188

left

links (thema 4) 

189

close to, nearby

dichtbij (thema 4) 

190

double decker

dubbeldekker (de; -s, thema 4) 

191

reis (de; reizen, thema 4) 

journey

192

saai (thema 4) 

boring

193

square

plein (het; -en, thema 4) 

194

telephone

telefoon (de; -s, thema 4) 

195

enough, sufficient

genoeg (thema 4) 

196

beneden (thema 4) 

downstairs, below

197

vallen (thema 4)

 to fall

198

discount

korting (de; -en, thema 4) 

199

rustig (thema 4) 

quiet

200

binnenkort (thema 4) 

soon, before long

201

delay

vertraging (de; -en, thema 4) 

202

vliegtuig (het; -en, thema 4) 

airplane

203

railway, rails

spoor (het; sporen, thema 4) 

204

kwartier (het; -en, thema 4) 

quarter of an hour

205

te voet (thema 4) 

on foot, walking

206

then; than (+ comparative)

dan (thema 3, 5 en 10) 

207

bus

bus (de; -sen, thema 4) 

208

schoon (thema 4) 

clean

209

kaartje (het; -s, thema 4) 

ticket

210

announcer

omroeper (de; -s, thema 4) 

211

 to rent, to hire

huren (thema 4)

212

normal

normaal (thema 4) 

213

sluiten (thema 4) 

 


(sloot, sloten; heeft gesloten)

to close

214

patience

geduld (het, thema 4) 

215

clean

schoon (thema 4) 

216

los (thema 4) 

loose

217

 to stop

stoppen (thema 4)

 


(stopte, stopten; is gestopt)

218

eigenaar (de) 

owner

219

pub

kroeg (de; -en, thema 4) 

220

opschieten (thema 4)

 


(schoot op, schoten op; is opgeschoten)

 to hurry up

221

tram (de; -s, thema 4) 

tram

222

company, firm

bedrijf (het; bedrijven, thema 4) 

223

on; across

over (plaats; thema 4) 

224

centre

centrum (het; centra, thema 4) 

225

geloven (thema 4)


(geloofde, geloofden; heeft geloofd)

 to believe

226

afraid, frightened

bang (thema 4) 

 

227

passeren (thema 4) 

 


(passeerde, passeerden; heeft gepasseerd)

to pass

228

talk, conversation

gesprek (het; -ken, thema 4) 

229

doel (het; -en, thema 4) 

goal, aim

230

over (plaats; thema 4) 

on; across

231

to change

veranderen (thema 4) 

 


(veranderde, veranderden; heeft veranderd)

232

upstairs, above

boven (thema 4 en 6) 

233

retour (het; -, thema 4) 

return ticket

234

stoppen (thema 4)

 


(stopte, stopten; is gestopt)

 to stop

235

river

rivier (de; -en, thema 4) 

236

bedrijf (het; bedrijven, thema 4) 

company, firm

237

absoluut (thema 4) 

absolutely, certainly

238

jealous, envious

jaloers (thema 4) 

239

quarter of an hour

kwartier (het; -en, thema 4) 

240

 per cent

procent (het; -en, thema 4)

241

tip (de; -s, thema 4)

 tip, advice

242

negative

negatief (thema 4) 

243

modern (thema 4) 

modern

244

to land

landen (thema 4) 


(landde, landden; is geland)

245

still, yet

toch (thema 4) 

246

plan (het; plannen, thema 4) 

plan

247

 to believe

geloven (thema 4)


(geloofde, geloofden; heeft geloofd)

248

 underground, subway

metro (de; -‘s, thema 4)

249

 to (send a ) mail

mailen (thema 4)

 


(mailde, mailden; heeft gemaild)

250

camping (de; -s, thema 4) 

camp site

251

vaak (thema 4) 

often

252

iemand (thema 4)

 somebody, someone

253

to leave

vertrekken (thema 4) 

 


(vertrok, vertrokken; is vertrokken)

254

 somebody, someone

iemand (thema 4)

255

delayed

vertraagd (thema 4) 

256

to blow (wind)

waaien (thema 4) 

 


(waaide/woei, waaiden/woeien; heeft gewaaid)

257

to run

rennen (thema 4) 

 


(rende, renden; heeft gerend)

258

zwaar (thema 4) 

heavy

259

metro (de; -‘s, thema 4)

 underground, subway

260

tram

tram (de; -s, thema 4) 

261

bijna (thema 4) 

almost, nearly

262

intercity train

intercity (de; -‘s, thema 4) 

263

heer (de; heren, thema 4) 

gentleman

264

pardon (thema 4) 

sorry, excuse me

265

if, when

als (thema 4)

266

 on your way, on the road

onderweg (thema 4)

267

heel (thema 4) 

very

268

omroeper (de; -s, thema 4) 

announcer

269

ticket

kaartje (het; -s, thema 4) 

270

rennen (thema 4) 

 


(rende, renden; heeft gerend)

to run

271

rijden (thema 4) 

 


(reed, reden; heeft / is gereden)

to drive, to ride

272

sorry, excuse me

pardon (thema 4) 

273

airplane

vliegtuig (het; -en, thema 4) 

274

laten (thema 4) 

 


(liet, lieten; heeft gelaten)

to let

275

vlucht (de; -en, thema 4) 

flight

276

ander (thema 4)

 other, different

277

song

lied (het; liederen, thema 4) 

278

vertrekken (thema 4) 

 


(vertrok, vertrokken; is vertrokken)

to leave

279

advertising, publicity

reclame (de; -s, thema 4) 

280

lunchen (thema 4) 

 


(lunchte, lunchten; heeft geluncht)

to have lunch

281

minister (de; -s, thema 4) 

minister

282

coupé (de; -s, thema 4)

 train compartment

283

visit

bezoek (het; -, thema 4)

284

conducteur (de; -s, thema 4) 

guard (on a train)

285

historisch (thema 4) 

historic(al)

286

normaal (thema 4) 

normal

287

terras (het; terrassen, thema 4) 

terrace

288

capital (city)

hoofdstad (de; hoofdsteden, thema 4) 

289

guard (on a train)

conducteur (de; -s, thema 4) 

290

to wait

wachten (thema 4) 

 


(wachtte, wachtten; heeft gewacht)

291

full, filled

vol (thema 4) 

292

boven (thema 4 en 6) 

upstairs, above

293

toch (thema 4) 

still, yet

294

aardig (thema 4 en 6) 

friendly, nice; reasonable

295

modern

modern (thema 4) 

296

minister

minister (de; -s, thema 4) 

297

flight

vlucht (de; -en, thema 4) 

298

proeven (thema 4) 

 


(proefde, proefden; heeft geproefd)

to taste, to try (food, drink)

299

 somebody, someone

iemand (thema 4)

300

plattegrond (de; -en, thema 4)

 map (of city)

301

nervous

nerveus (thema 4) 

302

to succeed, to be successful

lukken (thema 4) 

 


(lukte, lukten; is gelukt)

303

 south

zuiden (het; -, thema 4)