Routledge Unit 1 Flashcards Preview

Dutch courses > Routledge Unit 1 > Flashcards

Flashcards in Routledge Unit 1 Deck (250):
1

een beetje magie

a little magic

2

belangrijk

important

3

bij

at/with

4

een charmante man

a charming man

5

directeur

director

6

en

and

7

een exportbedrijf

an export company

8

een goed gevoel voor humor

a good sense of humour

9

graag

[I) like to . . .

10

een hond

a dog

11

informatica

I.T.

12

een intelligente vrouw

an intelligent woman

13

intimiteit

intimacy

14

jij ook?

you too?

15

koken

to cook

16

het leven

life

17

lezen

to read

18

een marketingbedrijf

a marketing company

19

mijn

my

20

een modebedrijf

a fashion company

21

muziek

musIc

22

reizen

to travel

23

secretaresse

secretary

24

een serieuze relatie

a serious relationship

25

een spontane meid

a spontaneous woman

26

spontaniteit

spontaneity [informal)

27

tussen

between

28

veel

a lot

29

wat romantiek

a little romance

30

Ik ben Rutger.

I am Rutger.

31

Ik heet Rutger.

I'm called/My name is Rutger.

32

Ik werk voor een bank.

I work for a bank.

33

Ik werk in Amsterdam.

I work in Amsterdam.

34

Ik woon in Haarlem.

I live in Haarlem.

35

Ik heb een hond.

I have a dog.

36

Ik zoek een vrouw.

I'm looking for a woman.

37

Ik wil een man.

I want a man.

38

Ik vind respect belangrijk.

I think/find respect [is] important.

39

Ik praat veel.

I talk a lot.

40

Ik lach veel.

I laugh a lot.

41

Ik geniet van vakanties.

I enjoy holidays.

42

Ik hou van dansen.

I love/like dancing.

43

Ik ben directeur.

I am a director/manager.

44

Ik werk bij een modebedrijf.

I work at a fashion company.

45

Ik werk in de informatica.

Iwork in LT.

46

Ik werk voor een bank.

I work for a bank.

47

Ik ben Marloes.

I am Marloes.

48

Ik heet Jonah.

My name is Jonah. [literally: I'm called Jonah.]

49

Mijn naam is Martijn.

My name is Martijn.

50

Karelsen is de naam.

literally: Karelsen is the name.

51

Ik ben 24.

I am 24.

52

Ik ben 18 jaar.

I am 18 years old.

53

Ik ben 54 jaar Dud.

I am 54 years old.

54

Ik houd van. . .

I love/like . . .

55

een andere baan

another job

56

de bejaarden

old age pensioners

57

bij een verzekeringsbedrijf

at an insurance company

58

boodschappen doen

do the shopping

59

dat klopt

that's right/correct

60

ervaring

experience

61

goed

good/well

62

hier

here

63

inderdaad

that's right

64

jazeker

yes (indeed)

65

met

with

66

momenteel

at the moment

67

Nederlands

Dutch

68

nogal actief

quite active

69

nu

now

70

op vakantie

on holiday

71

soms

sometimes

72

u bent zeker.. .

I expect you are. . .

73

zaken

business

74

zo raar

so strange

75

U woont in Zoetermeer?

You live in Zoetermeer?

76

Je werkt in leiden?

You work in Leiden?

77

Jij ook?

You too?

78

Jij/Je spreekt Nederlands.

You speak/are speaking Dutch. (informal)

79

Jij/Je helpt bejaarden.

You help/are helping pensioners. (informal)

80

Jij/Je maakt een grapje.

You make a joke/are joking. (informal)

81

Jij/ Je leest een boek.

You read/are reading a book. (informal)

82

Jij/Je woont in Nederland.

You live/are living in the Netherlands. (informal)

83

U spreekt Nederlands.

You speak/are speaking Dutch. (formal)

84

U helpt bejaarden.

You help/are helping pensioners. (formal)

85

U maakt een grapje.

You make a joke/are joking. (formal)

86

U leest een boek.

You read/are reading a book. (formal)

87

U woont in Nederland.

You live/are living in the Netherlands. (formal)

88

Jij/Je werkt hard.

You work/are working hard. (informal)

89

U werkt hard.

You work/are working hard. (formal)

90

Jij/Je bent gek.

You are crazy/mad. (informal)

91

U bent gek.

You are crazy/mad. (formal)

92

Jij/Je hebt ervaring.

You have experience. (informal)

93

U hebt/heeft ervaring.

You have experience. (formal)

94

Jij/Je doet veel.

You do/are doing a lot. (informal)

95

U doet veel.

You do/are doing a lot. (formal)

96

Jij/Je wilt een huis.

You want a house. (informal)

97

U wil/wilt een huis.

You want a house. (formal)

98

samen

together

99

samen

English

100

altijd

always

101

leuke kinderen

nice children

102

Je spreekt goed Nederlands.

You speak Dutch well. (Directly addressing someone about his/her characteristics, behaviour or standard of work. Often this will take the form of a compliment)

103

Je doet soms zo raar.

You behave so weird sometimes. (it is not uncommon for people to criticise directly as well)

104

U bent merneer Davids?

You are Mr Davids? (Checking the information you have is correct [when reading from a CVf or instance])

105

U helpt de bejaarden?

You help the elderly? (Inviting someone to expand by repeating information as a question)

106

Jij werkt bij de Hema?!

You're working at the Hema?! (Expressing surprise [expressed through tone of voice])

107

mool zingen

to sing beautifully

108

in een schitterend huis wonen

to live in a fantastic house

109

altijd lekker koken

to be a good cook

110

nogal actief zijn

to be quite active

111

altijd vriendelijk zijn; altijd een praatje maken

to be friendly; to have a chat

112

mooi haar hebben

to have beautiful hair

113

snel antwoorden

to respond promptly

114

op school zitten

to attend school

115

genoeg geld verdienen

to earn enough money

116

altijd heimwee krijgen

always get homesick

117

dat klopt

that's correct

118

ja, inderdaad

yes, that's right

119

jazeker

yes (indeed)

120

Jij doet soms zo raar.

You act strangely sometimes.

121

Je wilt nu een andere baan?

You want another job now?

122

U bent nogal actief.

You are quite active.

123

U bent zeker de moeder van Jaap?

I expect you are the mother of Jaap? (To check that an assumption is correct)

124

Jij leest zeker de Telegraaf?

I bet you read the Telegraaf. (to assume [sarcastically] that someone/something has a particular characteristic)

125

stemmen

to vote

126

een dieet volgenvaak

to be on [follow)a diet

127

vaak

often

128

fietsen

to cycle

129

in Zoetermeer

in Zoetermeer

130

bij een verzekeringsbedrijf

at/with an insurance company

131

op vakantie

on holiday

132

houden van

to like, to love

133

denken aan

to think of

134

ervaring hebben met

to have experience with

135

kijken naar

to look at/to watch

136

rijden in

to drive in

137

Ik heb een nieuwe laptop.

I have a new laptop.

138

Computers zijn erg duur.

Computers are very expensive.

139

de afdeling

the department

140

het artikel

article

141

echt

really

142

het functioneringsgesprek

job appraisal

143

goede communicatieve vaardigheden

good communication skills

144

het grachtenhuis

house situated at the side of a canal in a town [usually a very prestigious house!

145

het grachtenhuis

big

146

hartje

in the centre

147

hartstikke

very, really (very informal)

148

jong, aantrekkelijk, rijk

young, attractive, rich

149

lief

sweet

150

met enthousiasme

with enthusiasm

151

midden in

in the middle/in the centre

152

ontzettend

very, terribly, extremely

153

praten over

to talk about

154

het vriendje

boyfriend

155

haar werk

her work

156

ze is verantwoordelijk voor de administratie

she is responsible for the administration

157

Hij/Zij/Ze werkt bij een bank.

He/She works/is working at a bank.

158

Hij/Zij/Ze woont in Engeland.

He/She lives/is living in England.

159

Hij/Zij/Ze is I.T.-manager.

He/She is I.T. Manager.

160

Hij/Zij/Ze heeft een hond.

He/She has a dog.

161

Hij/Zij/Ze doet veel.

He/She does a lot/is doing a lot.

162

hoge cijfers

good grades

163

komen

to come

164

morgen

tomorrow

165

Ze werkt nu drie maanden op de afdeling.

She has been working in the department for three months [now].

166

nu

now

167

al

already (for as long as)

168

pas

only

169

nog maar

only

170

accuraat

accurate

171

enthousiast

enthusiastic

172

zorgvuldig

conscientious

173

zelfstandig

independent

174

bij haar ouders

with her parents

175

lerares

teacher (female)

176

haar man

her husband

177

rust

peace and quiet

178

sparen voor een wereldreis

to save up for a trip around the world

179

weinig

little

180

zelfverzekerd

self-assured, confident

181

hij heeft echt veel geld

he really has a lot of money

182

hij woont in een ontzettend groot huis

he lives in a terribly big house

183

hij is hartstikke lief

he is really sweet

184

charmant

charming

185

geliefd zijn bij haar leerlingen

popular with her pupils

186

jong

young

187

knap

good looking

188

mooi

beautiful

189

op een gerenommeerde universiteit werken

working at a renowned university

190

open

open

191

spontaan

spontaneous

192

van avontuur,cultuur en andere vrouwen houden

to like adventure, culture and other women

193

arrogant

arrogant

194

brutaal

brazen, boldbrazen - bezostyšný , nestydatý , nestoudný nestydící se

195

populair

popular

196

Ze is accuraat en (ze) doet haar werk met enthousiasme.

She is accurate and (she) does her work with enthusiasm.

197

altijd

always

198

gezond

healthy

199

hou . . . schoon

keep clean

200

jullie

you (plural) (for you)

201

de mededeling

notice

202

onze leden

our members

203

we staan klaar

we're there

204

wij/we (stressed/unstressed)

we (stressed/unstressed)

205

jullie/(je) (stressed/unstressed)

you [plural, informal] (stressed/unstressed)

206

u/u (stressed/unstressed)

you [plural, formal] (stressed/unstressed)

207

zij/ze (stressed/unstressed)

they (stressed/unstressed)

208

Wij helpen jullie.

We help you.

209

Jullie helpen Gezond & Fit.

You help Gezond & Fit.

210

U werkt te hard, mevrouw.

You work too hard, madam.

211

We staan altijd klaar voor de gym.

We're always there for the gym.

212

Jullie hebben een groot huis.

You have a big house.

213

Heren, wilt u koffie?

Gentlemen, would you like some coffee?

214

mijn/(m'n) (stressed/unstressed)

my (stressed/unstressed)

215

jouw/je (stressed/unstressed)

your (informal) (stressed/unstressed)

216

uw (stressed)

your (formal) (stressed)

217

zijn/(z'n) (stressed/unstressed)

his (stressed/unstressed)

218

haar/(d'r) (stressed/unstressed)

her (stressed/unstressed)

219

ons(onze) (stressed)

our (stressed)

220

jullie/je (stressed/unstressed)

your (informal) (stressed/unstressed)

221

uw (stressed)

your (formal) (stressed)

222

hun (stressed)

their (stressed)

223

Dit is niet jouw project maar mijn project.

This isn't your project but my project.

224

Hou de gym schoon

Keep the gym clean/tidy.

225

Help ons.

Help us.

226

Kom naar ons feest.

Come to our party.

227

bakken

to bake

228

geven

to give

229

kleren

clothes

230

kunt

can

231

het lied

song

232

oude

old

233

het spel

game

234

versieren

to decorate

235

verzamelen

to collect

236

de zaal

hall

237

aankleding

decoration

238

de bibliotheek

library

239

de binnenstad

town centre

240

de Burcht

(old) fortress (pevnost, tvrz)

241

fantasierijk

imaginative

242

de jeugd

youth

243

kortom

in short

244

kriebels voelen

itching to do something (to go out/travel/dance/etc.)

245

kunstzinnig

artistic

246

nernen deel aan

take part in

247

staat hun te wachten

awaits them

248

uitbundig

exuberant (zivy, bujary)

249

verwachten

to expect

250

zomerkriebels

the summer itch