Lekce 16 Flashcards Preview

Dutch courses > Lekce 16 > Flashcards

Flashcards in Lekce 16 Deck (100):
1

aan
in: aan tafel

u
u stolu, ke stolu

2

aardappel, de
aardappelen/aardappels

brambora

3

bah!

fuj!

4

bloemkool, de

květák

5

bord, het

talíř

6

botersaus, de

máslová (bešamelová) omáčka

7

brengen; bracht, gebracht

přinést

8

bult, de
in: eigen schuld dikke bult

boule
to je tvoje vina, můžeš si za to sám/sama

9

dekken

prostřít

10

dik

tlustý

11

eet smakelijk

dobrou chuť

12

gepast

vhodný

13

groente, de; groenten

zelenina

14

huishouden, het

domácnost

15

huishouding, de

domácnost

16

huisvrouw, de

hospodyně

17

ieder

každý

18

kennen

znát

19

leggen

položit

20

lepel, de; lepels

lžíce

21

liggen; lag, gelegen

ležet

22

mes, het; messen

nůž

23

prijzen; prees, geprezen

chválit

24

ruiken

vonět

25

schuld, de

vina

26

smakelijk

chutný

27

soep, de

polévka

28

thuis

doma

29

trots op

hrdý na

30

uit/delen

rozdělovat, rozdávat

31

vlees, het

maso

32

vork, de; vorken

vidlička

33

weer

zase

34

werkelijk

opravdu

35

zelf

sám

36

zelfs

dokonce

37

zich thuis voelen

cítit se doma

38

zitten; zat, gezeten

sedět

39

zoals

tak jako

40

zonder

bez

41

helft, de

polovina

42

kwart, het

čtvrtina

43

pasta

těstoviny

44

rijst, de

rýže

45

kiezen voor

vybrat si co

46

voorafje, het/voorgerecht

předkrm

47

toetje, nagerecht, het

zákusek

48

ijs/ijsje, het

zmrzlina

49

vla, de

pudink

50

wie is dat?

kdo to je?

51

wie zie je?

Koho vidíš?

52

Aan wie denk je?

Na koho myslíš?

53

wie

kdo?

54

van wie, wiens

koho?

55

wie, aan wie
Wie/aan wie schrijf je de brief?

komu?

56

wie
Wie zie je?

koho?

57

wat is dat?

co to je?

58

wat zie je?

co vidíš?

59

Waaraan denk je?

Na co myslíš?

60

waar + over?

o čem?

61

waar + in?

v čem?

62

waar + mee?

s čím?

63

waar + toe?

k čemu?

64

waar + bij?

u čeho?

65

waar + aan?

na co?

66

Wat een man!

Jaký to skvělý člověk!

67

Hoe oud is het kind?

Jak staré je to dítě?

68

Hij is acht, zoals je weet.

Je mu osm, jak víš.

69

de man, die

muž, který

70

het kind, dat

dítě, které

71

de mensen, die

kteří

72

Waar woon je?

Kde bydlíš?

73

Hoe gaat het?

Jak se máš?

74

Waar ga je naartoe?

Kam jdeš?

75

Hoeveel broers heb je?

Kolik máš bratrů?

76

Welk gerecht vind je lekker?

Jaké jídlo máš rád?

77

Met wie werk je samen?

S kým pracuješ?

78

Over wie praat je?

O kom mluvíš?

79

Waarover praat je?/Waar praat je over?

O čem mluvíš?

80

Wat heb je nodig?

Co potřebuješ?

81

Op wie wacht je?

Na koho čekáš?

82

Waarop wacht je?/Waar wacht je op?

Na co čekáš?

83

Aan wie denk je?

Na koho myslíš?

84

Wat lees je?

Co čteš?

85

"Wie was de vrouw, die je groette?"

Kdo byla ta žena, kterou jsi zdravil?

86

"Welke vrouw?"

Která žena?

87

De jonge vrouw met de fiets?

Ta mladá žena s jízdním kolem?

88

Dat is toch Hanneke, over wie ik je vertelde. Ze werkte vroeger met mijn vrouw in de winkel, die vlakbij ons huis is.

To je přece Hanneke, o které jsem ti vyprávěl. Pracovala dříve s mou ženou v obchodě, který je blíkzo u našeho domu.

89

Nu werkt Hanneke net meer, ze heeft twee kleine kinderen, die heel lief zijn.

Teď už Hanneke nepracuje, má dvě malé děti, kterou jsou velmi milé

90

Hanneke is een goede huisvrouw, het is bij haar altijd gezellig.

Hanneke je dobrá hospodyně, je to u ní vždy útulné.

91

Maar Hanneke heeft vaak hulp nodig.

Ale Hanneke potřebuje často pomoc.

92

Haar kinderen, over wie ik je vertelde, zijn nog heel klein en het jongere heeft een hartkwaal.

Její děti, o nichž jsem ti povídal, jsou ještě velmi malé a to mladší má bohužel srdeční vadu.

93

Stel je het maar voor, zo'n klein, lief kind!

Představi si, takové malé, milé dítě!

94

Maar in het gezondheidscentrum zeggen ze dat het beter zal worden/het weer goed zal komen/, dat het niet zo ernstig is.

Ale ve zdravotním středisku říkají, že to zase bude dobré, není to tak vážné.

95

Mijn vrow helpt haar in het huishouden en Hanneke is elke dag heel lang met het kleintje, dat de hartkwaal heeft, buiten.

Moje žena pomáhá Hanneke v domácnosti a Hanneke je každý den velmi dlouho s tím maličkým, které má ten neduh, venku.

96

Hanneke is erg blij dat mijn vrouw haar helpt.

Hanneke je velmi ráda, že jí moje žena pomáhá.

97

"Ik ben je zo dankbaar", zegt ze altijd tegen mijn vrouw.

Já jsem ti tak vděčná, říká vždycky mé ženě.

98

"Waarvoor?" vraagt mijn vrouw.

Za co? ptá se jí má žena.

99

Ik help je toch graag.

Já ti přece ráda pomáhám.

100

ja, mijn vrouw weet van aanpakken.

Ano, moje žena si umi poradit.