H10: Motivatie en emotie Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H10: Motivatie en emotie > Flashcards

Flashcards in H10: Motivatie en emotie Deck (144)
Loading flashcards...
31

Waarom is vanuit evolutionair standpunt seksueel gedrag een interessant gegeven

Dit gedrag bevat een hele reeks kenmerkend die de kans op voortplanting verkleinen.
Ten 1e gaan grote hoeveelheden tijd en energie verloren in het vinden van een geschikte partner. Ten 2e is het moment waarop de geslachtsgemeenschap plaatsvindt een moment van verhoogde kwetsbaarheid (veel prooidieren hebben op die manier hun leven verloren). Ten 3e verhoogt geslachtsgemeenschap de verspreiding van levensbedreigende bacteriën en virussen. Tot slot gaat seksualiteit bij veel diersoorten gepaard met frustratie en agressie, vooral bij de mannen, wegens het ontbreken van toegang tot een partner.

32

Waarom wegen de nadelen van voortplanting niet op tegen de voordelen die verbonden zijn aan de genetische diversiteit die gepaard gaat met seksuele reproductie?

Doordat genetische materiaal van 2 individuen met elkaar versmolten wordt, ontstaat een veel grotere variatie aan nakomelingen dan men kan verkrijgen vanuit 1 enkel individu. Dit betekent dat de soort zich gemakkelijker aan veranderende omstandigheden kan aanpassen omdat er altijd wel een paar individuen zijn die over de juiste genetische combinatie beschikken om een specifieke toestand aan te kunnen.

33

Wat zijn de belangrijkste geslachtshormonen?

De "vrouwelijke" hormoon oestrogeen en progesteron en de de "mannelijke" hormoon testosteron. Zowel mannen en vrouwen produceren beide types van hormonen

34

Wanneer is het effect van testosteron het grootst?

Als het prenataal toegediend wordt (Afonso & Pfaus)

35

Coolidge-effect

Na gemeenschap met een partner brengt de introductie van een andere partner meestal een snellere hernieuwde activiteit teweeg

36

Waarom veroorzaakte het Kinsey-rapport (1950) veel ophef?

Omdat de ondervraagde een grotere frequentie en verscheidenheid van sexuele omgang rapporteerde dan verwacht werd. 90% van de mannen en 50% van de vrouwen zeiden voor het huwelijk seks te hebben gehad. Het totale aantal orgasmen per week dat door mannen vermeld werd, lag ook hoger dan men aannam (2x per week op de leeftijd van 20 en 1,5 maal per week op leeftijd van 40; bij vrouwen was dit 0,5x per week op beide leeftijden)

36

Waarom veroorzaakte het Kinsey-rapport (1950) veel ophef?

Omdat de ondervraagde een grotere frequentie en verscheidenheid van sexuele omgang rapporteerde dan verwacht werd. 90% van de mannen en 50% van de vrouwen zeiden voor het huwelijk seks te hebben gehad. Het totale aantal orgasmen per week dat door mannen vermeld werd, lag ook hoger dan men aannam (2x per week op de leeftijd van 20 en 1,5 maal per week op leeftijd van 40; bij vrouwen was dit 0,5x per week op beide leeftijden)

37

Welke vraag wilde Kinsey nog meer beantwoorden?

Hoe vaak samenlevende heteroseksuele partners seks met elkaar hebben. Uit zijn resultaten bleek dat een getrouwd paar van gemiddeld 20 jaar 3x per week seks hebben. Dit aantal nam af naargelang van de leeftijd.

37

Welke vraag wilde Kinsey nog meer beantwoorden?

Hoe vaak samenlevende heteroseksuele partners seks met elkaar hebben. Uit zijn resultaten bleek dat een getrouwd paar van gemiddeld 20 jaar 3x per week seks hebben. Dit aantal nam af naargelang van de leeftijd.

38

Wat is de definitie van homoseksualiteit?

Homoseksualiteit wordt in verschillende studies enigszins anders gedefinieerd. Soms verwijst de definitie naar het hebben van seksuele gevoelens voor mensen van het eigen geslacht, soms naar het effectief hebben van seks met die personen.

De schatting van het voorkomen van homoseksualiteit verschilt afhankelijk van de definitie die gehanteerd wordt (gevoelens vs gedrag) en is ook afhankelijk van de tijdsperiode die men in aanmerking neemt

38

Wat is de definitie van homoseksualiteit?

Homoseksualiteit wordt in verschillende studies enigszins anders gedefinieerd. Soms verwijst de definitie naar het hebben van seksuele gevoelens voor mensen van het eigen geslacht, soms naar het effectief hebben van seks met die personen.

De schatting van het voorkomen van homoseksualiteit verschilt afhankelijk van de definitie die gehanteerd wordt (gevoelens vs gedrag) en is ook afhankelijk van de tijdsperiode die men in aanmerking neemt

39

Waar hangt het percentage homoseksualiteit van af?

- Het percentage zal hoger liggen als men aan de proefpersonen vraagt of zij ooit wel eens geslachtsgemeenschap gehad hebben met iemand van hetzelfde geslacht, dan wanneer men vraagt of zij in het afgelopen jaar dergelijke gemeenschap hebben gehad.

- Wanneer men homoseksualiteit definieert als het ooit gehad hebben van seksuele gevoelens voor iemand van hetzelfde geslacht, dan verkrijgt men schattingen die boven de 20% kunnen liggen.

-Als men aan de proefpersonen vraagt of ze tijdens het afgelopen jaar seks gehad hebben met iemand van hetzelfde geslacht, dan liggen de schattingen gewoonlijk tussen de 1% en 3%. Dit was bijv. ook het geval in een studie die Stanfort et al uitvoerden bij een representatieve steekproef van 7000 Nederlanders. Zij classificeerden de proefpersonen als homo- of heteroseksueel op basis van het gerapporteerde seksuele gedrag in het voorbije jaar: 2,8% van de mannen en 1,4% van de vrouwen leek op basis van deze definitie homoseksueel te zijn. Zoals bij andere studies over dit onderwerp stelden ook deze onderzoekers vast dat 15% van de proefpersonen ofwel de vraag niet beantwoord had ofwel een oninterpreteerbaar antwoord gegeven had

39

Waar hangt het percentage homoseksualiteit van af?

- Het percentage zal hoger liggen als men aan de proefpersonen vraagt of zij ooit wel eens geslachtsgemeenschap gehad hebben met iemand van hetzelfde geslacht, dan wanneer men vraagt of zij in het afgelopen jaar dergelijke gemeenschap hebben gehad.

- Wanneer men homoseksualiteit definieert als het ooit gehad hebben van seksuele gevoelens voor iemand van hetzelfde geslacht, dan verkrijgt men schattingen die boven de 20% kunnen liggen.

-Als men aan de proefpersonen vraagt of ze tijdens het afgelopen jaar seks gehad hebben met iemand van hetzelfde geslacht, dan liggen de schattingen gewoonlijk tussen de 1% en 3%. Dit was bijv. ook het geval in een studie die Stanfort et al uitvoerden bij een representatieve steekproef van 7000 Nederlanders. Zij classificeerden de proefpersonen als homo- of heteroseksueel op basis van het gerapporteerde seksuele gedrag in het voorbije jaar: 2,8% van de mannen en 1,4% van de vrouwen leek op basis van deze definitie homoseksueel te zijn. Zoals bij andere studies over dit onderwerp stelden ook deze onderzoekers vast dat 15% van de proefpersonen ofwel de vraag niet beantwoord had ofwel een oninterpreteerbaar antwoord gegeven had

40

Waarom nemen onderzoekers aan dat stress gepaard gaat met het feit dat homoseksuelen iets vaker psychische problemen rapporteren?

Omdat koppels van het zelfde geslacht vaak tegen veel vooroordelen moeten opboksen.

40

Waarom nemen onderzoekers aan dat stress gepaard gaat met het feit dat homoseksuelen iets vaker psychische problemen rapporteren?

Omdat koppels van het zelfde geslacht vaak tegen veel vooroordelen moeten opboksen.

41

Prestatiemotivatie

De motivatie om iets te verwezenlijken en dit goed te doen.

41

Prestatiemotivatie

De motivatie om iets te verwezenlijken en dit goed te doen.

42

Wat was de eerste belangrijke theorie over prestatiemotivatie?

Dat is de theorie van David McClelland. Deze theorie is gebaseerd op behoefte en stelde dat prestaties het resultaat zijn van een emotioneel conflict tussen het streven naar succes en het vermijden van mislukking

42

Wat was de eerste belangrijke theorie over prestatiemotivatie?

Dat is de theorie van David McClelland. Deze theorie is gebaseerd op behoefte en stelde dat prestaties het resultaat zijn van een emotioneel conflict tussen het streven naar succes en het vermijden van mislukking

43

Prestatiedrang

De behoefte om iets te verwezenlijken en dit goed te doen. Volgens McClelland is dit een relatief stabiele persoonlijkheidstrek.

43

Prestatiedrang

De behoefte om iets te verwezenlijken en dit goed te doen. Volgens McClelland is dit een relatief stabiele persoonlijkheidstrek.

44

Faalangst

Een angst die voorkomt uit de schaamte die men voelt bij een mislukking. Door deze faalangst gaan mensen situaties vermijden die tot een mislukking kunnen leiden. Ook de mate van faalangst werd door McClelland als een relatief stabiele persoonlijkheidstrek beschouwd

44

Faalangst

Een angst die voorkomt uit de schaamte die men voelt bij een mislukking. Door deze faalangst gaan mensen situaties vermijden die tot een mislukking kunnen leiden. Ook de mate van faalangst werd door McClelland als een relatief stabiele persoonlijkheidstrek beschouwd

45

Wat bepaald de balans tussen prestatiedrang en faalangst?

De richting en de intensiteit van de prestaties

45

Wat bepaald de balans tussen prestatiedrang en faalangst?

De richting en de intensiteit van de prestaties

46

Waar hangt de grootte van prestatiedrang af?

De prestatiedrang wordt niet bepaald door de prestatiebehoefte in een persoon, maar door de waarde van het doel voor de persoon en de verwachting die de persoon heeft om het doel te bereiken. De mate van faalangst hangt dan ook af van de sterkte van de negatieve gevolgen bij een mislukking (hoe sterker deze gevolgen, hoe hoger de angst) en de verwachte kans dat het doel niet bereikt zal worden.

46

Waar hangt de grootte van prestatiedrang af?

De prestatiedrang wordt niet bepaald door de prestatiebehoefte in een persoon, maar door de waarde van het doel voor de persoon en de verwachting die de persoon heeft om het doel te bereiken. De mate van faalangst hangt dan ook af van de sterkte van de negatieve gevolgen bij een mislukking (hoe sterker deze gevolgen, hoe hoger de angst) en de verwachte kans dat het doel niet bereikt zal worden.

47

Wat wordt er binnen het doelgerichte kader van McClelland duidelijk?

Dat zijn werk beperkt tot de intrinsieke motivatie voor doelen die een individu zichzelf stelt

47

Wat wordt er binnen het doelgerichte kader van McClelland duidelijk?

Dat zijn werk beperkt tot de intrinsieke motivatie voor doelen die een individu zichzelf stelt

48

Door welke 3 componenten wordt volgens doelgebaseerde theorieën de prestatiemotivatie bepaald? (Elliot et al)

- Taakmotivatie: men wil de activiteit tot een goed einde brengen (het taakdoel bereiken). Grosso modo komt deze component overeen met de prestatiedrang van McClelland en de intrinsieke motivatie.

- Egodoelen zijn gericht op het prestatieniveau en op de positie ten opzichten van anderen. Mensen met sterke egodoelen hechten veel belang aan de indruk die ze op andere maken.
Bij egodoelen wordt een onderscheid gemaakt tussen positieve egodoelen die toenadering zoeken, en negatieve egodoelen die vermijding induceren. De negatieve egodoel komt overeen met de faalangst van McClelland