H10: Motivatie en emotie Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H10: Motivatie en emotie > Flashcards

Flashcards in H10: Motivatie en emotie Deck (144)
Loading flashcards...
48

Door welke 3 componenten wordt volgens doelgebaseerde theorieën de prestatiemotivatie bepaald? (Elliot et al)

- Taakmotivatie: men wil de activiteit tot een goed einde brengen (het taakdoel bereiken). Grosso modo komt deze component overeen met de prestatiedrang van McClelland en de intrinsieke motivatie.

- Egodoelen zijn gericht op het prestatieniveau en op de positie ten opzichten van anderen. Mensen met sterke egodoelen hechten veel belang aan de indruk die ze op andere maken.
Bij egodoelen wordt een onderscheid gemaakt tussen positieve egodoelen die toenadering zoeken, en negatieve egodoelen die vermijding induceren. De negatieve egodoel komt overeen met de faalangst van McClelland

49

Waartoe zullen mensen met negatieve egodoelen toe geneigd zijn?

Zij zullen geneigd zijn om zich prestatiedoelen te stellen die ofwel beneden hun capaciteiten liggen (veel kans op slagen), ofwel ver erboven (deze doelen zijn voor iedereen onbereikbaar dus niet bedreigend).

49

Waartoe zullen mensen met negatieve egodoelen toe geneigd zijn?

Zij zullen geneigd zijn om zich prestatiedoelen te stellen die ofwel beneden hun capaciteiten liggen (veel kans op slagen), ofwel ver erboven (deze doelen zijn voor iedereen onbereikbaar dus niet bedreigend).

50

Zelf-handicappen

Dit is een andere manier om aan faalangst te ontsnappen dmv zichzelf een handicap te verschaffen.

Dit is een tactiek waar iemand de gevolgen van falen voor zichzelf probeert te minimaliseren en de gevolgen van succes probeert te maximaliseren door externe factoren.

50

Zelf-handicappen

Dit is een andere manier om aan faalangst te ontsnappen dmv zichzelf een handicap te verschaffen.

Dit is een tactiek waar iemand de gevolgen van falen voor zichzelf probeert te minimaliseren en de gevolgen van succes probeert te maximaliseren door externe factoren.

51

Waarom veroorzaakte het Kinsey-rapport (1950) veel ophef?

Omdat de ondervraagde een grotere frequentie en verscheidenheid van sexuele omgang rapporteerde dan verwacht werd. 90% van de mannen en 50% van de vrouwen zeiden voor het huwelijk seks te hebben gehad. Het totale aantal orgasmen per week dat door mannen vermeld werd, lag ook hoger dan men aannam (2x per week op de leeftijd van 20 en 1,5 maal per week op leeftijd van 40; bij vrouwen was dit 0,5x per week op beide leeftijden)

52

Welke vraag wilde Kinsey nog meer beantwoorden?

Hoe vaak samenlevende heteroseksuele partners seks met elkaar hebben. Uit zijn resultaten bleek dat een getrouwd paar van gemiddeld 20 jaar 3x per week seks hebben. Dit aantal nam af naargelang van de leeftijd.

53

Wat is de definitie van homoseksualiteit?

Homoseksualiteit wordt in verschillende studies enigszins anders gedefinieerd. Soms verwijst de definitie naar het hebben van seksuele gevoelens voor mensen van het eigen geslacht, soms naar het effectief hebben van seks met die personen.

De schatting van het voorkomen van homoseksualiteit verschilt afhankelijk van de definitie die gehanteerd wordt (gevoelens vs gedrag) en is ook afhankelijk van de tijdsperiode die men in aanmerking neemt

54

Waar hangt het percentage homoseksualiteit van af?

- Het percentage zal hoger liggen als men aan de proefpersonen vraagt of zij ooit wel eens geslachtsgemeenschap gehad hebben met iemand van hetzelfde geslacht, dan wanneer men vraagt of zij in het afgelopen jaar dergelijke gemeenschap hebben gehad.

- Wanneer men homoseksualiteit definieert als het ooit gehad hebben van seksuele gevoelens voor iemand van hetzelfde geslacht, dan verkrijgt men schattingen die boven de 20% kunnen liggen.

-Als men aan de proefpersonen vraagt of ze tijdens het afgelopen jaar seks gehad hebben met iemand van hetzelfde geslacht, dan liggen de schattingen gewoonlijk tussen de 1% en 3%. Dit was bijv. ook het geval in een studie die Stanfort et al uitvoerden bij een representatieve steekproef van 7000 Nederlanders. Zij classificeerden de proefpersonen als homo- of heteroseksueel op basis van het gerapporteerde seksuele gedrag in het voorbije jaar: 2,8% van de mannen en 1,4% van de vrouwen leek op basis van deze definitie homoseksueel te zijn. Zoals bij andere studies over dit onderwerp stelden ook deze onderzoekers vast dat 15% van de proefpersonen ofwel de vraag niet beantwoord had ofwel een oninterpreteerbaar antwoord gegeven had

55

Waarom nemen onderzoekers aan dat stress gepaard gaat met het feit dat homoseksuelen iets vaker psychische problemen rapporteren?

Omdat koppels van het zelfde geslacht vaak tegen veel vooroordelen moeten opboksen.

56

Prestatiemotivatie

De motivatie om iets te verwezenlijken en dit goed te doen.

57

Wat was de eerste belangrijke theorie over prestatiemotivatie?

Dat is de theorie van David McClelland. Deze theorie is gebaseerd op behoefte en stelde dat prestaties het resultaat zijn van een emotioneel conflict tussen het streven naar succes en het vermijden van mislukking

58

Prestatiedrang

De behoefte om iets te verwezenlijken en dit goed te doen. Volgens McClelland is dit een relatief stabiele persoonlijkheidstrek.

59

Faalangst

Een angst die voorkomt uit de schaamte die men voelt bij een mislukking. Door deze faalangst gaan mensen situaties vermijden die tot een mislukking kunnen leiden. Ook de mate van faalangst werd door McClelland als een relatief stabiele persoonlijkheidstrek beschouwd

60

Wat bepaald de balans tussen prestatiedrang en faalangst?

De richting en de intensiteit van de prestaties

61

Waar hangt de grootte van prestatiedrang af?

De prestatiedrang wordt niet bepaald door de prestatiebehoefte in een persoon, maar door de waarde van het doel voor de persoon en de verwachting die de persoon heeft om het doel te bereiken. De mate van faalangst hangt dan ook af van de sterkte van de negatieve gevolgen bij een mislukking (hoe sterker deze gevolgen, hoe hoger de angst) en de verwachte kans dat het doel niet bereikt zal worden.

62

Wat wordt er binnen het doelgerichte kader van McClelland duidelijk?

Dat zijn werk beperkt tot de intrinsieke motivatie voor doelen die een individu zichzelf stelt

63

Door welke 3 componenten wordt volgens doelgebaseerde theorieën de prestatiemotivatie bepaald? (Elliot et al)

- Taakmotivatie: men wil de activiteit tot een goed einde brengen (het taakdoel bereiken). Grosso modo komt deze component overeen met de prestatiedrang van McClelland en de intrinsieke motivatie.

- Egodoelen zijn gericht op het prestatieniveau en op de positie ten opzichten van anderen. Mensen met sterke egodoelen hechten veel belang aan de indruk die ze op andere maken.
Bij egodoelen wordt een onderscheid gemaakt tussen positieve egodoelen die toenadering zoeken, en negatieve egodoelen die vermijding induceren. De negatieve egodoel komt overeen met de faalangst van McClelland

64

Waartoe zullen mensen met negatieve egodoelen toe geneigd zijn?

Zij zullen geneigd zijn om zich prestatiedoelen te stellen die ofwel beneden hun capaciteiten liggen (veel kans op slagen), ofwel ver erboven (deze doelen zijn voor iedereen onbereikbaar dus niet bedreigend).

65

Zelf-handicappen

Dit is een andere manier om aan faalangst te ontsnappen dmv zichzelf een handicap te verschaffen.

Dit is een tactiek waar iemand de gevolgen van falen voor zichzelf probeert te minimaliseren en de gevolgen van succes probeert te maximaliseren door externe factoren.

66

Hoe worden prestatiedrang en faalangst volgens McClelland geleerd?

Op basis van opvoeding die mensen kregen en de ervaringen die ze tijdens hun leven meemaakte. Ook binnen de doelgerichte visies over prestatiemotivaties gaat men ervan uit dat de waarden van doelen en de verwachtingen om de de doelen te bereiken, grotendeels tot stand komt op basis van een leerproces

67

Welke variabelen zijn er als het gaat om de invloed die ouders op hun kinderen hebben?

- De mate van stimulatie thuis

- Opvoedingsstijl

- Het geloof de ouders in de vaardigheden van hun kinderen

68

Zelfregulatie (Bandura)

Het proces waarbij iemand doelen stelt en zichzelf beloont bij het bereiken van die doelen. Dit is een zeer efficiënte manier om jezelf te motiveren

69

Hoe werkt zelfregulatie het best?

- Ten 1e helpt het om tastbare beloningen te gebruiken

- ten 2e is het beter om met expliciete kortetermijndoelen te werken dan met algemene langetermijndoelen.

- Ten 3e is het belangrijk dat je realistische doelen leert stellen, doelen die een goede kans van slagen hebben (zodat je de bijbehorende bekrachtiging kunt ervaren)

70

Wat is van belang bij het ontstaan van faalangst?

- Het meemaken van mislukkingen
- De manier waarop men tegen de mislukkingen aankijkt?

71

Welke 2 verschillende reacties van kinderen die geconfronteerd worden met een moeilijke taak wordt door Diener en Dweck beschreven?

- Sommige kinderen begonnen al snel een gevoel van hulpeloosheid te vertonen, schreven de mislukking toe aan hun eigen tekorten en geven het op

- Andere kinderen bleven relatief opgewekt en probeerden allerlei strategieën uit terwijl ze zichzelf moed inspraken.

Deze kinderen presteerden hetzelfde op een taak dat onder hun niveau lag

72

Wanneer interpreteren mensen mislukkingen als een egodoel en wanneer als men de mislukking interpreteert aan een veranderbare eigenschap in het algemeen volgens Elliot en Dweck

Als mensen mislukking volgens egodoelen zullen interpreteren als ze ervan overtuigd zijn dat de mislukking te wijten is aan iets dat niet te veranderen is (bij een vaststaande persoonlijkheidstrek). Wanneer mensen daarentegen geloven dat de mislukking te wijten is aan een veranderbare eigenschap, dan zullen ze die gemakkelijker volgens een taakdoel interpreteren

73

Wat is een ander reden voor overdreven faalangst?

De perceptie van een mislukking. Sommige mensen hebben angst voor activiteiten waar ze niet mee vertrouwd zijn, omdat ze een catastrofale visie hebben over de gevolgen van een mogelijke mislukking

Andere mensen hebben teveel angst dat iets als een mislukking gezien zal worden en blijven te lang met een activiteit bezig. Hun perfectionisme verhindert hen om iets af te werken

74

Wat zijn emoties?

Dit is moeilijker te definiëren dan je op het eerste gezicht verwacht. Onderzoekers onderscheiden op zijn minst 3 aspecten in de emotie:

- Een evaluatie van de stimulus (cognitieve beoordeling)

- Een respons (in de vorm van een fysiologische opwinding, een gezichtsuitdrukking en bepaalde gedragingen)

- Een subjectieve ervaring

Op basis hiervan omschrijven we emotie als een reactie op een stimulus die bestaat uit een fysiologische opwinding en gepaard gaat met een evaluatie van de stimulus, een gezichtsuitdrukking en een subjectieve ervaring

75

Waarom zijn emoties heftiger dan denkprocessen?

Dit komt omdat ze gepaard gaan met lichamelijke veranderingen