H13: De persoonlijkheid Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H13: De persoonlijkheid > Flashcards

Flashcards in H13: De persoonlijkheid Deck (163)
Loading flashcards...
31

Latentiefase

Bij een 6-jarige is volgens Freud de basis van de persoonlijkheid gelegd, afhankelijk van hoe het kind gereageerd heeft tijdens de 3 vorige fasen. Na het oplossen van het Oedipus of het Elektracomplex komt het kind in de latentiefase terecht, een periode van relatieve psychoseksuele rust. Tijdens deze periode verliezen de kinderen hun interesse voor seksualiteit en gaan ze volledig op in vriendschappen met kinderen van hetzelfde geslacht. Het kind heeft de neiging om het andere geslacht te vermijden, maar is wel geïnteresseerd in seksorganen en grapjes die met seks en het lichaam te maken heeft.

32

Genitale fase

Bij de puberteit is er een korte terugkeer van het Oedipus en het Elektracomplex. Hierdoor heeft de jonge adolescent initieel een voorkeur voor oudere personen van het andere geslacht. Deze bevlieging verdwijnt wanneer een geschikte seksuele partner gevonden wordt. Als alles goed gegaan is in de vorige fase, dan zal het individu nu de genitale fase betreden, die bestaat uit een verstrengeling van lust en affectie. Hierdoor is de persoon in staat om de rol van volwassene met verantwoordelijksgevoel op te nemen.

33

Wat is de enige manier om zicht te krijgen op persoonlijkheid te bepalen.

Om zicht te krijgen op deze processen is te kijken naar zichtbare symptomen van de onderliggende conflicten. Doordat het onbewuste op tijd en stond energie moet kwijtraken, zal deze energie zicht uiten in gedragingen, die de persoon zelf als vaak en onbetekenend ervaart, maar die door een therapeut geduid kunnen worden

34

Droomanalyse

Psychoanalytische veronderstelling dat de symbolen in een droom (de manifeste droominhoud) aanwijzingen geven over het onderbewuste van de dromer (de latente droominhoud)

35

Wat is een andere manier om zicht te krijgen op de onbewuste dynamiek?

De persoon te vragen om vrijuit te zeggen wat in geest opkomt, zonder zich zorgen te maken over de relevantie van de herinneringen. Als de persoon zich in een veilig situatie zit verzwakken de afweermechanismen, die normaal voor zorgen dat de angstopwekkende gedachten in het onbewuste opgesloten blijven.

Op die manier kan vrije associatie informatie opleveren over de driften in het onbewuste.

36

Waar zal het onbewuste zich vooral verraden?

In ambigue situaties. Situaties waar het juiste antwoord niet op voorhand vastligt en waar het antwoord van een persoon even sterk bepaald wordt door de eigen preoccupaties als door de inhoud van de stimulus.

37

Projectie

Het onbedoeld toeschrijven van eigen overtuigingen, waarden en andere subjectieve processen aan andere personen of voorwerpen

38

Projectieve tests

Zijn gestandaardiseerde technieken om dergelijke projecties te onderzoeken.

39

Wat zij de 2 bekendste projectieve tests?

- De inktvlekken van Rorschach
- the Thematic Apperception Test

40

Rorschachtest

Deze test bestaat uit complexe, symmetrische inktvlekken waarvan sommige zwart-wit zijn en andere gekleurd.
Het is de bedoeling dat de proefpersoon zegt war hij of zij ziet en ook het antwoord motiveert.
De score wordt opgemaakt op basis van de aard en de plaats van de benoemde elementen.

Exner introduceerde den gestandaardiseerde procedure om de Rorschach af nemen en te scoren, em zomer betrouwbaarheid verbeterfe

41

Thermatic Apperception Test (TAT)

Deze werd in de jaren 1930 ontwikkeld door H.A. Murray. In deze test wordt aan de proefpersoon gevraagd om verhaaltjes te vertellen bij een reeks van ambigue (dubbelzinnige) platen, die 1 voor 1 getoond worden (bijv van een jongen die naar een viool kijkt). Dit gebeurt aan de hand van 4 vragen die bij elke plaat gesteld worden.

1 Wat heeft aanleiding gegeven tot het tafereel dat hier afgebeeld staat?
2 Wat is er nu aan het gebeuren?
3 Hoe voelen de personages zich?
4 Hoe zal het aflopen?

Psychologen scoren de verhalen door thema's te zoeken die geïnterpreteerd kunnen worden als projecties van onbewuste behoeften of van andere preoccupaties (zo wordt de TAT bijvoorbeeld gebruikt bij onderzoek naar prestatiemotivatie

42

Zelfactualisatie

De neiging van een organisme om zichzelf in stand te houden, zich te actualiseren en te verbeteren, om te groeien naar een volledige realisatie van de aangeboren capaciteiten.

(Rogers)

43

Waar leidt zelfactualisatie naar toe?

Naar dat mensen gedifferentieerder, onafhankelijker en sociaal verantwoordelijker worden naarmate ze groeien.

44

Wat is een belangrijke stap binnen het differentiatieproces?

Het ontstaan van het zelf bij kinderen.

45

Zelfbeeld/zelfconcept
(Rogers)

Aanvankelijk maken baby's geen onderscheid tussen de gebeurtenissen in hun eigen lichaam en in de omgeving, maar gaandeweg splitst zich uit deze leefwereld een deel af dat zich differentieert tot "ik" en dat een persoon in staat stelt om over zichzelf na te denken en zich een idee te vormen van wie hij of zij is

46

Humanistische benadering

De veronderstelling dat mensen uit zichzelf steeds naar het goede streven. Dit betekende niet dat humanistische psychologen geen oog hadden voor het negatieve in de mens. Volgens Rogers waren dergelijke destructieve acties echter niet in overeenstemming met de menselijke natuur. Zij waren een gevolg van incongruentie tussen het ware zelf en het zelf dat geconstrueerd werd onder invloed van ongunstige condities

47

Fenomenlogische realiteit

De realiteit zoals die door de persoon ervaren wordt, en niet de fysische wereld die het gedrag van de mensen bepaalt.
De subjectyieve interpretatie van gebeurtenissen bepaalt iemands gedachten, gevoelens en gedragingen en een psychotherapeut moet deze fenomenologische realiteit leren te begrijpen om te kunnen helpen

48

Incongruente persoon

Congruent = overeenstemmend

Een persoon waarbij een kloof bestaat tussen het actuele zelf (hoe de persoon zichzelf ziet) en het ideale zelf (hoe de persoon zou willen zijn) . Als deze kloof te groot is, dan lijdt de persoon

49

Waarom gaat de fenomenologie in tegen Freuds visie op de persoonlijkheid als beheerst door impulsen vanuit het onbewuste

Volgens de fenomenlogie vormen de bewuste ervaringen - de perceptie, interpretaties en gevoelens van de persoon - de kern van de persoonlijkheid. Zowel de externe wereld als de interne toestand hebben slechts een onrechtstreekse invloed op ons, via onze subjectieve interpretaties. De subjectieve ervaring is niet gewoon maar 1 van de dimensies van het leven; volgens de fenomenologie is zij het leven zelf. Om iemands persoonlijkheid te begrijpen moeten we weten hoe de persoon denkt en voelt

50

Positieve aanvaarding

Betekent dat men warmte, liefde, sympathie, verzorging, respect en aanvaarding krijgt van mensen die belangrijk zijn in het leven

51

Waarderingsconditie

Regels over wat wel en wat niet gedaan kan worden om goedkeuring te verkrijgen. Door herhaalde ervaringen met deze waarderingscondities internaliseren kinderen ze, zodat ze een soort geweten worden, dat het gedrag van de kinderen bepaalt ook wanneer de ouders afwezig zijn

52

Zelfwaardering

Het verlangen om een positief beeld van zichzelf te hebben. Dit gaat samen met behoefte aan positieve aanvaarding.

53

Wanneer onstaat er incongruentie?

Als er een kloof bestaat tussen de geinternaliseerde waardigheidscondities (ideaal zelf) en de zelfwaardering (actueel zelf)

54

Wat kan er gebeuren bij te sterk geinternaliseerde waarderingsconditie?

Kan mensen psychologisch onderworpen maken, angstig, defensief, conformistisch en overdreven streng voor zichzelf. Zij voelen zich eerder gemanipuleerd dan vrij. In sterke gevallen kan het zelfs leiden tot vervormingen van de realiteit (een verwrongen fenomenologische realiteit)) op basis van principes die veel overeenkomst vertonen met Freuds afweermechanismen

55

Welke karakteristieken vertoont de volledig functionerende persoon?

1 - Zij staan open voor hun ervaringen. Zij zijn spontaan, vertonen geen defensieve houdingen, maar hebben een realistisch beeld van al hun ervaringen

2 - Hun actuele en ideale zelf zijn in overeenstemming met elkaar en zij zijn in staat om deze zelfconcepten aan te passen als nieuwe ervaringen geassimileerd moeten worden

3 - Zij percipiëren zichzelf als evaluatie-instantie voor hun ervaringen. Zij beoordelen hun ervaringen op basis van hun zelfactualisatie en niet vanuit incongruente, geinternaliseerde waarderingscondities

4 - Zij ervaren onvoorwaardelijke zelfwaardering

5 - Bij nieuwe ervaringen kunnen zij spontaan reageren vanuit hun congruente zelf en hoeven zij geen preoccupaties te hebben over wat men in zo'n situatie moet doen

6 - Zij leven in harmonie met andere omdat ze een wederzijdse onvoorwaardelijke positieve aanvaarding van andere hebben

56

Wat was de kijk van Rogers op mensen?

Rogers gaf duidelijk blijk van een overdreven optimistische en simplistische kijk op de mens. In het bijzonder onderschatte hij de biologische bijdrage tot de persoonlijkheid en dacht hij ten onterechte dat alle psychische problemen het gevolg waren van een incongruentie tussen de positief gerichte zelfactualisatie en waarderingscondities die men vanuit de opvoeding meekreeg

57

Waar maakte Markus en Kitayama onderscheid tussen?

Definition 57
Tussen een zelfstandige zelf;
Het zelfbeeld wordt in de eerste plaats afgeleid uit persoonlijke, interne kwaliteiten: de eigen vaardigheden, intelligentie, persoonlijkheidstrekken, doelen en voorkeuren


Onderling afhankelijk zelf;
Het zelfbeeld van een persoon wordt vooral afgeleid van hun verhouding tot de anderen in de groep en de mate waarin men aan de sociale verwachtingen beantwoordt

58

Wie was, naast Rogers, 1 van de eerste psychologen die wees op het belang van de manier waarop mensen de werkelijkheid percipiëren?

George Kelly (1955)`

59

Wat was de theorie van George Kelly?

Dat we onszelf bekijken volgens een dichotome (tweedelig) 'persoonlijke constructies'. We creëren op die manier voor onszelf een subjectieve wereld

60

Wat voor moeilijkheden onstaan er, in de theorie van George Kelly, als een persoon uitgaat van een verkeerde constructie?

Foute constructies geven aanleiding tot misverstanden en verkeerde verwachtingspatronen. Een therapie moet deze constructie bijstellen