H13: De persoonlijkheid Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H13: De persoonlijkheid > Flashcards

Flashcards in H13: De persoonlijkheid Deck (163)
Loading flashcards...
91

Waar verwijst de dichotomie, oordelen vs percipieren naar?

Dit verwijst naar de vraag of een persoon zijn/haar leven bij voorkeur inricht volgens planning en structuur dan wel op een flexibele manier waarbij de dingen tot op het laatste moment opgehouden worden

92

Hoe betrouwbaar en valide is het MBTI?

als proefpersonen met een tussentijd van 5 weken hertest werd kreeg zo'n 50% een andere code (Pittenger)
Volgens deze theorie zou het dus betekenen dat bijna de helft van de personen elke maand van persoonlijkheidstype verandert

93

Hoe verschillen mensen

Mensen verschillen niet in de erste plaats van elkaar op kwalitatieve manier (een volledig andere persoonlijkheid met uitlopende kenmerken), maar op een kwantitatieve manier (iedereen wordt beschreven door dezelfde groep van kenmerken, maar persoon 1 heeft meer wat meer van het ene kenmerk en wat minder van het andere kenmerk dan persoon 2.
Deze persoonsbeschrijving wordt gehanteerd binnen de trekbenadering

94

Persoonlijkheidstrek

Is een hypothetische, stabiele eigenschap die het gedrag, de gedachten en de gevoelens van een persoon in uiteenlopende situaties beïnvloedt. Volgens de trekbenadering kunnen persoonlijkheidsverschillen beschreven worden op basis van een beperkt aantal trekken. In de meeste theorieën bestaat een trek uit een continuüm tussen 2 tegenovergestelde eigenschappen (bijv somber-opgewekt). De positie van een persoon op een trek wordt vastgelegd aan de hand van een persoonlijkheidstest

95

Wat is het standpunt van Allport

Dat psychologisch onderzoek praktisch moet zijn en dit kenmerkte ook zijn benadering van persoonlijkheidsverschillen. Ipv te vertrekken vanuit een persoonlijkheidstheorie, baseerde hij zich op de woorden die mensen gebruiken om elkaar te beschrijven

96

Centrale trekken

Basistrekken die volstaan om de persoonlijkheid van mensen adequaat weer te geven

97

Factor analyse

Een techniek die het mogelijk maakt om de structuur wiskundig af te leiden als men proefpersonen zichzelf (of vrienden) laat beschrijven aan de hand van cijfers

98

Hoeveel trekken volstaan om een persooliijkheid adequaat te beschrijven?

Op basis van analyse kwam Cattell tot16 centrale biplolaire trekken

99

Bipolaire trekken

Zijn trekken die aangeduid worden met tegengestelde adjectieven (kenmerkend word bij een zelfstandig naamwoord) aan de uiteinden

100

Sixteen Personality Factor Questionnaire (16PF)

Het ontwerp van Cattell om de 16 dimensies te meten

101

Hoe verschilde de basisfilosofie van H.J. Eysenck met die van Cattell

Waar Cattell probeerde een persoon zo volledig mogelijk te beschrijven, was Eysenck meer geïnteresseerd in het kleinste aantal trekken dat nodig was om de menselijke verschillen in kaart te brengen. Hij zocht naar de onderliggende biologische oorzaken van de verschillen en veronderstelde dat de biologie niet zou kunnen verklaren waarom de psychologie van mensen op 16 trekken van elkaar verschilde (Cattell was enkel geïnteresseerd in het beschrijven van persoonlijkheden, niet in het verklaren waarom iemand bijvoorbeeld sociabel, intelligent, vrolijk, achterdochtig en groepsgericht was). Volgens Eysenck overschatte Cattell het aantal trekken dat nodig was, want de 16 trekken van Cattell waren niet onafhankelijk van elkaar: Iemand die sociabel is, is ook meer groepsgericht en iemand die gewetensvol is vertoont meer zelfdiscipline dan iemand die onbetrouwbaar is

102

Hoe dacht Eysenck aanvankelijk dat hij alle verschillen tussen mensen kon verklaren?

Op basis van 2 trekken:

- Extraversie vs introversie
- Neuroticisme vs Emotionele stabiliteit

103

Extravert persoon

Sociabel, zoekt gezelschap, hunkert naar opwinding en heeft de neiging om impulsief en onbetrouwbaar te zijn

104

Introvert

Een persoon die gereserveerd is, voorzichtig en zelfbeheerst is.

105

Neurotisch persoon

Is humeurig, angstig en rusteloos

106

Stabiel persoon

Kalm, gelijkmoedig en zorgeloos

107

Psychoticisme

Zonder duidelijk omschreven tegenpool

108

Hoe werd psychoticisme gedefinieerd in een persoonlijkheidstrek?

Mensen die op het psychotische einde van het 3e continuüm scoorden, waren agressief, koud en egocentrisch; mensen an het andere einde waren empathisch en minder brutaal.

109

Eysenck Personality Questionaire EPQ

Deze vragenlijst bestaat uit 100 vragen, te beantwoorden met ja of nee.

110

Wat hebben onderzoekers opgemerkt met Eysenck's EPQ?

Dat de dimensie introversie-extraversie van Eysenck in feite 2 componenten bevat. Enerzijds is er het impulsieve aspect; anderzijds het sociale aspect. Een uitgezuiverde impulsiviteits score is een betere voorspellen van risicogedrag dan een gecombineerde extraversiescore, maar volgens Eysenck is een opsplitsing tussen impulsiviteit en gerichtheid naar anderen niet wenselijk omdat er een positieve correlatie tussen deze 2 scores bestaat en ze dus beide teruggaan op een gezamenlijke onderlinge trek

111

Grote 5 (Big 5)

er waren geen 16 of 3 trekken maar 5 en ze bestaan uit de volgende trekken:

- extraversie
- altruïsme
- conscientieusheid
- emotionele stabiliteit
- openheid voor ervaringen

112

Hoe komt het dat mensen spontaan de neiging hebben om deze 5 dimensies te gebruiken als zij anderen beschrijven?

Volgens Goldberg komt dit doordat de 5 de kritische vragen representeren die mensen over elkaar stellen: 'zal deze persoon mij domineren?' (extraversie), 'al ik deze persoon graag mogen?' (altruisme), 'kan ik het werk van deze persoon vertrouwen?' (consientieusheid), 'is deze persoon gek?' (neuroticisme) en 'is deze persoon bijdehand?' (openheid voor ervaringen)

113

Wat zijn de 2 meerst gebruikte vragenlijsten in het Nederlands taalgebied om de big 5 te meten?

- NEO-PI-R (Hoekstra et.al.)
- Five-Factor Personality Iventory (FFPI, Hendriks et al)

114

Wat zijn de 3 manieren om persoonlijkheidsverschillen binnen het gezonde bereikt te meten?

- Pen-en-papier test. Aan proefpersonen wordt gevraagd om een vragenlijst of een beoordelingsschaal in te vullen

- Objectieve tests. Hierbij moet een proefpersoon een taak uitvoeren waarvan men vermoedt dat verschillende persoonlijkheden er anders op reageren.

-Combinatie van de 2 voorgaande technieken: Men biedt persoonlijkheidsrelevante informatie op een impliciete manier aan en kijkt naar de effecten op de prestaties van een individu

115

Wat zijn pen-papier tests?

Dit zijn vragenlijsten en beoordelingsschalen.
Bij een vragenlijst krijgt de testnemer een reeks ja/nee vragen (zoals bij de EPQ) of meerkeuzevragen.
Bij een beoordelingsschaal moeten de onderzochte personen aangeven in hoeverre verschillende uitspraken op hun van toepassing zijn.

116

Wat zijn de voordelen van pen-papier tests?

Dat ze gemakkelijk af te nemen zijn, over het algemeen een goede test-hertest betrouwbaarheid hebben (behalve het MBTI) en dikwijls genormeerd zijn,zodat men de positie van een individu kan vergelijken met die van leeftijdsgenoten

117

Wat is de achillespees van vragenlijsten en beoordelingsschalen?

Dat hun bedoeling tamelijk duidelijk is voor de gesteste persoon en men dus gemakkelijk de antwoorden kan "aanpassen' afhankelijk van de indruk die men wil maken. Dit is vooral een probleem omdat bij een persoonlijkheidstest geen juiste of foute antwoorden bestaan, zoals bij een IQ test

118

Wat brengt de validiteit van persoonlijkheidstest in gedrang?

Als de persoon niet bereid is om eerlijk de vragen te beantwoorden. Dit kan gebeuren omdat de persoon antwoord naar het sociale wenselijke

119

Hoe proberen psychologen het probleem van sociaal wenselijkheid te ondervangen?

- Leugenschaal;
dit is een schaal met items waarop eerlijke mensen toegeven dat ze ook wel iets negatiefs doen of negatieve eigenschappen hebben. Veel persoonlijkheidsvragenlijsten hebben dit.
Door een aatnal dergelijke vragen in de lijst op te nemen, is het mogelijk om een idee te krijgen van de mate waarin de antwoorden van een persoon bepaald worden door sociale wenselijkheid.

120

Wat is het probleem van sociale wenselijkheid?

Dit is voor een probleem bij praktische toepassingen van persoonlijkheidstests wanneer de uitslagen van de test gevolgen hebben voor de persoon die de test aflegt. Bij fundamenteel onderzoek (zoals bij het aantal trekken dat een persoon het best beschrijft) is dit probleem minder groot. Wat men hier nog wel vaststelt is dat de antwoorden op de vragen beïnvloed worden door de manier waarop men de vraag formuleert en dat mensen vragenlijsten gedeeltelijk beantwoorden vanuit hun impliciete persoonlijkheidstheorie