H13: De persoonlijkheid Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H13: De persoonlijkheid > Flashcards

Flashcards in H13: De persoonlijkheid Deck (163)
Loading flashcards...
121

Wat is een ander fenomeen dat men vaststelt bij vragenlijsten?

Dat de antwoorden voor een deel beinvloed worden door de impliciete persoonlijkheidstheorie die een persoon heeft.
De antwoorden van een persoon op een vragenlijst worden niet alleen bepaald door het werkelijke gedrag van mensen, maar ook door de overtuigingen die de gesteste persoon heeft over welke persooneigenschappen met elkaar samengaan. Dit is vooral zo bij wanneer men gevraagd wordt om de persoonlijkheid van anderen te beoordelen, maar ook wanneer men zo eerlijk mogelijk probeert om een vragenlijst over zichzelf in te vullen. Mensen hebben immers beperkt toegang tot hun eigen persoonlijkheidskenmerken en moeten het antwoord op een vraag uit een persoonlijkheidsvragenlijst dikwijls afleiden door hun eigen gedrag te observeren, door zich te baseren op reacties van andere of voort te gaan op hun impliciete persoonlijkheidstheorie.

De invloed van de impliciete persoonlijkheidstheorie op de antwoorden in een vragenlijst verklaart ook ten dele waarom de correlatie tussen zelfbeoordelingen en beoordelingen van andere niet perfect is

122

Wat is de 2 manier om persoonlijkheidsverschillen te meten?

Met objectieve tests.

Hierbij moeten proefpersonen een taak uitvoeren waarvan verwacht wordt dat individuen met een uiteenlopende persoonlijkheid er anders op zullen reageren.

123

Wie was een groot voorstander van het gebruik van objectieve tests ter aanvulling van pen-papier tests?

Raymond Cattell. Hij definieerde een objectieve persoonlijkheidstest als elke taak die variatie in de prestaties uitlokt (zodat verschillen tussen mensen vastgesteld kunnen worden, waarvoor een objectieve score te berekenen valt en waarvan de score significant correleert met een persoonlijkheidsgerelateerde criterium

124

Impliciete persoonlijkheidstest

Een impliciete persoonlijkheidstest meet automatische, niet-bewuste cognities van proefpersonen. Daardoor probeert men te voorkomen dat mensen zich beter of anders voordoen dan dat ze in werkelijkheid zijn. De proefpersonen moet een taak uitvoeren die op het eerste gezicht geen verband houdt met persoonlijkheidsbeoordeling, maar waarvan geweten is dat de reactiesnelheid afhangt van de mate waarin een stimulus bij een persoon past. Door de reactiesnelheid voor verschillende soorten stimuli te meten kan men een persoonlijkheidsprofiel opstellen

125

Wat is de meest gebruikte impliciete persoonlijkheidstest?

Implicite associatietest (IAT)

126

Wat is de hypothese van Eysenck tussen introverten en extraverten?

Volgens hem werden introverten gekenmerkt door een hoger opwindingsniveau bij rusttoestand dan extraverten. Wegens dit hogere niveau zoeken zij minder opwindende activiteit dan extraverten, bij wie het opwindingsniveau bij rusttoestand beneden het gewenste opwindingspeil ligt. Extraverten mensen zijn constant op zoek naar stimulatie vanuit de omgeving, terwijl introverten bijkomende activering eerder schuwen omdat dit bij hen een te hoog arousalniveau veroorzaakt

127

Wat is een manier om de biologische basis van persoonlijkheidstrekken te onderzoeken?

Door te kijken in welke maten trekken overgeërfd worden

128

Hoeveel % van de interindividuele verschillen op de Grote 5 kan toegeschreven worden aan genetische factoren?

40-50% (Bouchard)

129

Welk resultaat is verkregen bij een grootschalige corr-sectionele internetstudie mbt persoonlijkheidsontwikkeling tijdens het leven? (Srivastava)

Uit deze studie bleek dat naarmate mensen ouder worden, de eigenschappen conscientieusheid en vriendelijkheid toenemen en neuroticisme afneemt (vooral bij vrouwen). Openheid voor ervaringen neemt af terwijl er geen eenduidig effect is voor extraversie

130

Welk visie verdedigen McCrea et al?

Dat als we ervan uitgaan dat trekken in sterke mate biologisch bepaald worden, dan moeten we aannemen dat er een genetische predispositie bestaat om op bepaalde manieren te evolueren qua persoonlijkheid (net als sommige lichamelijke ontwikkelingen voorgeprogrammeerd zijn en pas op een bepaalde leeftijd tot uiting komen, bijv tijdens de pubertijd). Verder voorspelt deze visie dat de verschillen tussen personen stabiel zullen blijven en dat er geen culturele verschillen in de ontwikkelingen zullen zijn, want iedereen ondergaat ongeveer dezelfde veranderingen.

131

Welke positie neemt Robert et al op mbt persoonlijnheidstrekken?

Volgens hen heeft de toename in conscientieusheid. vriendelijkheid en emotionele stabiliteit in de volwassenheid te maken met het feit dat mensen in die periode sociaal investeren door een eigen carrière uit te bouwen en een gezin te stichten. Door deze sociale investering nemen personen sociale posities in die hen er toe aan zetten om consciëntieuzer, vriendelijker en emotioneel stabieler te gedragen. Bovendien heeft men minder tijd en energie voor openheid voor ervaringen, waardoor deze component afneemt

132

Wat stelt de trekbenadering?

Die stelt dat mensen van elkaar verschillen op 5 centrale trekken, die hoofdzakelijk overgeërfd worden en weinig onder invloed staat van het gedeelde gezinsmilieu.

133

Welke andere benadering bestaat er nog mee?

De sociaal-cognitieve theorie. Volgens deze benadering worden de verschillen tussen personen vooral bepaald door verschillen in hun leergeschiedenis, die tot uiting komen in hung cognitieve, emotionele en gedragsmatige reacties op stimuli

134

Als-dan-relaties

Volgens deze benadering worden de verschillen tussen personen vooral bepaald door verschillen in hun leergeschiedenis, die tot uiting komen in hun cognitieve, emotionele en gedragsmatige reacties op stimuli.

'als ik die persoon ontmoet, dan.....'

135

Hoe komt het onderscheid tussen de trekbenadering en de sociaal-cognitieve benadering tot uiting?

Dit komt vooral tot uiting als mensen in een volledig andere situaties terechtkomen, zoals studenten die op kamers gaan wonen

Volgens de sociaal-cognitieve theorie zullen deze studenten de vrijheid hebben om nieuwe omgangsvormen te ontwikkelen, omdat zij nieuwe situaties meemaken, die nog niet met een specifieke manier reageren verbonden zijn. Zodra deze studenten weer thuis zijn bij hun ouders en andere familieleden, zullen zij op hun oude, aangeleerde interactiepatronen terugvallen, waardoor het mogelijk is dat studenten op 2 verschillende manieren functioneren thuis en in de stad waar ze studeren. De enige continuïteit die er is, bestaat uit cognities die studenten met zich meebrengt naar het studentenleven

Volgens de trekbenadering zal een student thuis en op kamers min of meer gelijk functioneren mbt extraversie, altruïsme, conscienctieusheid, neuroticisme en openheid voor ervaring. Deze trekken zijn immers aangeboren en redelijk stabiel.

136

Welk benadering is de juiste? (sociaal-cognitieve theorie of trekbenadering)

Uit onderzoek blijkt dat beide benaderingen een gedeelte van de waarheid bevatten. De gedragingen van mensen worden voor een deel bepaald door aangeboren persoonlijkheidsverschillen (trekken) en voor een deel door persoonsgebonden en situatiegebonden als-dan relaties

137

Waarom is de vraag "hoe goed voorspellen persoonlijkheidstrekken gedrag?" legitiem?

Omdat dit gaat over het relatieve belang van de persoonlijkheidstrekken en de als-dan-relaties in situaties waarin kennis van persoonlijkheidsverschillen consequenties heeft

138

Waarom is de correlatie tussen persoonlijkheidstrekken en het gedrag dat men wil voorspellen zelden hoger dan 0,30 (volgens Walter Mischel)

Volgens hem komt dit doordat het gedrag meer onder invloed staat van persoongebonden en situatiegebonden als-dan reacties dan van algemene persoonlijkheidstrekken

Deze uitspraak is nooit weerlegd.

139

Waarom is het volgens aanhangers van de sociaal-cognitieve benadering een correlatie van 0,30 tussen trekken en gedrag het hoogste wat men kan bereiken? (Cervone, Mischel)

Omdat dit de daadwerkelijke invloed van trekken op prestaties weergeeft. Als men de voorspelling van gedragingen verder wil verbeteren moet men kijken naar de als-dan-relaties van een persoon

140

Hoe kun je het belang van de interactie tussen persoonlijkheidstrekken en situaties illustreren?

Aan de hand van onderzoek over vriendelijkheid. Volgens deze theorie van de Grote 5 verschillen mensen in hoe hartelijk, vriendelijk, onzelfzuchtig, meewerkend en soepel zij zijn tegenover anderen (of hoe koel, onvriendelijk, zelfzuchtig, tegenwerkend en star ze zijn).

Vonk wees er echter op dat niet iedereen op dezelfde manier reageert op alle personen. sommige mensen maken bijv. een onderscheid tussen de personen die zeggenschap over hen hebben, en personen die geen zeggenschap over hen hebben of over zij zij zelf macht hebben

141

Waarom is onderzoek naar de als-dan-relaties per definitie ingewikkelder dan het onderzoek naar persoonlijkheidstrekken?

Omdat men kijkt naar interacties tussen variabelen. Dit maakt dat de trekpsychologie wegens haar eenvoud in eerste instantie aantrekkelijker is

142

Wanneer is onderzoek over de als-dan-relaties belangrijk binnen de psychotherapie?

Als men inzicht wil krijgen in de leeftwereld van de cliënt die men voor zicht heeft

143

Persoonlijkheidsstoornis

Verwijst naar een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die binnen de cultuur van de betrokkene afwijken van verwachtingen en daardoor interfereren met het functioneren van die persoon; dit patroon is al aanwezig vanaf een vroege leeftijd (uiterlijk adolescentie of de vroege volwassenheid).
Persoonlijkheidsstoornissen zijn geen mentale stoornissen maar rigide, langdurige en disfunctionele levenswijzen die de impact van een mentale stoornis verzwaren en meestal blijven bestaan na een succesvolle behandeling van de mentale stoornis.

144

Waarom is er geen grote overlapping tussen de theorieën over persoonlijkheidsverschillen en de theorieën over persoonlijkheidsstoornissen, ook al zou je dit logischerwijs verwachten?

Omdat de 2 onderzoeksgebieden een verschillende onstaangeschiedenis hebben. Terwijl het onderzoek over de persoonlijkheidsverschillen plaatsvond vanuit het psychologische onderzoek, zijn de ideeën over de persoonlijkheidsstoornissen tot stand gekomen binnen de psychiatrie

145

Welke 2 belangrijke benaderingen worden en gebruikt om een persoonlijkheidsstoornis te diagnosticeren?

- Een gestructueerde interview op basis van DSM-IV

- Afname van vragenlijst

146

Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders
(DSM)

Gepubliceerd door de American Psychiatric Association.
Een handboek met alle belangrijke geachte mentale stoornissen en hun symptomen

147

Hoe is het DSM opgebouwd bij persoonlijkheidsstoornissen??

In de DSM-IV worden 10 persoonlijkheidsstoornissen beschreven, die gegroepeerd zijn in 3 clusters, aangevuld met een restcategorie van niet classificeerbare persoonlijkheidsstoornissen.
Voor elk stoornis worden de definiërende symptomen beschreven

148

Beschrijving van narcistische persoonlijkheidsstoornis volgens DSM-IV

Een diepgaand patroon van grootheidsgevoelens (in fantasie of gedrag), behoefte aan bewondering en gebrek aan empathie, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties zoals 5 (of meer) van de volgende:

1: Heeft een opgeblazen gevoel van eigen belangrijkheid

2: Is gepreoccupeerd met fantasieën over onbeperkte successen, macht, genialiteit of ideale liefde

3: Gelooft dat hij of zij 'heel speciaal' is en alleen begrepen kan worden door mensen met een hoge status

4: Verlangt buitensporige bewondering

5: Heeft een gevoel meer rechten te hebben dan een ander

6: Exploiteert anderen

7: Heeft gebrek aan empathie: is niet bereid de gevoelens en behoeften van andere te erkennen of zich ermee te vereenzelvigen

8: Is vaak afgunstig of meent dat anderen op hem of haar afgunstig zijn

9: Is arrogant of hooghartig

149

Waarom bestaan er verschillende protocollen om gestructureerde interviews af te nemen?

Omdat het probleem niet zozeer is om na te gaan of een persoon deze symptomen heeft, maar wel om zich ervan te verzekeren of een andere stoornis (bij antisociale of schizoïde persoonlijkheisstroonis) de symptomen niet beter beschrijft

150

Welke vragenlijsten kan er gebruikt worden om persoonlijkheidsstoornissen vast te stellen?

- Vragenlijst voor Kenmerken van de Persoonlijkheid (VKP) (Duijsens et al)
specifiek voor persoonlijkheidstoornissen

- MMPI-2 (Minnesota Multiphasic Personality Inventory-2nd edition) Algemene vragenlijst waar een Nederlandse versie beschikbaar van is (Derksen et al)
Deze test bestaat uit 566 uitspraken waarop met 'waar' of 'niet waar' moet worden geantwoord. Op basis van de antwoorden op deze vragen kunnen verschillende sleutels gebruikt worden, waaronder sleutels die zo nauw mogelijk aansluiten bij de DSM-IV persoonlijkheidsstoornissen