H13: De persoonlijkheid Flashcards Preview

Psychologie M. Brysbaert > H13: De persoonlijkheid > Flashcards

Flashcards in H13: De persoonlijkheid Deck (163)
Loading flashcards...
151

Welke criteria hanteert DSM-IV voor de diagnose van een antisociale persoonlijkheidsstoornis?

A: Een diepgaand patroon van gebrek aan achting voor een schending van de rechten sinds het 15e jaar blijkend uit ten minste 3 van de volgende 7 kenmerken

1: Niet in staat zich te conformeren aan de maatschappelijke norm dat men zich aan de wet moet houden, blijkend uit het herhaaldelijk plegen van handelingen die een reden van arrestatie kunnen zijn

2: Oneerlijkheid, zoals blijkt uit herhaaldelijk liegen, het gebruik van valse namen of anderen bezwadderen ten behoeve van eigen voordeel of plezier

3: Impulsiviteit of onvermogen 'vooruit te plannen'

4: Prikkelbaarheid en agressiviteit, blijkend uit bij herhaling komen tot vechtpartijen of geweldpleging

5: Roekeloze onverschilligheid ten aanzien van eigen of andermans veiligheid

6: Constante onverantwoordelijkheid zoals blijkt uit het herhaaldelijk niet in staat zijn geregeld werk te behouden of financiële verplichtingen na te komen

7: Geen spijtgevoelens hebben, zoals blijkt uit de ongevoeligheid voor of het rationaliseren van het feit anderen gekwetst, mishandeld of bestolen te hebben


B: Huidige leeftijd minstens 18 jaar

C: Er zijn aanwijzingen voor een gedragsstoornis beginnend voor het 15e jaar

D: Het antisociale gedrag komt niet uitsluitend voor tijdens episodes van schizofrenie of manie

Samengevat kan een diagnose van antisociale persoonlijkheisstoonis enkel gemaakt worden bij volwassen die antisociaal gedrag vertonen en ook als kind of tiener al agressief gedrag lieten zien (bijv vaak anderen pestten, bedreigden of intimideerden; dieren mishandelden; of met opzet eigendommen van andere vernielden). Hierbij valt nog op te merken dat een aantal van deze mensen op het eerste gezicht een innemende indruk maken, waardoor hun slachtoffers zich aanvankelijk van geen kwaad bewust zijn.

152

Waar komt antisociale persoonlijkheidsstoornissen vaker voor?

In moderne samenlevingen zonder duidelijke sociale normen en met een lage sociale cohesiegraad komt de stoornis meer voor dan in traditionele samenleving met duidelijke sociale normen en met een hoge cohesiegraad. Zo wordt de diagnose meer gesteld in de VS dan in Japan (3% vs 1%)
Schatting voor Nederland en Belgie 2 a 3% bij mannen en 1% bij de vrouwen

Komt 2 a 3x vaker voor bij mannen dan bij vrouwen

153

Vanaf wanneer lijken de symptomen van persoonlijkheidsstoornis milder te worden?

Vanaf de leeftijd van 45 jaar

154

Waar is de antisocialestoornis het resultaat van?

Van een genetische kwetsbaarheid in combinatie met ongunstige milieu-invloeden.

Een belangrijke studie in dit opzicht werd gepubliceerd door Caspi et al. Deze onderzoekers gingen uit van vorig onderzoek dat er op wees dat een gen op het X-chromosoom een belangrijke rol speelt bij agressief gedrag. Dit gen is nodig om monoamine axidase A (MAOA) aan te maken, een stof die een teveel aan de neurotransmitters noradrenaline, serotonine en dopamine wegwerkt in bepaalde delen van de hersenen. Uit onderzoek bij muizen en en genetisch onderzoek bij een Nederlandse familie was gebleken dat individuen met een slecht functionerend gen een verhoogde kans op antisociaal gedrag hebben


Uit de resultaten bleek dat het antisociale gedrag toenam naarmate de opvoedingssituatie verslechterde, maar vooal bij de jongens met een slecht functionerend gen voor MAOA.
Jongens met een goed functionerend gen waren weerbaarder tegen het slechte gezinsmilieu waarin ze opgroeiden. Anderzijds maakte het geen verschil of het kind een goed of een slecht functionerend gen had, als het kon opgroeien in een goed gezin.

155

Welke mensen hebben een zekere onvrede gevoeld met de DSM-IV definitie van een antisociale persoonlijkheid?

Personen die beroepshalve met misdadigers te maken hebben. Volgens hen is de definitie van een antisociale persoonlijkheid weinig meer dan een definitie voor een (recidiverende) misdadiger

156

Wat is de reden dat criminologen niet tevreden zijn met de definitie van antisociale persoonlijkheid?

Volgens hun ervaring moet er een onderscheid gemaakt worden tussen 2 groepen van antisociale persoonlijkheden. Het eerste type groep komt overeen met de definitie van de antisociale persoonlijkheid. De 2e groep wordt bovendien gekenmerkt door een agressief narcisme. Dit uit zich in een volledig gebrek aan meevoelen met hun slachtoffers, een complete afwezigheid van schuldgevoelens, manipulatie van anderen voor eigen gewin en een sterk opgeblazen gevoel van eigenwaarde. Deze groep wordt als veel gevaarlijker beschouwd en met de oudere naam psychopaten aangeduid

157

Wie heeft er veel onderzoek gedaan naar psychopaten?

Robert Hare, 2003

Volgens Hare is de kern van psychopathie een affectief deficit. Psychopaten begrijpen de betekenis van emoties we, maar voelen niet de affectieve component ervan; zij zijn emotioneel kleurenblind. Om psychopaten te onderscheiden, heeft Hare de Psychopathy Checklist ontwikkeld en genormeerd

158

Wat is een belangrijke component bij psychopathie? (en bij de antisociale persoonlijkheidsstoornis)

Dit lijkt een te gaan om een laag reactiviteitgehalte in het autonome zenuwstelsel te zijn, waardoor psychopaten niet in staat zijn om dezelfde emotionele reacties te ervaren als andere mensen en te leren op basis van beloning en straf. Zij zouden ook een verminderd vermogen hebben tot het waarnemen van angst en schrik, waarschijnlijk door een disfunctie van amygdala.

159

Hoe kan je gevoeligheid voor schrikreacties aantonen?

Dit kan aangetoond worden met het schokparadigma (startle paradigm). In dit paradigma kijken de proefpersonen naar stimuli en krijgen ze opeens hels lawaai te horen. Men gaat na hoe sterk de persoon schrikt van dit lawaai (bij door met de ogen te knipperen)

Uit de resultaten blijkt dat de mate van reactie afhankelijk is van het soort stimuli waar de persoon naar aan het kijken is. Als de persoon naar beelden van bloemen aan het kijken is, dan is de schokreactie minder groot dan wanneer de proefpersoon naar beelden van een auto-ongeval aan het kijken is

160

Waar verwijst de naam borderline naar?

De naam verwijst naar het feit dat men deze stoornis vroeger als een grensgeval (border) beschouwden tussen een neurose (angst, maar nog altijd een realiteitsgevoel) en een psychose (ernstige wanen en verwarring)

161

Wat hanteert de DSM-IV voor een diagnose voor een borderline persoonlijkheidsstoornis

Een diepgaand patroon van instabiliteit in intermenselijke relaties, zelfbeeld en emoties en van duidelijke impulsiviteit, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties. Mensen met borderline persoonlijkheidsstoornis voldoen aan 5 of meer van de volgende 9 criteria:

1: Krampachtig proberen te voorkomen om feitelijk of vermeend in de steek gelaten te worden

2: Een patroon van instabiele en intense relaties met andere, gekenmerkt door wisselingen tussen overmatig idealiseren en kleineren (extreem zwart-wit denken, iemand is geweldig of waardeloos)

3: Identiteitsstoornis: aanhoudend wisselend zelfbeeld of zelfgevoel

4: Impulsiviteit met negatie gevolgen voor zichzelf op minstens 2 gebieden. Bijv: geldverspilling, veel wisselende seksuele contacten, middelenmisbruik, roekeloos rijgedrag, vreetbuiten

5: Terugkerende pogingen tot zelfdoding of zelfverwonding

6: Sterk wisselende stemmingen, als reactie op gebeurtenissen. Dit kan leiden tot periodes van intense somberheid, prikkelbaarheid of angst, meestal enkele uren durend en zelden langer dan een paar dagen

7: Een chronisch gevoel van leegte

8: Inadequate, intense woede of moeite om de boosheid te beheersen. Dit uit zich in driftbuien, aanhoudende woede of herhaaldelijke vechtpartijen

9: Voorbijgaande, aan stress gebonden paranoïde ideeën of ernstige dissociatieve verschijnselen


Een borderline persoonlijkheidsstoornis komt dikwijls samen met een andere mentale stoornis en verzwaart aldus de problematiek voor de persoon

162

Wat hebben gezinsstudies aangetoond bij impulsieve stoornissen, zoals antisociale persoonlijkheidsstoornissen en alcohol- en drugsverslavingen?

Dat dit dikwijls ook voorkomt bij verwanten van personen met een borderline stoornis. In de meeste gevallen gaat de biologische kwetsbaarheid gepaard met ongunstige opvoedingsomstandigheden. Men schat dat seksueel misbruik in de kindertijd te minsten een kwart van de patiënten voorkomt en andere ernstige vormen van misbruik bij meer dan een derde

163

Comorbiteit

Het frequent voorkomen van verschillende stoornissen