Week 7 Flashcards Preview

Frans > Week 7 > Flashcards

Flashcards in Week 7 Deck (424)
Loading flashcards...
211

een opgezwollen buik

un ventre gonflé

212

een bobbel/bult hebben

avoir une boule

213

verdikking/knobbeltje/ gezwel

avoir une grosseur

214

rode huidvlekken hebben

avoir des rougeurs de la peau

215

het blozen

la rougeur

216

een buil/een bochel/hobbel

une bosse

217

de bulten van een kameel

les bosses du chameau

218

de hobbels op de weg vermijden

éviter les bosses sur la route

219

ik ween bij de minste tegenwind

je pleure à la moindre contrariété

220

wispelturig (kind)

un enfant capricieux

221

de grootte van een vrucht

la grosseur d'un fruit

222

een bevlieging/driftbui

un caprice

223

een kwaadaardig gezwel in je darmen

une tumeur maligne des intestins

224

angsten/ slaapproblemen hebben

avoir des angoisses/des insomnies

225

opvliegingen hebben

avoir des bouffées de chaleur

226

hartkloppingen hebben

avoir des palpitations

227

zich misselijk voelen

avoir la nausée

228

puistjes hebben

avoir des boutons

229

overgeven (drie mogelijkheden)

vomir
dégueuler (fam)
gerber (fam)

230

misselijk zijn

avoir mal au coeur

231

pijn hebben aan het hart

avoir des douleurs cardiaques

232

u kunt beter

vous feriez mieux de + inf

233

het zou beter zijn dat

il vaudrait mieux que

234

laten we

vous n'avez qu'à
on n'a qu'à

235

je moet/het is absoluut noodzakelijk

il est impératif

236

rust nemen

prendre du repos

237

belang hebben bij

avoir intérêt à

238

het zou de moeite waard zijn

cela vaudrait la peine de/que

239

de moeite waard

valoir la peine

240

Het is de moeite waard

ça vaut la peine