Bv Flashcards Preview

Latijn > Bv > Flashcards

Flashcards in Bv Deck (345):
1

opus

operis, werk, bouwwerk {o}

2

a/ab

van(af), door {+abl. bij passivum}

3

aedificare

bouwen, oprichten

4

fortuna

lot, geluk

5

quam

hoe, als

6

amare

verliefd zijn, beminnen, houden van

7

laedere

beledigen, kwetsen {pf: laesi, laesus}

8

gignere

verwekken, baren, voortbrengen {pf: genui, genitus}

9

numerus

getal, aantal, menigte

10

exponere

uitstallen, uiteenzetten, te vondeling leggen {pf: exposui, expositus}

11

lupos

wolf

12

lupa

wolfin

13

servare

redden, behouden

14

tempus

temporis, tijd {o}

15

appropinquare

naderen, eraan komen {+dat.}

16

pastor

herder {-oris}

17

nomen

nominis, naam {o}

18

diu

lange tijd, lang

19

forte

toevallig {bijw.}

20

avus

grootvader

21

frater

fratris, broer

22

regnum

rijk, koninkrijk, heerschappij

23

scelus

sceleris misdaad, misdrijf {o}

24

iniuria

onrecht(vaardigheid)

25

agmen

agminis troep, schare, stoet {o}

26

propinquus

naburig, nabijgelegen

27

reddere

teruggeven {pf: reddidi, redditus}

28

condere

stichten, bouwen {pf: condidi, conditus}

29

decernere

besluiten {pf: decrevi, decretus}

30

tradere

overgeven, overdragen, overleveren {pf: tradidi, traditus}

31

irridere

uitlachen, bespotten {pf: irrisi, irrisus}

32

lacessere

prikkelen, uitdagen {pf: lacessivi, lacessitus}

33

mutare

veranderen

34

asper

ruw, ruig, scherp, hard, grof, streng

35

clarus

duidelijk, helder, luid, beroemd

36

Romam

naar/in Rome {acc.}

37

antiquus

oud

38

Graecus

griek, grieks

39

oppugnare

belegeren, bestormen

40

trans

+acc over (... heen)

41

mare

maris o zee

42

dux

ducis leider, aanvoerder, veldheer

43

troianus

trojaan, trojaans

44

decem

tien

45

summus

googst, grootst

46

expugnare

veroveren, innemen

47

ipse

zelf

48

moenia

moenium o mv (stads)muren

49

turris

turris v toren

50

delere

delevi,deletus verwoesten,vernietigen

51

monere

waarschuwen, aansporen, aanraden,herinneren

52

comes

comitis begeleider, metgezel

53

voluntas

voluntatis v wil

54

ventus

wind

55

adversus

tegenover(staand)

56

regio

regionis streek, gebied

57

agitar

drijven, voortdrijven, opdrijven

58

Carthago

Carthaginis Carthago

59

coniunx

coniugis echtgenoot, echtgenote

60

fuga

vlucht

61

capessere

Capessivi, capessitus grijpen, pakken

62

vix

mnouwelijks

63

probus

rechtschapen

64

animal

animalis levend wezen, dier

65

caelum

hemel

66

tandem

eindelijk, uiteindelijk, ten slotte, (bij imp.) toch

67

sustinere

uithouden, verdragen, volhouden, weerstaan, standhouden (tegen)

68

porta

poort

69

patere

openstaan

70

castra

castrorum o mv legerkamp

71

imprimis

vooral

72

equus

paard

73

srupere

versteld staan, bewonderen

74

votum

gebed, offergave

75

putare

denken, menen, beschouwen als

76

praecipitare

storten

77

cogitare

denken, bedenken, overwegen

78

accurare

accurri, accursum komen aanrennen, rennen naar

79

sacerdos

sacerdotis priester, priesteres

80

procul

ver (weg), van verre

81

credere

+dat credidi, creditus geloven, vertrouwen

82

carere

+abl niet hebben, vrij zijn van,missen

83

nescire

niet weten

84

prudentia

weisheid, slimheid

85

praestare

+dat (+abl) praedistiti, praestitus overtreffen(in)

86

constare

bestaan, vaststaan, bekend zijn

87

fraus

fradis v bedrog

88

latere

verborgen zijn, zich stilhouden

89

ad

+acc naar, tot, tegen, bij , trekken, slepen

90

trahere

traxi, tractus trekken, slepen

91

negare

ontkennen, weigeren, daggen dat niet

92

silva

bos, woud

93

misericordia

medelijkden

94

apparare

verschijnen, blijken, duidelijk zijn

95

oraculum

orakel

96

statuere

Statui, statutus plaatsen, bouwenvaststellen, besluiten

97

affirmare

verzekeren, beweren

98

mittere

misi, missus zenden, sturen

99

opprimere

Oppressi, oppressus onderdrukken, overweldigen

100

punire

(be) straffen

101

mors

mortis dood {vrouwelijk}

102

navis

navis schip {vrouwelijk}

103

vates

vatis ziener;zieneres;profeet;profetes

104

sedes

sedis zitplaats; zetel; stoel; woonplaats woning {vrouwelijk}

105

beatus

gelukkig

106

sors

sortis lot {vrouwelijk}

107

gens

gentis geslacht; stam; volk {vrouwelijk}

108

anima

adem; ziel; leven

109

monstrare

tonen; aanwijzen; wijzen

110

lux

lucis licht {vrouwelijk}

111

fatum

lot; noodlot

112

docere

onderwijzen; informeren {+2 acc; iemand iets onderwijzen, iemand over iets informeren}

113

ille, illa, illud

die;dat

114

regnare

koning zijn; heersen; regeren; regeren over {+ genitivus}

115

arx

arcis burcht {vrouwelijk}

116

mons

montis berg {mannelijk}

117

ponere

plaatsen; neerzetten; zetten; leggen; neerleggen {posui, positus}

118

urbs

urbis stad {vrouwelijk}

119

iam

al; reeds; spoedig; weldra

120

prodere

onthullen; meedelen; overleveren; verraden

121

dicere

zeggen; spreken; noemen; bedoelen

122

primus

eerst

123

finis

finis grens; einde; doel {mannelijk}

124

orbis

orbis kring; kringloop { mannelijk}

125

orbis terrarum

de aarde; de wereld

126

superbus

hoogmoedig; trots

127

civitas

civitatis staat {vrouwelijk}

128

auctor

auctoris dader; aanstichter; stichter; stamvader;schrijver

129

parere

gehoorzamen {+ dativus}

130

imperium

macht; heerschappij; rijk; gebed;bevel

131

iustus

rechtvaardig

132

parcere

sparen {+ dat, peperci}

133

admonere

waarschuwen; raadgeven; aansporen; herinneren

134

memoria

geheugen; herinnering

135

litterae

brief; wetenschap {vrouwelijk meervoud}

136

capere

capio grijpen, pakken, nemen, innemen, gevangennemen cepi captus

137

recipere

recipio opnemen, ontvangen recepi receptus

138

se recipere

zich terugtrekken

139

publicus

van de staat, staats-, openbaar, publiek

140

adhibere

capio grijpen, pakken, nemen, innemen, gevangennemen cepi captus

141

occupare

bezetten, in bezit nemen

142

simulare

doen alsof

143

fugere

fugio vluchten (voor), ontvluchten, ontkomen { (+acc) }fugi

144

confugere

confugio vluchten, zijn toevlucht nemenconfugi

145

facere

facio maken, doen feci factus

146

crudelitas

crudelitatis wreedheid

147

causa

oorzaak, reden

148

cupere

cupio begeren, verlangen, willen, wensen cupivi cupitus

149

nullus

geen

150

nusquam

nergens

151

tutus

veilig

152

hostis

hostis vijand

153

interficere

interficio doden, ombrengen interfeci interfectus

154

consilium

plan, raad, advies, beraadslaging, besluit

155

cognoscere

vernemen, (op)merken, herkennen cognovi cognitus

156

parere

pario verwerven, behalen peperi partus

157

diripere

diripio plunderen, verwoesten diripui direptus

158

clam

in het geheim

159

nuntius

bode

160

nuntiare

melden, berichten

161

princeps

principis leider

162

fundamentum

fundament, basis

163

iacere

iacio werpen, gooien ieci iactus

164

occupatus

druk bezig (met) { (+abl) }

165

hortus

tuin

166

privare

beroven van { +abl }

167

acer

acris scherp, streng, hard

168

patres

senatoren, patriciërs {mv}

169

agere

doen, handelen, onderhandelen

170

celer

celeris snel

171

opus est

...is nodig {+abl.}

172

discordia

tweedracht, onenigheid

173

lex

legis wet {v}

174

crudelis

-is wreed, meedogenloos

175

iudicium

rechtbank, vonnis

176

iratus

boos, woedend

177

fabula

verhaal, fabel

178

brevis

-is kort

179

eques

equitis ruiter, ridder

180

pars

partis deel {v}

181

omnis

-is ieder, elk, geheel, alle

182

mortalis

-is sterfelijk, vergankelijk, sterveling, mens

183

duo

twee

184

ingens

ingentis reusachtig, enorm

185

civis

civis burger, medeburger

186

utilis

-is nuttig, geschikt

187

salus

salutis gezondheid, welzijn {v}

188

communis

-is gemeenschappelijk, algemeen

189

consulere

beraadslagen, overleggen, overwegen, zorgen voor (+dat.), om raad vragen (+acc.), raadplegen (+acc.) {pf: consului, consultus}

190

convenire

samenkomen, tegenkomen, ontmoeten, overeenkomen

191

legatus

gezant

192

ius

iuris recht, rechtsregel {o}

193

describere

overschrijven {pf: descripsi, descriptus}

194

quattuor

vier

195

quinque

vijf

196

post

later, daarna {bijw.}

197

prudens

-entis verstandig, wijs

198

corrigere

verbeteren, corrigeren {pf: correxi, corrrectus}

199

preficere

-io afmaken, voltooien {pf: perfeci, perfectus}

200

tabula

plank, plaat, wetstafel

201

exponere

uitstallen, uiteenzetten, te vondeling leggen, tentoonstellen

202

qua de causa

waarom, daarom

203

duodecim

twaalf

204

totus

geheel, heel

205

exercitus

-us leger

206

socius

deelgenoot, partner, bondgenoot

207

et ... et

zowel ... als

208

quaestor

-oris schatmeester

209

tribunus militum

krijgstribuun, officier

210

praeterea

bovendien

211

senatus

-us senaat

212

pugna

gevecht, strijd, slag

213

mille

1000 {milia, milium, mv}

214

pedes

peditis infanterist

215

animus

geest, gedachten, ziel, hart, moed

216

clades

cladis nederlaag {v}

217

numquam

nooit

218

intra

binnen {+acc.}

219

tumultus

-us tumult, opschudding, onrust, verwarring

220

magistratus

-us magistraat, ambt

221

praetor

-oris pretor

222

curia

curia, senaatsgebouw

223

certus

zeker ,betrouwbaar

224

pro certo habere

voor zeker houden

225

impetus

-us aanval

226

discrimen

-inis onderscheid, gevaar, gevaarlijke situatie {o}

227

constantia

vastberadenheid

228

confirmare

bevestigen, versterken, bemoedigen

229

augere

vermeerderen, vergroten {pf: auxi, auctus}

230

multitudo

-inis menigte, massa {v}

231

superesse

over zijn, overleven

232

tollere

opheffen, aanheffen, wegnemen {pf: sustuli, sublatus}

233

arcere

afweren, afhouden

234

matrona

(getrouwde) vrouw

235

publicum

het openbare leven 'de staat'

236

silentium

stilte, rust

237

custos

custodis bewaker

238

cogere

bijeenbrengen, verzamelen, dwingen {coegi, coactus}

239

salus

salutis gezondheid, welzijn, redding {v}

240

salvus

behouden, intact

241

tuba

trompet

242

carmen

carminis lied, gedicht {o}

243

sonare

klinken, weerklinken {pf: sonui}

244

portare

dragen, brengen

245

qui, quae, quod

welk(e)?, wat voor (een)?

246

imago

imaginis beeld {v}

247

flumen

fluminis rivier, stroom {o}

248

hic, haec, hoc

deze, dit

249

adesse

aanwezig zijn, er zijn {pf: adfui}

250

ignorare

niet weten/kennen

251

non ignorare

goed weten/kennen

252

appellare

noemen

253

libertas

-atis vrijheid {v}

254

virtus

virtutis dapperheid, moed {v}

255

superare

overtreffen, overwinnen, verslaan

256

lumen

luminis licht {o}

257

decus

decoris sieraad, eer, roem {o}

258

elephantus

olifant

259

bestia

beest

260

atrox

atrocis afgrijselijk, gruwelijk, verschrikkelijk

261

corpus

corporis lichaam, lijf, lijk {o}

262

terrere

laten schrikken, bang maken

263

aurum

goud

264

argentum

zilver

265

praeda

buit

266

vincire

binden, boeien {pf: vinxi, vinctus}

267

currus

-us wagen

268

captivus

(krijgs)gevangene

269

nobilis

-is aanzienlijk, voornaam, van adel

270

at

maar

271

petere

gaan naar, aanvallen, vragen, verlangen, trachten te bereiken, streven naar, halen

272

bonum

het goede

273

bona

have en goed, goederen {o mv}

274

tristis

is, treurig; droevig

275

flere

huilen flevi, fletus

276

tantum

slechts; alleen

277

unde

vanwaar?; waarvandaan?

278

habitare

wonen; bewonen

279

inde

vandaar; daarvandaan

280

pirata

zeerover; piraat

281

nauta

zeeman; matroos

282

proelium

gevecht; strijd

283

committere

tot stand brengen commisi, commissus

284

proelium committere

een gevecht aangaan; een gevecht beginnen

285

necare

doden; ombrengen

286

emere

kopen emi, emptus

287

durus

hard; hardvochtig

288

interdum

soms; af en toe

289

coercere

in bedwang houden; bestraffen; straffen

290

caedere

neerslaan; slaan; doden

291

iubere

bevelen; opdragen; +inf, laten iussi, iussus

292

crinis

crinis m haar

293

disponere

verdelen; ordenen disposui, dispositus

294

perterrere

hevig laten schrikken; erg bang maken

295

effugere

ontvluchten; vluchten; ontsnappen effugi

296

vehemens

vehementis, hevig; heftig; sterk

297

vehementer

bijw, zeer; hevig; heftig

298

clemens

clementis, mild; toegeeflijk; vriendelijk; aardig

299

umquam

ooit

300

consulere in

+acc, optreden tegen; behandelen

301

ceterum

overigens; verder

302

mores

m mv karakter; leefwijze; gedrag; levenswandel

303

turpis

is, schandelijk; smadelijk

304

nuper

onlangs; kortgeleden

305

ardus

traag; langzaam; laat

306

fortis

is, dapper

307

defendere

afweren; verdedigen; beschermen

308

in

+abl, in; op; bij

309

salutem dicere

+dat, groeten

310

ut

+coni, dat; opdat; om te; zodat

311

ne

+coni, dat niet; opdat niet; om niet te

312

odium

haat

313

ratio

rationis, v, rede; verstand

314

valere

gezond zijn; sterk zijn; gelden, valui

315

damnum

schade; nadeel

316

poena

straf; boete

317

poenas dare

gestraft worden

318

sinere

toelaten; toestaan; laten sivi, situs

319

praeter

+acc, behalve

320

labor

Laboris, werk; inspanning; moeite; leed

321

oportet

het is nodig; het behoort

322

curare

zich bekommeren om; zorgen voor; verzorgen; zorgen

323

sollicitudo

sollicitudinis, v, bezorgheid; zorg; ongerustheid

324

senectus

senectus, v, ouderdom

325

nefas

o, onrecht; zonde

326

adversus

+acc, tegen

327

sententia

mening; voorstel; wil

328

spatium

ruimte; tijdsruimte; tijd

329

quietus

rustig

330

ita

zo

331

sollicitare

ongerust maken; verontrusten

332

qualis?

hoedanig?; wat voor een?; wat voor?

333

miscere

mengen; verwarren; in de war sturen, miscui mixtus

334

modus

maat; wijze; manier

335

cupiditas

cupiditatis, v, begeerte; verlangen

336

tribunatus

us, tribunaat

337

mortuus

gestorven; dood

338

demum

bijw, pas

339

sentire

bemerken; voelen; merken, sensi sensus

340

perseverare

volharden; doorgaan; volhouden

341

nec

en niet; ook niet; maar niet

342

timere ne

+coni, vrezen dat

343

cum

+coni, toen; omdat

344

culpa

schuld

345

sero

bijw, laat; te laat