les16 Flashcards Preview

Latijn > les16 > Flashcards

Flashcards in les16 Deck (35):
1

mors

mortis dood {vrouwelijk}

2

navis

navis schip {vrouwelijk}

3

vates

vatis ziener;zieneres;profeet;profetes

4

sedes

sedis zitplaats; zetel; stoel; woonplaats woning {vrouwelijk}

5

beatus

gelukkig

6

sors

sortis lot {vrouwelijk}

7

gens

gentis geslacht; stam; volk {vrouwelijk}

8

anima

adem; ziel; leven

9

monstrare

tonen; aanwijzen; wijzen

10

lux

lucis licht {vrouwelijk}

11

fatum

lot; noodlot

12

docere

onderwijzen; informeren {+2 acc; iemand iets onderwijzen, iemand over iets informeren}

13

ille, illa, illud

die;dat

14

regnare

koning zijn; heersen; regeren; regeren over {+ genitivus}

15

arx

arcis burcht {vrouwelijk}

16

mons

montis berg {mannelijk}

17

ponere

plaatsen; neerzetten; zetten; leggen; neerleggen {posui, positus}

18

urbs

urbis stad {vrouwelijk}

19

iam

al; reeds; spoedig; weldra

20

prodere

onthullen; meedelen; overleveren; verraden

21

dicere

zeggen; spreken; noemen; bedoelen

22

primus

eerst

23

finis

finis grens; einde; doel {mannelijk}

24

orbis

orbis kring; kringloop { mannelijk}

25

orbis terrarum

de aarde; de wereld

26

superbus

hoogmoedig; trots

27

civitas

civitatis staat {vrouwelijk}

28

auctor

auctoris dader; aanstichter; stichter; stamvader;schrijver

29

parere

gehoorzamen {+ dativus}

30

imperium

macht; heerschappij; rijk; gebed;bevel

31

iustus

rechtvaardig

32

parcere

sparen {+ dat, peperci}

33

admonere

waarschuwen; raadgeven; aansporen; herinneren

34

memoria

geheugen; herinnering

35

litterae

brief; wetenschap {vrouwelijk meervoud}