Caminos I Unidad 1 Flashcards Preview

Spaans - Caminos > Caminos I Unidad 1 > Flashcards

Flashcards in Caminos I Unidad 1 Deck (168):
0

Ik heet

Me llamo

1

Hoe heet jij?

¿Cómo te llamas?

3

Hoofdstuk

La unidad

4

Tot gauw

Hasta luego

5

Spaans (taal)

El español

6

De wereld van het Spaans

El mundo del español

7

Stranden

Las playas

8

Spaanse champagne

El cava

9

Internationale woorden

Palabras internacionales

10

Ruïnes

Las ruïnes

11

Museum

El museo

12

Woord

La palabra

13

Toeristen

Los/las turistas

14

Vuur

El fuego

15

Pelgrimsweg naar Santiago de Compostela

El Camino de Santiago

16

Hotel central

El hotel central

17

Economie

La economía

18

Globalisering

La globalización

19

Meer

Más

20

Gespreksthema

Un tema de debate

22

Golfbanen

Los campos de golf

23

Tentoonstelling

La exposicíon

24

Nieuw

Nuevo /-a

25

Ziekenhuis

El hospital

26

Stad

La ciudad

27

Bibliotheek

La biblioteca

28

Virtueel

Virtual

29

Voor

Para

30

Universiteiten

Las universidades

31

Congres

El congreso

32

Hoe gaat het?

¿Qué tal?

33

Tango

El tango

34

Geneeskunde

La medicina

35

Kampioen

El campeón

36

Voetbalcompetitie

La liga de fútbol

37

Festival

El festival

38

Klassieke muziek

La música clásica

39

Crisis

La crisis

40

IT sector

El sector informático

41

Speciale tarieven

Las tarifas especiales

42

Interessant

Interesante

43

Vooruitzichten

Las perspectivas

44

Toerisme-industrie

La industria del turismo

45

Schandaal

El escándalo

46

Discotheek

Una discoteca

47

Wat betekent ...?

¿Qué significa..?

48

Wat

Qué

49

Betekenen

Significar

50

Weg

El camino

51

Ik weet (het) niet

No sé - inf: saber

52

Actualiteit

La actualidad

53

Cultuur

La cultura

54

Sport

El deporte

55

Uitspraak

La pronunciación

56

Sterkte! Zet 'm op!

¡Ánimo!

57

Hoe spreek je ... uit?

¿Cómo se pronuncia ... ?

58

Beroemde personen

Personas famosas

59

Wie zijn ... ?

¿Quiénes son ... ? (Inf: ser)

60

Wie is ... ?

¿Quién es ... ?

61

Nummer een

El uno

62

Dat is ...

Es ...

63

Voorbeeld

El modelo

64

Schrijver / schrijfster

Un/a autor/a

65

Beroemd

Famoso / -a

66

Schilder(es)

Un/a pintor/-a

67

Modern

Moderno/-a

68

Acteur

Un actor

69

Spaans

Español/a

70

Operazanger(es)

Un/a cantate de ópera

71

Chileens

Chileno/-a

72

Politicus / politica

Un/a politico/-a

73

Revolutionair

Revolucionario/-a

74

Mexicaans

Mexicano/-a

75

Mannelijk

Masculino/-a

76

Vrouwelijk

Femenino/-a

77

Hoe heet u?

¿Cómo se llama usted?

78

En u?

¿Y usted?

79

Goedemorgen

Buenos días

80

Goedenavond goedenacht

Buenas noches

81

Dag tot ziens

Adíos

82

Reportage

El reportaje

83

Televisie

La televisión

84

Monument

El monumento

85

Theater

El teatro

86

Attractie

La atracción

87

Regio

La región

88

Experiment

El experimento

89

Techniek

La técnica

90

Materiaal

El material

91

Vorm

La forma

92

Kleur

El color

93

Theorie

La teoría

94

Idee

La idea

95

Stijl

El estilo

96

Schilderij

El cuadro

97

Humor

El humor

98

Provocatie

La provocación

99

Film

La película

100

Fantasie

La fantasía

101

Grens

La frontera

102

Plaats, plek

El lugar

103

Figuur

La figura

104

Object, voorwerp

El objeto

105

Architectuur

La arquitectura

106

Surrealisme

El surrealismo

107

Enkelvoud

El singular

108

Meervoud

El plural

109

Opgelet! (Lett: oog)

¡Ojo!

110

Radio

La radio

111

Foto

La foto

112

Dag

El día

113

Probleem

El problema

114

Duitsland

Alemania

115

Oostenrijk

Austria

116

België

Bélgica

117

Brazilië

Brasil

118

Spanje

España

119

Verenigde staten USA

Estados Unidos

120

Filippijnen

Filipinas

121

Frankrijk

Francia

122

Nederland

Holanda

123

Italië

Italia

124

Mexico

México

125

Panama

Panamá

126

Peru

Perú

127

Dominicaanse republiek

República Dominicana

128

Men spreekt Spaans, er wordt Spaans gesproken

Se habla español (inf: hablar)

129

Men spreekt geen Spaans, er wordt geen Spaans gesproken

No se habla español

130

Amerika

América

131

Telefoon

El teléfono

132

Koffie

El café

133

Tunnel

El túnel

134

Lees deze tekst

Lea este texto (inf: leer)

135

Tekst

El texto

136

Of

O

137

Castilliaans, Spaans

El castellano

138

Officiële taal

La lengua oficial

139

Van de Spaanse staat

Del Estado español

140

Van

De

141

Land

El país

142

Latijns-Amerikaans

Latinoamericano /-a

143

Werelddeel continent

El continente

144

Afrikaans

Africano /-a

145

De meest gesproken taal ter wereld

La lengua más hablada del mundo

146

Na het Chinees

Después del chino

147

Engels

El inglés

148

Meer dan 400 miljoen mensen

Más de 400 millones de personas

149

Ze spreken

Hablan (inf: hablar)

150

Ook

También

151

Behoort tot de familie

Es de la familia

152

Romaanse talen

Las lenguas románicas

153

Als zoals

Como

154

Italiaans

El italiano

155

Frans

El francés

156

Portugees

El portugués

157

Catalaans

El catalán

158

En

Y

159

Andere

Otros /-as

160

Bijvoorbeeld

Por ejemplo

161

Siësta middagdutje

La siesta

162

Guerrilla

La guerrilla

163

Embargo

El embargo

164

Sangria

La sangría

165

Macho

El macho

166

Sfeer; omgeving

El ambiente

167

Feest

La fiesta

168

Welkom in de wereld van het Spaans!

¡Bienvenidos al mundo del español!

169

Tot slot, aan het eind

Al final