Caminos I Unidad 2 Flashcards Preview

Spaans - Caminos > Caminos I Unidad 2 > Flashcards

Flashcards in Caminos I Unidad 2 Deck (188):
0

Ontmoeting

El encuentro

1

Dierenarts

El/la veterinario /-a

2

Nederlander / Nederlandse

El/la holandés /-esa

3

Leraar / lerares

El/la profesor /-a

4

Taxichauffeur (m/v)

El/la taxista

5

Ik kom uit ....

Soy de .... (Inf: ser)

6

Uit .... komen

Ser de ....

7

Mijn beroep

Mi profesión (v)

8

Monteur

El/la mecánico /-a

9

Kok(kin)

El/la cocinero /-a

10

Ik leef; ik woon

Vivo (inf: vivir)

11

Ik werk

Trabajo (inf: trabajar)

12

Pardon

Perdón

13

Bent u de heer Pons?

¿Es usted el señor Pons?

14

Heer, meneer

El señor

15

Dat ben ik.

Soy yo (inf: ser)

16

Aangenaam

Mucho gusto
Encantado /-a

17

Vrouw, mevrouw

La señora

18

Hoe gaat het met u?

¿Cómo está usted? (Inf: estar)

19

Heel goed

Muy bien

20

Bedankt

Gracias

21

En met u?

¿Y usted?

22

Jij bent

Tú eres (inf: ser)

23

Niet (waar)? Toch?

¿Verdad?

24

Jullie zijn

Vosotras sois (inf: ser)

25

Vriend(in)

El/la amigo /-a

26

Nietwaar?

¿No?

27

Waar komt u vandaan?

¿De dónde es usted? (Inf: ser)

28

U (meervoud)

Ustedes

29

Wij zijn

Somos (inf: ser)

30

Zijn

Ser

31

Hij

Él

32

Zij

Ella

33

Wij

Nosotros /-as

34

Jullie

Vosotros /-as

35

Zij (meervoud)

Ellos, ellas

36

Hoe gaat het met je?

¿Cómo estás?

37

Het gaat wel

Regular

38

Verschrikkelijk!

¡Fatal!

39

Hoe heten deze steden in het Spaans?

¿Cómo se llaman estas ciudades en español? (inf: llamarse)

40

Uit .... komen

Ser de ...

41

Luister (naar)

Escuche (inf: escuchar)

42

Hoe schrijf je?

¿Cómo se escribe? (Inf: escribir)

43

Met

Con

44

Accent

El acento

45

Zonder

Sin

46

Alfabet

El alfabeto

47

Kleine letter m

m minúscula

48

Hoofdletter M

M mayúscula

49

Trema

La diéresis

50

Latijns-Amerika

Latinoamérica

51

Reservering

La reserva

52

Eenpersoonskamer

La habitación individual

53

Tweepersoonskamer

La habitación doble

54

Bad

El baño

55

Oktober

Octubre

56

Naam

El nombre

57

Achternaam

El apellido

58

Wat doet u (voor werk)?

¿Quė hace usted? (Inf: hacer)

59

Personeelsadvertentie

La oferta de empleo

60

(Hij/zij) zoekt

Busca (inf: buscar)

61

Onderneming

La empresa

62

Textiel

Textil

63

(Hij/zij) heeft nodig

Necesita (inf: necesitar)

64

Vertegenwoordig(st)er

El/la representante

65

Ervaring

La experienca

66

Sturen, zenden

Enviar

67

Receptionist(e)

El/la recepcionista

68

Contact opnemen met

Contactar

69

Bank

El banco

70

(Hij/zij) biedt aan

Ofrece (inf: ofrecer)

71

Stage(plaats)

Las prácticas

72

Student(e)

El/la estudiante

73

Voor drie maanden

Por 3 meses

74

Maand

El mes

75

Winkelcentrum

El centro comercial

76

Administratief medewerk(st)er

El/la empleado /-a administrativo /-a

77

Computerkennis op gebruikersnivo

Los conocimientos de informática a nivel usuario

78

Kennis

Los conocimientos

79

Informatica

La informática

80

Postbus

El apartado de Correos

81

Multinational

Multinacional

82

Programmeur

El/la programador /-a

83

Leeftijd

La edad

84

Tussen

Entre

85

Jaar

El año

86

Fabriek

La fábrica

87

Elektrisch

Eléctrico /-a

88

Commercieel technisch medewerk(st)er

El/la técnico /-a comercial

89

Minstens 2 jaar ervaring

Experienca mínima 2 años

90

Ingenieur m/v

El/la ingeniero /-a

91

Geïnteresseerde m/v

El/la interesado /-a

92

Schrijven naar

Escribir a

93

Arts m/v

El/la médico /-a

94

Specialiteit vakgebied

La especialidad

95

Radiologie

La radiología

96

Reisbureau

La agencia de viajes

97

Per

Por

98

Secretaris secretaresse

El/la secretario /-a

99

Duits

El alemán

100

School

El colegio

101

Bekijken, kijken naar

Mirar

102

Klas

La clase

103

Spreken, praten

Hablar

104

Klasgenoot klasgenote

El/la compañero /-a

105

Al reeds

Ya

106

Doen

Hacer (yo hago)

107

Nou ...

Pues

108

Werken

Trabajar

109

Middelbare school

El Instituto

110

(Hij/zij) leeft; woont

Vive (inf: vivir)

111

Hier

Aquí

112

Maar

Pero

113

Hij/zij heeft geen werk

No tiene trabajo (inf: tener)

114

Werk

El trabajo

115

Wat jammer!

¡Qué lástima!

116

Nog

Todavía

117

Chef, hoofd

El jefe

118

Kredietafdeling

El departamento de créditos

119

Krediet

El crédito

120

Waar?

¿Dónde?

121

Wat goed! Wat leuk!

¡Qué bien!

122

Mijn ex-vriendin

Mi ex-novia

123

Wat doet hij/zij voor werk?

¿Qué hace?

124

Huisvrouw

El ama (v) de casa

125

Hij/zij heeft drie studerende kinderen

Tiene tres hijos que estudian en la Universidad

126

Kinderen

Los hijos

127

Leren, studeren

Estudiar

128

Wat zeg je me nu! Ga weg!

¡No me digas!

129

Hij/zij is getrouwd (met)

Está casado (con)

130

Colombiaan(se)

El/la colombiano /-a

131

Beiden, alletwee

Los dos

132

Vul aan

Complete (inf: completar)

133

Zoek

Busque (inf: buscar)

134

De ontbrekende vormen

Las formas que faltan

135

Welke talen spreken ze?

¿Qué lenguas hablan?

136

Een beetje Frans

Un poco de francés

137

Wat doe je (voor werk)?

¿Qué haces? (Inf: hacer)

138

Doen, maken

Hacer (yo hago)

139

Verantwoordelijk zijn (voor)

Ser responsable (de)

140

Mederwerk(st)er zijn (bij)

Ser empleado /-a (de)

141

Argentijn(se)

El/la argentino /-a

142

Nou (ja)

Bueno

143

Leren

Aprender

144

Volksuniversiteit

La Universidad Popular

145

Wat interessant!

¡Qué interesante!

146

Leven, wonen

Vivir

147

Daar

Allí

148

Een bedrijf dat tractoren verkoopt

Una empresa que vende tractores

149

Verkopen

Vender

150

Schrijven

Escribir

151

Krant

El periódico

152

Doorbrengen

Pasar

153

Vakantie

Las vacaciones

154

Slechts, alleen

Sólo

155

Reisbureau

La agencia de viajes

156

Kijk.

Miren. (Inf: mirar)

157

Als, indien

Si

158

(Langs) komen

Pasar (por)

159

Hier hebt u ...

Aquí tienen ...

160

Mijn mobiele nummer

El número de mi teléfono móvil

161

Mobieltje

El (teléfono) móvil

162

Aardig

Amable

163

Hartelijk dank

Muchas gracias

164

De watervallen van Iguazú

Las cataratas de Iguazú

165

Markeer

Marque. (Inf: marcar)

166

Verschil

La diferencia

167

Wat is je mobiele nummer?

¿Cuál es tu número de móvil?

168

Wat? Welke? Welk?

¿Cuál?

169

E-mail

El correo electrónico

170

Apenstaartje (@)

La arroba

171

Punt

El punto

172

Koppelteken -

El guión

173

Mobieltje LA

El (teléfono) celular

174

Nee, die / dat heb ik niet

No, no tengo

175

Hebben

Tener (yo tengo)

176

Zijn, haar, uw, hun

Su

177

Tuurlijk, natuurlijk

Claro

178

Video (recorder)

El vídeo

179

Computer

El ordenador

180

(Digitale) camera

La cámara (digital)

181

Ik ben 20 (jaar oud)

Tengo 20 años

182

Centrum

El centro

183

Wie van de cursisten ...?

¿Quién del curso ...?

184

Reizen

Viajar

185

Veel, vaak

Mucho

186

Cheffin, bazin

La jefa

187

Gedicht

El poema