Caminos I Unidad 5 Flashcards Preview

Spaans - Caminos > Caminos I Unidad 5 > Flashcards

Flashcards in Caminos I Unidad 5 Deck (210):
0

Anders nog iets?

¿Algo más?

1

Aanbieding

La oferta

2

Week

La semana

3

Muffin, cakeje

La magdalena

4

Zak

La bolsa

5

Blik(je)

La lata

6

Stokbrood

La barra de pan

7

Yoghurt

El yogur (natural)

8

Bier

La cerveza

9

Melk

La leche

10

Fles

La botella

11

Mineraalwater

El agua (v) mineral

12

Liter

El litro

13

Olie

El aceite

14

Kroket

La croqueta

15

Pak(je)

El paquete

16

Wijn

El vino

17

Boter

La mantequilla

18

Een kilo ...

Un kilo de ...

19

Anderhalve kilo

Un kilo y medio de ...

20

Gram

El gramo

21

In tweetallen

En parejas

22

Hoeveel kost / kosten ... ?

¿Cuánto cuesta/n ...?
(Inf: costar)

23

Euro

El euro

24

Cent

El céntimo

25

Product

El producto

26

Kopen

Comprar

27

Klant (m/v)

El/la cliente /-a

28

Ik zou graag ... willen

Quería ...
(Inf: querer)

29

Tomaat

El tomate

30

Groen

Verde

31

Aardappel

La patata

32

Dat is alles

Eso es todo

33

Hoeveel is het?

¿Cuánto es?

34

Hier, alstublieft

Aquí tiene.
(Inf: tener)

35

Wensen

Desear

36

Machegokaas (uit La Mancha)

El queso manchego

37

Hoeveel wilt u?

¿Cuánto quiere?
(Inf: querer)

38

Geeft u mij

Deme (inf: dar)

39

Olijfolie

El aceite de oliva

(zonder i na de v)

40

Wat duur!

¡Qué caro!

41

Duur

Caro /-a

42

Dan, dus

Entonces

43

Willen

Querer

44

Vragen (naar)

Preguntar (por)

45

Prijs

El precio

46

Gaan winkelen,
Boodschappen gaan doen

Ir de compras

47

Beter

Mejor

48

Ei

El huevo

49

Thee

El té

50

Citroen

El limón

51

Suiker

El azúcar

52

Hoeveelheid

La cantidad

53

Serranoham

El jamón serrano

54

Mandarijn

La mandarina

55

Het spijt me

Lo siento
(Inf: sentir)

56

Dat / die heb ik vandaag niet

Hoy no tengo

57

Hoe smaakt de vis?

¿Qué tal el pescado?

58

Voorgerecht

La entrada

59

Soep

La sopa

60

Gazpacho
(koude tomatensoep)

El gazpacho

61

Gemengde salade

La ensalada mixta

62

Omelet met aardappel en ui

La tortilla española

63

Vlees

La carne

64

Vis

El pescado

65

Patat, friet

Las patatas fritas

66

Kip

El pollo

67

Gebakken met knoflook

Al ajillo

68

Gepaneerd

A la romana

69

Gamba's

Las gambas

70

Gegrild

A la plancha

71

Dessert

El postre

72

Soort puddinkje

El flan

73

IJs

El helado

74

Taart

La tarta

75

Aardbei

La fresa

76

Sorbet

El sorbete

77

Seizoensfruit

Fruta del tiempo

78

Vrucht, fruit

La fruta

79

Drank(je)

La bebida

80

Met koolzuur

Con gas (m)

81

Zonder koolzuur

Sin gas (m)

82

Sinaasappelsap

El zumo de naranja

83

Sinaasappel

La naranja

84

Rode wijn

El vino tinto

85

Witte wijn

El vino blanco

86

Rosé

El vino rosado

87

Dagmenu

El menú del día

88

Espresso

El café solo

89

Espresso met wat melk

El (café) cortado

90

Koffie verkeerd

El café con leche

91

Ober / serveerster

El/la camarero /-a

92

Vindt u deze tafel goed / mooi?

¿Les gusta esta mesa?

93

Tafel

La mesa

94

Hier: menukaart

La carta

95

Als hoofdgerecht

De segundo

96

Als nagerecht

De postre

97

Voortreffelijk

Estupendo

98

De voorkeur geven aan,
liever hebben

Preferir

99

Voor mij

Para mí

100

Als voorgerecht

De primero

101

Om te drinken

Para beber

102

Verzoeken, vragen;
Hier: bestellen

Pedir

103

Huiswijn

El vino de la casa

104

Is dat alles?

¿Es todo?

105

Op het ogenblik

De momento

106

Tijdens

Durante

107

Eten, maaltijd

La comida

108

Insgelijks

Igualmente

109

Hier: lekker

Rico /-a

110

Proeven, proberen

Probar

111

(Mee)brengen

Traer (yo traigo)

112

Nog een

Otro /-a

113

Meteen

Ahora mismo

114

Nemen

Tomar

115

Rekening

La cuenta

116

Betalen

Pagar

117

Nee., Nee hoor.

Que no.

118

Jawel., Echt wel.

Que sí.

119

Definitie

La definición

120

Mes

El cuchillo

121

Dienen om te ...

Servir para (+ het infinitief)

122

Snijden

Cortar

123

Lepel

La cuchara

124

Nemen; hier: eten

Tomar

125

Vork

El tenedor

126

(Water)glas

El vaso

127

Bord; gerecht

El plato

128

Servet

La servilleta

129

Zout

La sal

130

Nog wat ...

Un poco más de ...

131

Commentaar

El comentario

132

Verbind

Relacione
(Inf: relacionar)

133

Hier: gerecht

El plato

134

Bijvoeglijk naamwoord

El adjetivo

135

Zout, gezouten

Salado /-a

136

Scherp

Picante

137

Koud

Frío /-a

138

Flauw

Soso /-a

139

Te + bijv naamwoord

Demasiado ...

140

Warm, heet

Caliente

141

Eten, maaltijd

La comida

142

Gewoonte, gebruik

La costumbre

143

Mailtje

El emilio

144

Intensieve cursus

El curso intensivo

145

Marmelade, jam

La mermelada

146

Hier: inktvisringen

Los calamares

147

Ik hoop goed.
Hopelijk goed.

Espero que bien.

148

Hopen

Esperar

149

Je, jou

Te

150

Geloven

Creer

151

Dat

Que

152

Kunnen

Poder

153

Begrijpen, verstaan

Entender

154

Enkele

Algunos /-as

155

Ding, zaak

La cosa

156

Anders

Diferente

157

Ontbijten

Desayunar

158

Acht uur 's morgens

Las ocho de la mañana

159

Geroosterde boterham

La tostada

160

Tussen de middag

Al mediodía

161

Lunchen,
eten tussen de middag

Almorzar

162

Twee uur 's middags

Las dos de la tarde

163

Daarvoor;
vroeger

Antes

164

Wat gaan drinken

Ir de bares

165

Aperitief

El aperitivo

166

Pilsje, biertje (van de tap)

La caña

167

Tapas

Las tapas

168

Portie

La porción

169

Champignon

El champiñon

170

Altijd

Siempre

171

Hier: gang

El plato

172

's avonds, 's nachts

Por la noche

173

Dineren

Cenar

174

Later (dan)

Más tarde (que)

175

Half elf

Las diez y media

176

Avondeten, diner

La cena

177

Licht

Ligero /-a

178

Rijst

El arroz

179

Honger hebben

Tener hambre

180

Honger

El hambre

181

Hiernaartoe komen

Venir aquí

182

Groetjes, kusjes, kus.
(Briefafsluiting)

Un beso

183

Kus

El beso

184

Ontbijt

El desayuno

185

Eten, lunchen

Comer

186

Hoe laat?

¿A qué hora?

187

(Om) een uur

A la una

188

(Om) tien uur

A las diez

189

Hoe laat is het?

¿Qué hora es?

190

Tien uur precies

Las diez en punto

191

Kwart over tien

Las diez y cuarto

192

Kwart voor elf

Las once menos cuarto

193

Weet u hoe laat het is?

¿Tiene hora?

194

Het is twintig voor drie

Faltan veinte para las tres.

195

Lijst

La lista

196

Tv kijken

Ver la tele

197

Beëindigen

Terminar

198

Presenteer

Presente
(Inf: presentar)

199

Lett: wilde aardappelen
(Patat met knoflookmayonaise)

Las patatas bravas

200

Belegd broodje

El bocadillo

201

Gefrituurd

Frito /-a

202

Gehaktballetje

La albóndiga

203

Tomatensaus

La salsa de tomate

204

Zit er knoflook in?

¿Lleva ajo?
(Inf: llevar)

205

Knoflook

El ajo

206

Portie

La ración

207

Men eet,
Er wordt gegeten

Se come

208

Laat

Tarde

209

Beschrijf

Describan
(Inf: describir)