woordjes A Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes A > Flashcards

Flashcards in woordjes A Deck (717):
1

à

om, om te, naar, op, aan, met, in, te

2

à cause de

vanwege, wegens, door

3

à condition que

op voorwaarde dat

4

à côté de

naast

5

à dessein

met opzet

6

à destination de

met bestemming (Brussel)

7

à droite

rechts (inslaan)

8

à fond

(iets) grondig (onderzoeken)

9

à force de

door veel te (werken wordt men rijk)

10

à gauche

links (afslaan)

11

à jamais

voor altijd

12

à la fois

tegelijk, tegelijkertijd

13

à la suite de

tengevolge van

14

à l'aide de

met behulp van

15

à l'aise

(zich) op zijn gemak (voelen)

16

à l'arrière-plan

op de achtergrond

17

à l'avance

van tevoren

18

à l'égard de

(vriendelijk zijn) ten opzichte van (iemand) ,jegens, tegenover

19

à l'essai

op proef (een product op proef nemen)

20

à l'extérieur

(de tuinmeubels) buiten (laten staan)

21

à l'heure actuelle

tegenwoordig (heden ten dage)

22

à limite

desnoods

23

à l'improviste

onverwachts (bij vrienden binnenvallen)

24

à l'insu de

buiten medeweten van

25

à l'intention de

bestemd voor (de heer...)

26

à l'intérieur

binnen (aan de binnenkant)

27

à l'issue de

na afloop van

28

à louer

(appartement) te huur

29

à merveille

prima, wonderwel

30

à mi-temps

deeltijds (werken)

31

à moins que

tenzij

32

à moitié

half, voor de helft

33

à mon avis

mijns inziens

34

à mon grand regret

tot mijn grote spijt

35

à part

(een kamer) apart

36

à partir de

vanaf (volgend jaar)

37

à peine

nauwelijks

38

à perpétuité

tot levenslang (veroordeeld zijn)

39

à peu près

ongeveer (10 personen)

40

à portée de main

binnen handbereik

41

a priori

vooraf, van tevoren

42

à propos de

(documentaire) over (de Nobelprijzen)

43

à reculons

achterwaarts (gaan)

44

à rigueur

desnoods

45

à son tour

(ieder) op zijn beurt

46

à tempérament

op afbetaling

47

à terme

op termijn

48

à tort

ten onrechte

49

à toute vitesse

in volle vaart

50

à travers

door

51

à volonté

naar believen

52

à vrai dire

om de waarheid te zeggen

53

à vue d'oeil

zienderogen (beter worden)

54

l' abandon (m)

het verlaten (van zijn kinderen)

55

abandonner

achterlaten

56

l'abat-jour (m) ; les abat-jour

de lampenkap

57

l' abattement (m)

de neerslachtigheid (lusteloosheid)

58

abattre

(een boom) omhakken, (dieren) slachten

59

l'abbé (m)

de abt

60

l'abcès (m) ; les abcès

het abces

61

abdiquer

afstand doen (van de troon)

62

l' abeille (f)

de bij (insect)

63

l' abîme (m)

de afgrond

64

abîmer; abîmé

beschadigen, beschadigd

65

abondamment

(een) rijkelijk (versierd huis)

66

l'abondance (f)

de overvloed

67

abondant

overvloedig (een overvloedige oogst)

68

abonder

overvloedig zijn

69

aborder

(een onbekende) aanspreken

70

aboutir

uitkomen (deze weg komt uit op het dorp)

71

aboyer

blaffen (de hond blaft)

72

abréger

(een tekst) inkorten

73

l' abréviation (f)

de afkorting

74

l' abri (m)

de beschutting

75

abriter; abrité

beschutten (tegen de zon), beschut, onderbrengen, plaats bieden aan

76

l'absence (f)

de afwezigheid

77

absent

afwezig (zijn)

78

absolu

(een) absoluut (cijfer)

79

absolument

absoluut (zeker zijn)

80

absorber; absorbé

absorberen, geheel en al in beslag genomen

81

absoudre

vergeven

82

l' abstraction (f)

de abstractie

83

abstraire

abstraheren

84

absurde; absurde

absurd (zijn)

85

l' absurdité (f)

de absurditeit

86

l'abus (m) ; les abus

het misbruik

87

abuser

misbruiken

88

l'académie (f)

de academie

89

accabler

(iemand) overladen (met werk)

90

accéder

toegang hebben (tot verdieping 10)

91

l'accélérateur (m)

de gaspedaal

92

l'accélération (f)

de versnelling

93

accélérer

versnellen (in de auto)

94

accentuer

accentueren

95

acceptable; acceptable

(een) aanvaardbaar (compromis)

96

l'acceptation (f)

de aanvaarding

97

accepter; accepté

aanvaarden

98

l'accès (m) ; les accès

de toegang (tot het park)

99

l'accessibilité (f)

de toegankelijkheid, de bereikbaarheid

100

accessible; accessible

toegankelijk (zijn voor het publiek)

101

l'accessoire (m)

het toebehoren

102

l'accident (m)

het ongeluk

103

l'accident de voiture (m)

het auto-ongeluk

104

accidenté

(een) heuvelachtig (terrein)

105

accidentel; accidentelle

toevallig (een toevallige ontmoeting)

106

acclamer

(een redenaar) toejuichen

107

accompagner; accompagné

(iemand) begeleiden, vergezeld

108

accomplir

(zijn taak) volbrengen

109

l'accord (m)

het akkoord (een akkoord aangaan)

110

accorder; accordé

(een korting) verlenen, toestaan

111

l'accotement (m)

de berm (naast de weg)

112

l'accoudoir (m)

de armleuning

113

accourir

toelopen (om te helpen)

114

accoutumer

(iemand) gewoon maken (te werken)

115

accrocher; accroché

(zijn jas) ophangen, bevestigd

116

l'accroissement (m)

de aanwas (bevolkingsaanwas)

117

l'accueil (m)

de ontvangst (van genodigden)

118

accueillant

gastvrij, gezellig

119

accueillir

(genodigden) ontvangen, verwelkomen

120

l'accusation (f)

de beschuldiging

121

l'accusé (m)

de beschuldigde

122

accuser

beschuldigen

123

acharné

(een) hardnekkig (tegenstander)

124

l'achat (m)

de aankoop

125

acheter

kopen

126

l'acheteur (m)

de koper

127

achever; achevé

(een werk) voltooien, voltooid

128

acide; acide

zuur (zure regen)

129

l'acidité (f)

de zure smaak, de scherpte

130

l'acier (m)

het staal (metaal)

131

acquérir

(rechten) verwerven

132

acquis

(een) verworven (recht)

133

l'acquisition (f)

de verwerving (van rechten)

134

acquitter

(een beschuldigde) vrijspreken

135

l'acte (m)

de akte

136

l'acte de naissance (m)

de geboorteakte

137

l'acteur (m)

de toneelspeler

138

actif; active

actief (zijn)

139

l'action (f)

de daad

140

l'actionnaire (m/f)

de aandeelhouder

141

l'activité (f)

de activiteit

142

l'actrice (f)

de actrice

143

l'actualité (f)

de actualiteit

144

actuel; actuelle

(een) actueel (probleem)

145

actuellement

tegenwoordig (heden ten dage)

146

adapter; adapté

aanpassen, aangepast

147

l'addition (f)

de rekening (in een restaurant)

148

l'adhérent (m)

de aanhanger (van een partij)

149

adhérer

zich aansluiten (bij een club)

150

adieu (m) ; les adieux

het afscheid

151

adieu!

vaarwel!

152

adjoindre

bijvoegen

153

l'adjoint (m)

de adjunct

154

admettre

(iemand) toelaten

155

administratif; administrative

administratief (directeur)

156

l'administration (f)

de administratie, het bestuur, het overheidsapparaat

157

administrer

(de gemeente) besturen, beheren

158

admirable; admirable

(een) bewonderenswaardig (karakter)

159

admirablement

bewonderenswaardig, prachtig

160

l'admirateur (m)

de bewonderaar

161

l'admiration (f)

de bewondering

162

admirer; admiré

bewonderen, bewonderd

163

l'admission (f)

de toelating

164

l'adolescent (m)

de adolescent, de puber, de tiener

165

adopter; adopté

adopteren, geadopteerd

166

adoption (f)

de adoptie

167

adorable; adorable

(een) schattig (kind)

168

l'adoration (f)

de aanbidding

169

adorer; adoré

aanbidden, aanbeden

170

adosser au mur; adossé

(tegen de muur) zetten, gezet

171

adoucir

(de zeden) verzachten

172

l'adresse (f)

het adres

173

adresser

(een brief) adresseren (aan iemand)

174

adroit

handig (een handige knutselaar)

175

adulte; adulte (m/f)

volwassen (zijn)

176

l'adultère (m/f)

de echtbreker, de echtbreekster

177

l'adversaire (m/f)

de tegenstander

178

aérien; aérienne

lucht- (een luchtvaartmaatschappij)

179

l'aéroglisseur (m)

de hovercraft

180

l'aéroport (m)

de luchthaven

181

l'affaire (f)

de zaak (tot een goed einde brengen)

182

l'affaissement du sol (m)

de grondverzakking

183

affamé

uitgehongerd (zijn)

184

affecté

gemaakt (gemaakte manieren)

185

affecter

(iemand emotioneel) treffen

186

affectueux; affectueuse, affectueux

(een) liefdevol (gebaar)

187

l'affiche (f)

het aanplakbiljet

188

afficher

(publiciteit) aanplakken

189

affirmatif; affirmative

(een) bevestigend (gebaar)

190

affirmativement

bevestigend, positief

191

affirmer; affirmé

bevestigen, bevestigd

192

affliger; affligé

verdrietig maken, bedroefd

193

l'affluence (f)

de toeloop (naar een beurs)

194

affluer

toestromen (de massa stroomt toe)

195

affolé

radeloos

196

affoler

(iemand) radeloos maken

197

affranchir

(een brief) frankeren

198

affronter

(het gevaar) tarten

199

affubler

uitdossen

200

afin de

(minder eten) om te (vermageren)

201

afin que

opdat

202

africain

Afrikaans

203

agaçant

(een) ergerlijk (persoon)

204

agacer

ergeren

205

âgé

bejaard (zijn)

206

l'âge (m)

de leeftijd

207

l'agence (f)

het agentschap

208

l'agence immobilière (f)

het makelaarskantoor, het woningbureau

209

l'agenda (m)

de agenda

210

l'agent (m)

de agent

211

l'agent de police (m) ; les agents de police

de politieagent

212

l'agglomération (f)

de agglomeratie

213

agile; agile

lenig (zijn)

214

l'agilité (f)

de lenigheid

215

agir

handelen

216

l'agitation (f)

de opschudding (bij politieke rellen)

217

agité

(een) onrustig (kind)

218

agiter

schudden (voor gebruik)

219

agneau (m) ;les agneaux

het lam

220

agrandir

(een foto) vergroten

221

agréable; agréable

(een) aangenaam (klimaat) ,(een) gezellig (praatuurtje)

222

agréer

(plechtig) aanvaarden

223

l' agrément (m)

de goedkeuring (officieel)

224

agressif; agressive

agressief (zijn)

225

agricole; agricole

landbouwkundig

226

l'agriculteur (m)

de landbouwer

227

l'agriculture (f)

de landbouw

228

les agrumes (m)

de citrusvruchten

229

l'aide (f)

de hulp

230

aider; aidé

helpen, geholpen

231

les aïeux (m)

de voorouders

232

l'aigle (m)

de arend

233

aigre; aigre

zuur (zure azijn)

234

aigu; aiguë

(een) scherp (geluid), (een) acute (ziekte)

235

l'aiguille (f)

de naald (om te naaien)

236

aiguiser

(een mes) slijpen

237

l'ail (m)

de knoflook

238

l'aile (f)

de vleugel (van een vogel)

239

ailleurs

elders

240

aimable; aimable

(een) beminnelijk (jongetje)

241

aimer; aimé

houden van (iemand), gehouden van, geliefd

242

aîné

oudst, eerstgeboren (de oudste zoon)

243

ainsi

zo (op die manier)

244

ainsi que

evenals

245

l' aïoli (m)

de knoflookmayonaise

246

l'air (m)

de lucht

247

l'aire (f)

de plaats, het terrein, het gebied

248

l'aisance (f)

de ongedwongenheid

249

aisément

vlot (spreken)

250

ajouter

toevoegen

251

l'alarme (f)

het alarm

252

l'album (m)

het album

253

l'alcool (m)

de alcohol

254

les alentours (m)

de omstreken

255

alerter

alarmeren

256

l'aliment (m)

het voedingsmiddel

257

l'alimentation (f)

de voeding

258

alléchant

(een) aanlokkelijk (voorstel)

259

l'allée (f)

de laan

260

alléger

(geldlasten) verlichten

261

l'Allemagne (f)

Duitsland

262

l' Allemand

de Duitser

263

allemand (m)

het Duits

264

aller

(naar de winkel) gaan

265

l'allergie (f)

de allergie

266

l'alliage (m)

de legering (metaalmengsel)

267

l'alliance (f)

het verbond (tussen twee landen)

268

l'allié (m)

de bondgenoot

269

allier

(twee partijen) verbinden

270

allô!

hallo! (aan telefoon)

271

l'allocution (f)

de toespraak

272

allonger

(een rokje) verlengen

273

allumer; allumé

(het licht) aansteken, aangestoken

274

l'allumette (f)

de lucifer

275

l'allusion (f)

de toespeling

276

alors

toen (zei ik...), wel, dan

277

l'alouette (f)

de leeuwerik

278

l'alpha (m)

de alfa

279

l'alpiniste (m/f)

de bergbeklimmer

280

alsacien; alsacienne

Elzassisch

281

l'alternance (f)

de wisseling, de afwisseling

282

alternatif; alternative

afwisselend, alternatief

283

alterner

afwisselen

284

l'altitude (f)

de hoogte

285

l'amabilité (f)

de beminnelijkheid

286

l'amant (m)

de minnaar

287

l'amas (m)

de hoop (wanordelijke papieren)

288

amasser

(geld) vergaren

289

l'amateur (m)

de liefhebber

290

l'ambassade (f)

de ambassade

291

l'ambassadeur (m)

de ambassadeur

292

l'ambiance (f)

de sfeer (tijdens een feestje)

293

ambitieux; ambitieuse; ambitieux

eerzuchtig (zijn)

294

l'ambition (f)

de ambitie

295

l'ambulance (f)

de ziekenwagen

296

l'âme (f)

de ziel

297

l'amélioration (f)

de verbetering (van de toestand)

298

améliorer; amélioré

(zijn toestand) verbeteren, verbeterd

299

l'aménagement (m)

de inrichting (van een kamer)

300

aménager; aménagé

(een kamer) inrichten, ingericht

301

l'amende (f)

de boete (een fiscale boete)

302

amener

(een vriend) meebrengen

303

amer; amère

bitter (een bittere smaak)

304

américain

Amerikaans

305

l'Amérique (f)

Amerika

306

l'amertume (f)

de bitterheid (voeding)

307

l'ameublement

het meubilair

308

l'ami (m)

de vriend

309

amical; amicale; amicaux

vriendschappelijk (zijn)

310

l'amie (f)

de vriendin

311

l'amitié (f)

de vriendschap

312

l'amour (m)

de liefde

313

amoureux; amoureuse; amoureux

verliefd (zijn)

314

l'ampère (m) ; les ampères

ampère

315

ample; ample

wijd (een wijde mantel)

316

l'ampleur (f)

de wijdte (van een mantel)

317

amplifier

(de stroom) versterken

318

amusant

(een) vermakelijk (spel)

319

amuser; amusé

(iemand) amuseren, afleiden

320

l'an (m)

het jaar (het jaar 2000)

321

l'analogie (f)

de analogie

322

analogue; analogue

(een) analoog (geval)

323

l'analyse (f)

de analyse

324

analyser

analyseren

325

l'ananas (m) ; les ananas

de ananas

326

l'anarchie (f)

de anarchie

327

l'ancêtre (m)

de voorvader

328

ancien, ancienne

oud (Oudgrieks)

329

andalou; andalouse

Andalusisch

330

l'âne (m)

de ezel

331

anéantir

vernietigen (door brand)

332

l'ange (m)

de engel

333

anglais; anglais

Engels

334

l'anglais (m)

het Engels

335

l'angle (m)

de hoek (van een driehoek)

336

l'Angleterre (f)

Engeland

337

anglo-saxon; anglo-saxonne

Angelsaksisch

338

l'angoisse (f)

de angst

339

angora; (inv)

angora- (een angorakat)

340

anguleux; anguleuse; anguleux

hoekig

341

l'animal (m) ; les animaux

het dier

342

l'animal domestique (m)

het huisdier

343

l'animation (f)

de animatie

344

animé

bedrijvig, opgewekt, druk

345

animer

animeren

346

l'anneau (m) ; les anneaux

de ring (juweel)

347

l'année (f)

het jaar (het ganse jaar door)

348

l'année bissextile (f)

het schrikkeljaar

349

l'année scolaire (f)

het schooljaar

350

l'anniversaire (m)

de verjaardag

351

l'annonce (f)

de advertentie

352

annoncer; annoncé

aankondigen

353

l'annuaire (m)

het telefoonboek

354

l'annuaire des Téléphones (m)

het telefoonboek

355

annuel; annuelle

(het) jaarlijks (verlof)

356

annuler

annuleren

357

anonyme; anonyme

(een) anoniem (telefoontje)

358

anormal; anormale; anormaux

(een) abnormaal (gedrag)

359

l'anse (f)

het oor (van een kopje)

360

antérieur

voorafgaand (een voorafgaande gebeurtenis)

361

l'anthropoïde (m)

de mensaap

362

antipathique

antipathiek (zijn)

363

antique; antique

(een) antiek (meubel)

364

Anvers

Antwerpen

365

anversois; anversoise, anversois

Antwerps

366

anxieux; anxieuse; anxieux

angstig (zijn)

367

août

augustus

368

apaiser

(iemand) bedaren

369

apercevoir; aperçu

bemerken, opmerken

370

l'aperçu (m)

het overzicht

371

apeuré

bang

372

aplanir

(een terrein) vlak maken

373

aplatir

(ijzer) plat slaan

374

l'apôtre (m)

de apostel

375

apparaître; apparu

verschijnen

376

l'appareil (m)

het toestel

377

l'appareil ménager (m)

het huishoudtoestel

378

l'appareil photo (m)

het fototoestel

379

appareiller

vertrekken, uitvaren

380

apparemment

naar het schijnt

381

l'apparence (f)

de verschijning, de schijn

382

apparent

(een) schijnbaar (herstel)

383

l'apparition (f)

de verschijning

384

l'appartement (m)

het appartement

385

appartenir

toebehoren (aan)

386

l'appel (m)

de oproep

387

appeler; appelé

(iemand) roepen, geroepen

388

appeler au secours

om hulp roepen

389

appétissant

(een) smakelijk (gerecht)

390

l'appétit (m)

de eetlust, de honger

391

applaudir

applaudisseren voor (een zanger)

392

l'application (f)

de toepassing

393

appliqué

(een) ijverig (student)

394

l'applique (f)

de wandlamp

395

appliquer

(een regel) toepassen

396

l'apport (m)

de inbreng, het aandeel, de bijdrage

397

apporter; apporté

(iets) meenemen, (iets) brengen, meegenomen, gebracht

398

apposer sa signature

zijn handtekening zetten

399

l'appréciation (f)

de waardering

400

apprécier; apprécié

waarderen, gewaardeerd

401

apprendre; appris

(Engels) leren, geleerd

402

l'apprenti (m)

de leerjongen

403

l'apprentissage (m)

het leren (van een beroep)

404

apprêter

(het avondmaal) klaarmaken

405

apprivoiser

temmen

406

l'approche (f)

het naderen

407

approcher; approché

naderen, dichterbij komen

408

approfondir

(een kanaal) dieper maken

409

approprié

geschikt (het geschikte moment)

410

approuver; approuvé

goedkeuren, goedgekeurd

411

l'approvisionnement (m)

de bevoorrading

412

l'approximation (f)

de benadering (bij de schatting van een prijs)

413

approximativement

bij benadering

414

l'appui (m)

de steun (om op te leunen)

415

l'appuie-tête (m) ; les appuie-tête

de hoofdsteun

416

appuyer; appuyé

steunen (tegen de muur)

417

âpre

wrang (wrange wijn)

418

après

na

419

après-demain

overmorgen

420

l'après-midi (m) ; les après-midi

de namiddag

421

apte; apte

geschikt (zijn om deze taak uit te voeren)

422

l'aptitude (f)

de geschiktheid

423

l'aquarium (m)

het aquarium

424

l'araignée (f)

de spin

425

arbitraire

willekeurig (een willekeurige beslissing)

426

l'arbitre (m)

de scheidsrechter

427

l'arbre (m)

de boom

428

l'arbre généalogique (m)

de stamboom

429

l'arbuste (m)

de struik

430

l'arc (m)

de boog

431

l'arc-en-ciel (m) ; les arcs-en-ciel

de regenboog

432

l'architecte (m/f)

de architect

433

l'architecture (f)

de architectuur

434

les archives (f)

het archief

435

ardent

brandend (brandende zon)

436

l'arête (f)

de graat

437

l'argent (m)

het geld

438

l'argent liquide (m)

contant geld

439

argenté

verzilverd, zilverkleurig

440

argentin

Argentijns

441

l'argument (m)

het argument

442

argumenter

redetwisten (over iets)

443

aride; aride

(een) dor (klimaat)

444

arithmétique

(een) rekenkundig (probleem)

445

l'armateur (m)

de reder (scheepvaart)

446

armé

gewapend (zijn)

447

arme (f)

het wapen

448

l'arme à feu (f)

het vuurwapen

449

l'arme nucléaire (f)

het kernwapen

450

l'armée (f)

het leger

451

l'armement (m)

de bewapening

452

armer

bewapenen

453

l'armistice (m)

de wapenstilstand

454

l'armoire (f)

de kast

455

aromatiser; aromatisé

aromatiseren, gearomatiseerd

456

l'arôme

het aroma

457

arracher

(het onkruid) uittrekken

458

l'arrangement (m)

de regeling (schikking)

459

arranger; arrangé

regelen (in orde brengen), inrichten,ingericht

460

l'arrestation (f)

de aanhouding (van de dief)

461

l'arrêt (m)

de halte (van de autobus)

462

l'arrêt cardiaque (m)

de hartstilstand

463

l'arrêté (m)

het besluit (ministerieel)

464

arrêter; arrêté

(de schuldige) arresteren, gearresteerd

465

arrêter

(een taxi) tegenhouden

466

arriéré

achterstallig (een achterstallige rekening)

467

l'arrière-grand-mère (f)

de overgrootmoeder

468

arrière-grand-père (m)

de overgrootvader

469

arrière-pensée (f) ; les arrière-pensées

de bijgedachte, de bijbedoeling

470

l'arrivée (f)

de aankomst

471

arriver; arrivé

aankomen, aangekomen

472

arriver à + inf

erin slagen om ...

473

arrondir

(een getal) afronden

474

l'arrondissement (m)

het arrondissement

475

arroser; arrosant

(de planten) besproeien, besproeiend

476

l'arrosoir (m)

de gieter

477

l'arsenal (m) ; les arsenaux

het arsenaal

478

l'art (m)

de kunst

479

l'article (m)

het artikel (in de krant)

480

artificiel; artificielle

(een) kunstmatig (meer)

481

l'artisan (m)

de handwerker

482

l'artiste (m/f)

de kunstenaar, de kunstenares

483

artistique; artistique

(een) artistiek (milieu)

484

l'ascendance (f)

het voorgeslacht

485

les ascendants (m)

de voorouders

486

l'ascenseur (m)

de lift

487

l'Ascension (f)

Hemelvaart

488

l'ascension (f)

de beklimming (van een berg)

489

l'Asie (f)

Azië

490

l'asile (m)

het asiel

491

l'aspect (m)

het aspect

492

asphyxiant

stikkend, verstikkend

493

l'asphyxie (f)

de verstikking

494

l'aspirateur (m)

de stofzuiger

495

l'aspirine (f)

het aspirientje

496

assaillir

(een burcht) bestormen, aanvallen

497

assaisonner

(een gerecht) kruiden

498

l'assassin (m)

de moordenaar

499

l'assassinat (m)

de moord (aanslag)

500

assassiner

vermoorden

501

l'assaut (m)

de bestorming (aanval)

502

l'assemblée (f)

de vergadering

503

assembler

(een apparaat) in elkaar zetten

504

asseoir

(een kind) neerzetten

505

asservir

(een land) onderwerpen

506

assez

genoeg

507

assiéger

(een stad) belegeren

508

l'assiette (f)

het bord (om uit te eten)

509

assimiler

(kennis) opnemen

510

assis

gezeten

511

l'assistance (f)

de bijstand (rechtsbijstand)

512

l'assistant (m)

de assistent

513

assister

(iemand) bijstaan

514

assister à; assisté, assistant

(een toneelvoorstelling) bijwonen, bijgewoond, bijwonende

515

l'association (f)

de vereniging (organisatie)

516

l'associé (m)

de vennoot

517

associer

in verband brengen (met)

518

assombrir

donker maken, verduisteren

519

assommant

(een) stomvervelend (werk)

520

assommer

(iemand dodelijk) neerslaan

521

assorti à

passend bij

522

assortir

assorteren

523

assouplir

(het reglement) versoepelen

524

assourdissant

(een) oorverdovend (lawaai)

525

assumer

(de verantwoordelijkheid) op zich nemen

526

l'assurance (f)

de verzekering

527

assuré

verzekerd (zijn tegen brand)

528

assurément

gewis (en zeker)

529

assurer

verzekeren

530

l'asthénie (f)

de zwakte, de krachteloosheid

531

l'astre (m)

het hemellichaam

532

astreindre

(iemand streng) verplichten (tot iets), dwingend opleggen

533

l'astrologie (f)

de astrologie

534

astrométrique; astrométrique

astrometrisch

535

l'astronaute (m)

de ruimtevaarder, de astronaut

536

astucieux; astucieuse, astucieux

listig (zijn)

537

atelier (m)

de werkplaats

538

l'athlète (m/f)

de atleet, de atlete

539

l'athlétisme (m)

de atletiek

540

atlantique; atlantique

Atlantisch

541

l'atmosphère (f)

de atmosfeer (rond de aarde)

542

l'atout (m)

de troef (een voordeel)

543

l'âtre (m)

de haard

544

atroce; atroce

gruwelijk (een gruwelijke misdaad)

545

attabler; attablé

aan tafel doen plaatsnemen, aan tafel gezeten

546

attaché à

gehecht (aan)

547

l'attache (f)

de papierklem

548

l'attachement (m)

de gehechtheid (aan iemand)

549

attacher; attaché

vastmaken, vastgemaakt

550

l'attaque (f)

de overval (op de bank), de aanval

551

attaquer; attaqué

aanvallen

552

atteindre

(zijn doel) bereiken

553

atteint de

getroffen (door)

554

attendre

wachten

555

attendrir

vertederen

556

attendu que

aangezien (hij niet komt, ...)

557

l'attentat (m)

de aanslag

558

l'attente (f)

de wachttijd

559

attentif; attentive

aandachtig (zijn)

560

l'attention (f)

de aandacht, de oplettendheid

561

attention!

opgelet!

562

atterrir

landen (het vliegtuig landt)

563

l'atterrissage (m)

de landing (van het vliegtuig)

564

attester

(van moed) getuigen

565

attirant

aantrekkelijk, innemend

566

attirer l'attention

de aandacht trekken

567

l'attitude (f)

de houding (gedrag)

568

l'attraction (f)

de attractie

569

l'attrait (m)

de aantrekkingskracht (van het avontuur)

570

l'attrape-mouche (m); les attrape-mouches

de vliegenvanger

571

attraper

(dieren) vangen

572

attraper froid

kouvatten

573

attrayant

(een) aantrekkelijk (landschap)

574

attribuer

toewijzen (aan)

575

attrister; attristé

bedroeven, bedroefd

576

au bord de

aan de rand van

577

au bout de

aan het einde van

578

au coeur de

in het midden van

579

au comptant

contant (betalen)

580

au contraire

integendeel

581

au cours de

in de loop van (de dag)

582

au début

in het begin

583

au demeurant

overigens

584

au fait

ter zake, zeg eens, nu ik er aan denk

585

au fond

eigenlijk (in feite)

586

au fur et à mesure que

naarmate

587

au lieu de

in plaats van

588

au milieu de

te midden van

589

au moins

(er waren) minstens (80 personen)

590

au nord de

ten noorden van

591

au premier plan

op de voorgrond

592

au revoir!

tot ziens!

593

au secours!

help!

594

au sein de

te midden van, midden in, in het kader van

595

au sud de

ten zuiden van

596

au sujet de

met betrekking tot, naar aanleiding van, over

597

l'aube (f)

het ochtendgloren

598

l'auberge (f)

de herberg

599

l'auberge de jeunesse (f)

de jeugdherberg

600

aucun ne, aucune ne; (pron. ind.)

geen enkel(e)

601

l'audace (f)

het lef (moed)

602

audacieux; audacieuse, audacieux

overmoedig (zijn), gedurfd, gewaagd

603

au-delà de

boven, aan de andere kant van

604

au-dessous de

beneden, onder

605

au-dessus de

boven

606

l'audience (f)

de audiëntie

607

l'auditeur (m)

de luisteraar

608

l'audition (f)

een auditie, het horen, het beluisteren, het gehoor

609

l'augmentation (f)

de vermeerdering

610

augmenter

(de prijs) verhogen, vermeerderen

611

aujourd'hui

vandaag

612

auparavant

(een maand) eerder

613

auprès

er dicht bij, in de nabijheid

614

auprès de

dicht bij, bij

615

auquel, à laquelle, auxquels, auxquelles; (pron. rel.)

aan wie, aan wat, waaraan

616

l'aurore (f)

de morgenstond

617

aussi

ook

618

aussi longtemps que

zolang als

619

aussitôt

aanstonds (vertrekken)

620

austère; austère

streng, sober

621

australien; australienne

Australisch

622

autant

hetzelfde, evenzo, evenveel

623

autant de

zoveel, evenveel

624

autant que

evenveel (... als), evenzeer (... als)

625

l'autel (m)

het altaar

626

l'auteur (m)

de schrijver, de auteur

627

l'authenticité (f)

de echtheid

628

authentique; authentique

(een) authentiek (exemplaar)

629

autiste; autiste

autistisch

630

l'autiste (m/f)

de autist

631

l'auto (f)

de auto

632

l'autobus (m)

de autobus

633

l'autocar (m)

bus, touringcar

634

l'autocollant (m)

de zelfklever

635

l'auto-école (f)

de rijschool

636

automatiquement

automatisch

637

l'automne (m)

de herfst

638

l'automobiliste (m/f)

de automobilist, de autobestuurster

639

autonome; autonome

(een) autonoom (bestuur)

640

l'autorisation (f)

de vergunning (machtiging)

641

autorisé

(een) bevoegd (persoon)

642

autoriser

(iemand) machtigen, toestaan

643

autoritaire

(een) autoritair (man)

644

l'autorité (f)

het gezag

645

les autorités (f)

de overheid (autoriteiten)

646

l'autoroute (f)

de autosnelweg

647

autour de

rond, om

648

autre

(een) ander (kind)

649

autre part

(hij is) ergens anders

650

autrefois

vroeger (eertijds)

651

autrement

anders (gezegd)

652

autrichien; autrichienne

Oostenrijks

653

auvergnat; auvergnate

van Auvergne

654

aux dépens de

ten koste van

655

aux environs de

in de omgeving van

656

avancé

(een) gevorderd (stadium)

657

avancer

(een stap) vooruitgaan

658

avant

voor

659

l'avantage (m)

het voordeel

660

avantager

bevoordelen

661

avantageusement

voordelig, gunstig

662

avantageux, avantageuse; avantageux

(een) voordelig (tarief)

663

l'avant-bras (m) ; les avant-bras

de onderarm

664

avant-dernier; avant-dernière

voorlaatst (het voorlaatste woord van een tekst)

665

avant-hier

eergisteren

666

avare, avare

gierig (zijn)

667

avec

met

668

avec ardeur

hartstochtelijk (zingen)

669

avec exactitude

nauwgezet (zijn werk uitvoeren)

670

avec insistance

nadrukkelijk (vragen om op tijd te komen)

671

avec lequel; (pron. rel.)

waarmee

672

avec préméditation

met voorbedachten rade

673

avec sursis

(drie jaar) voorwaardelijk

674

l'avènement (m)

de troonsbestijging

675

l'avenir (m)

de toekomst

676

l'aventure (f)

het avontuur

677

l'avenue (f)

de laan

678

l'aversion (f)

de afkeer

679

avertir; averti

waarschuwen

680

l'avertissement (m)

de waarschuwing

681

l'aveu (m)

de bekentenis (afleggen)

682

aviateur

de vliegenier, de piloot

683

l'aviation (f)

de luchtvaart

684

l'aviation civile (f)

de burgerluchtvaart

685

avide

begerig (zijn)

686

l'avidité (f)

de begerigheid (gretigheid)

687

l'avion (m)

het vliegtuig

688

l'avion à réaction (m)

het straalvliegtuig

689

l'avis (m)

de mening

690

l'avocat (m)

de advocaat

691

l'avoine (f)

de haver

692

avoir

hebben

693

avoir bon goût

lekker smaken (de soep smaakt lekker)

694

avoir confiance

vertrouwen hebben

695

avoir du talent

talent hebben

696

avoir envie de

zin hebben in (iets)

697

avoir faim

honger hebben

698

avoir honte

zich schamen (over)

699

avoir l'air

de indruk geven (een intelligente indruk geven)

700

avoir l'air d'un détenné fam.

er uitgeput uitzien

701

avoir lieu

plaats vinden (gebeuren)

702

avoir mal

pijn hebben

703

avoir peur

bang zijn

704

avoir pitié

medelijden hebben (met iemand)

705

avoir quelque chose sur soi

iets bij zich hebben / dragen

706

avoir raison

gelijk hebben

707

avoir recours à

zijn toevlucht nemen tot (uiterste middelen)

708

avoir soif

dorst hebben

709

avoir sommeil

slaap hebben

710

avoir tort

ongelijk hebben

711

avoir tout en main

alles in de hand hebben,
alles onder controle hebben

712

avoir un rendez-vous

een afspraak hebben (met iemand)

713

avouer; avoué

(zijn ongeluk) toegeven

714

avril

april

715

l'axe (m)

de as (spil)

716

l'ayant cause (m) ; les ayants cause

de rechtverkrijgende

717

l'ayant droit (m) ; les ayants droit

de rechthebbende