woordjes M Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes M > Flashcards

Flashcards in woordjes M Deck (415):
1

mâcher

kauwen

2

machette, la

het kapmes

3

machine, la

de machine

4

machine à écrire, la

de schrijfmachine

5

machine à laver, la

de wasmachine

6

maçon, le

de metselaar

7

madame; mesdames; Mme

mevrouw

8

mademoiselle; mesdemoiselles, Mlle

juffrouw

9

magasin, le

de winkel

10

magazine, le

het magazine

11

magie, la

de toverkunst

12

magique; magique

magisch (een magische macht)

13

magistrat, le

de magistraat

14

magnétophone, le

de bandopnemer

15

magnétoscope, le

de videorecorder

16

magnifique; magnifique

(een) magnifiek (spektakel)

17

mai

mei

18

maigre; maigre

mager (zijn)

19

maigrir; maigri

vermageren, vermagerd

20

maillot de bain, le

het badpak

21

main, la

de hand

22

main courante, la

de trapleuning

23

main-d'oeuvre, la; les mains-d’oeuvre

de arbeidskracht

24

maintenant

nu (vertrekken)

25

maintenir

(de orde) handhaven

26

mairie, la

het gemeentehuis

27

mais

maar

28

maison, la

het huis

29

maître, le

de meester

30

maîtresse, la

de onderwijzeres

31

maîtrise, la

de beheersing (zelfbeheersing)

32

maîtriser

(zijn woede) beheersen

33

majeur

meerderjarig (zijn)

34

majorité, la

de meerderheid

35

mal, le; les maux

de pijn

36

mal

slecht

37

mal à aise

niet op zijn gemak (zijn)

38

malade; malade

ziek (zijn)

39

maladie, la

de ziekte

40

maladif; maladive

ziekelijk, ongezond

41

maladresse, la

de onhandigheid

42

maladroit

onhandig (zijn)

43

malchance, la

de pech (pech hebben)

44

mâle, le

het mannetje (mannetjesdier)

45

malentendu, le

het misverstand

46

malfaiteur, le

de boosdoener

47

malgré

ondanks (de regen, vertrekken we toch)

48

malheur, le

het ongeluk (ellende)

49

malheureusement

helaas, jammer

50

malheureux; malheureuse, malheureux

ongelukkig (zijn)

51

malhonnête; malhonnête

oneerlijk (zijn)

52

malice, la

de slimmigheid

53

malicieux; malicieuse; malicieux

(een) guitig (kind)

54

malin; maligne

slim (handig en geslepen)

55

malin; maligne

kwaadaardig (medisch)

56

Malines f

Mechelen

57

malle, la

de reiskoffer

58

maltraiter

mishandelen

59

mammifère, le

het zoogdier

60

manche, le

het heft (van een mes)

61

manche, la

de mouw

62

mandat postal, le

de postwissel

63

manette, la

de hendel (met de hand bediend)

64

manger; mangé

eten, gegeten

65

manger des friandises

snoepen

66

maniable; maniable

(een) hanteerbaar (werktuig)

67

maniaque; maniaque

maniakaal (een maniakale correctie)

68

manie, la

de manie

69

manier

(een toestel) hanteren

70

manière, la

de manier

71

manifestant, le

de betoger

72

manifestation, la

de betoging

73

manipuler

manipuleren

74

manivelle, la

de zwengel (aan een toestel)

75

manque, le

het gebrek (aan geld)

76

manquer; manqué

ontbreken, missen, ontbroken

77

manquer à son devoir

tekortschieten (in zijn plicht)

78

manquer de

gebrek hebben aan (geld)

79

manteau, le; les manteaux

de mantel (kledingstuk)

80

manuel, le

het handboek

81

manuel; manuelle

manueel

82

manuscrit, le

het manuscript

83

maquillage, le

de schmink

84

maquiller; maquillé

opmaken, schminken, opgemaakt

85

maraîcher, le

de groentekweker

86

marais, le

het moeras

87

marbre, le

het marmer

88

marchand, le

de koopman

89

marchander

afdingen

90

marchandise, la

de koopwaar

91

marche, la

de trede,de mars, de wandeling

92

marché, le

de markt

93

marcher; marché

(een uurtje) stappen, gestapt

94

mardi

dinsdag

95

maréchal, le

de maarschalk

96

marée basse, la

de eb

97

marée haute, la

de vloed (hoogtij)

98

marge, la

de kantlijn

99

marguerite, la

het madeliefje

100

mari, le

de man (echtgenoot)

101

mariage, le

het huwelijk

102

marié

getrouwd (zijn)

103

marié, le

de bruidegom

104

mariée, la

de bruid

105

marin, le

de zeeman

106

marin

zee- (van de zee)

107

marine, la

de marine

108

marinier, le

de schipper

109

maritime; maritime

(het) maritiem (transport)

110

marmite, la

de kookpot

111

marque, la

het merk (van een wagen)

112

marquer

(een woord) markeren

113

marraine, la

de meter (van een petekind)

114

marrant

grappig, leuk

115

marron, le

de kastanje

116

marron; (inv)

kastanjebruin

117

mars

maart

118

marteau, le; les marteaux

de hamer

119

masculin

mannelijk

120

masque, le

het masker

121

masquer

(de waarheid) verbergen

122

massacrer

afslachten (tijdens gevechten)

123

masse, la

de massa

124

massif; massive

massief (goud)

125

massif; massive

(een productie) op grote schaal

126

mat

mat, dof

127

match, le; les matches

de match

128

matelas, le

de matras

129

matelot, le

de matroos

130

matériau, le; les matériaux

het materiaal, het bouwmateriaal

131

matériaux m, les

de materialen

132

matériel

(een) materieel (aspect)

133

maternel; maternelle

moederlijk (de moederlijke liefde)

134

mathématiques f, les

de wiskunde

135

matière, la

de materie

136

matière grasse, la

het vetgehalte

137

matière première, la

de grondstof

138

matin, le

de morgen (de ochtend)

139

maudire

vervloeken

140

maussade; maussade

(een) nors (karakter)

141

mauvais; mauvaise; mauvais

slecht (weer)

142

mauvaise herbe, la

het onkruid

143

mauve; mauve

mauve (zachtpaars)

144

maximum, le

het maximum

145

mazout, le

de stookolie

146

me; (pron. pers.)

mij, me (MV)

147

me: (je) me (lave); (pron. réfléchi.)

(ik was) mij, me

148

mécanicien, le

de mecanicien

149

mécanique; mécanique

mechanisch (speeltuig)

150

mécanisme, le

het mechanisme

151

méchanceté, la

de boosaardigheid (van zijn opmerking)

152

méchant

(een) stout (kind)

153

mèche, la

de haarlok

154

méconnaître

miskennen

155

mécontent

ontevreden (zijn)

156

mécontentement, le

de ontevredenheid

157

médecin, le

de dokter

158

médical; médicale; médicaux

medisch, geneeskundig

159

médicament, le

het geneesmiddel, het medicijn

160

médiocre; médiocre

(een) middelmatig (restaurant)

161

médiocrité, la

de middelmatigheid

162

médire

kwaadspreken (over iemand)

163

méditer

mediteren

164

méditerranéen; méditerranéenne

mediterraan

165

méfiance, la

het wantrouwen

166

méfiant

wantrouwig (zijn)

167

mégot, le

het peukje (van de sigaret)

168

meilleur

beter, beste

169

mélange, le

het mengsel

170

mélanger

mengen

171

membre, le

het lid (van een organisatie)

172

même adj

zelfde, gelijke

173

même adv

zelfs

174

même chose, la

hetzelfde

175

même si

zelfs indien

176

mémoire, la

het geheugen

177

mémorable; mémorable

gedenkwaardig (een gedenkwaardige dag)

178

menace, la

de bedreiging

179

menacé

bedreigd (zijn)

180

menacer

bedreigen

181

ménage, le

het huishouden

182

ménager; ménagère

huishoud-, huishoudelijk

183

ménagère, la

de huisvrouw

184

mendiant, le

de bedelaar

185

mener

leiden (deze weg leidt naar de stad)

186

mener à bien

(iets) tot een goed einde brengen

187

menottes f, les

de handboeien

188

mensonge, le

de leugen

189

mensuel; mensuelle

maandelijks (salaris)

190

mentalité, la

de mentaliteit

191

menteur, le

de leugenaar

192

menteur; menteuse

leugenachtig

193

mention, la

de vermelding (eervolle vermelding)

194

mentionner

vermelden

195

mentir; menti

liegen, gelogen

196

menu, le

het menu

197

menuisier, le

de meubelmaker (timmerman)

198

mépris, le

de minachting

199

méprisant

(een) minachtend (gebaar)

200

mépriser

minachten

201

mer, la

de zee

202

merci

dank u

203

mercredi

woensdag

204

mère, la

de moeder

205

mère adoptive, la

de pleegmoeder

206

mère d'accueil, la

de onthaalmoeder

207

méridional; méridionale, méridionaux

(een) zuidelijk (klimaat)

208

mérite, le

de verdienste

209

mériter

(een compliment) verdienen

210

merveilleusement

wonderlijk, wonderbaarlijk goed

211

merveilleux; merveilleuse; merveilleux

wonderlijk

212

mesquin

(een) kleingeestig (gedrag)

213

message, le

de boodschap

214

messeoir

niet betamen

215

mesure, la

de maatregel

216

mesurer

(iets) meten

217

métal, le; les métaux

het metaal

218

métallique; métallique

metaalachtig

219

métallurgie, la

de metaalindustrie

220

métamorphoser

veranderen, transformeren

221

météo, la

het weerbericht

222

météorologique; météorologique

(een) weerkundig (specialist)

223

méthode, la

de methode

224

méthodique; méthodique

(een) methodisch (onderzoek)

225

métier, le

het vak (beroep)

226

mètre, le

de meter (1 meter lang)

227

métro, le

de metro

228

mets, le

het gerecht (spijs)

229

metteur en scène, le

de regisseur

230

mettre; mis

neerleggen, neergelegd

231

mettre à la disposition

ter beschikking stellen

232

mettre au courant

(iemand) op de hoogte brengen

233

mettre au point

op punt stellen

234

mettre en déroute

op de vlucht jagen

235

mettre en émoi

in opschudding brengen

236

mettre en ordre

(zijn bureau) opruimen

237

mettre l'accent

de klemtoon leggen (op het probleem)

238

meuble, le

het meubel

239

meubler

meubileren

240

meurtre, le

de moord

241

meurtrier, le

de moordenaar

242

meurtrier; meurtrière

moorddadig

243

Mexique, le

Mexico

244

micro, le

de micro

245

midi, le

de middag

246

miel, le

de honing

247

miette, la

de kruimel

248

mieux

beter, best

249

mignon; mignonne

lief (schattig)

250

migration, la

de migratie

251

mil

duizend

252

Milan m

Milaan

253

milanais; milanaise; milanais

Milanees

254

milicien, le

de dienstplichtige

255

milieu, le

het midden (van de kamer)

256

milieu, le; les milieux

het milieu (leefklimaat)

257

militaire; militaire

(een) militair (ziekenhuis)

258

mille

duizend

259

milliard, le

het miljard

260

millier, le

het duizendtal

261

millimètre, le

de millimeter

262

million, le

het miljoen

263

mince; mince

(een) dun (plakje vlees)

264

mine, la

de mijn (van steenkool)

265

minéral; minérale; minéraux

mineraal (water)

266

minéral, le; les minéraux

het mineraal

267

minestrone, le

de minestrone

268

mineur, le

de minderjarige

269

mini miroir, le

de minispiegel

270

minimal; minimale; minimaux

minimaal, minimum-, kleinste

271

minimum, le

het minimum

272

ministère, le

het ministerie

273

ministre, le

de minister

274

minorité, la

de minderheid

275

minuit

middernacht

276

minuscule; minuscule

zeer klein

277

minute, la

de minuut

278

miracle, le

het wonder

279

miraculeux; miraculeuse; miraculeux

(een) wonderbaarlijk (feit)

280

miroir, le

de spiegel

281

mise en scène, la

de regie (van een toneelstuk)

282

miser

(geld) inzetten (bij een spel)

283

misérable; misérable

(een) ellendig (bestaan)

284

misère, la

de ellende

285

missile, le

de raket (wapen)

286

mission, la

de opdracht (taak)

287

mixeur, le

de mixer, de keukenmixer

288

mobile; mobile

beweeglijk (zijn)

289

mobilier, le

de roerende goederen
het meubilair

290

mobilier; mobilière

verhandelbaar

291

mobilité, la

de mobiliteit

292

moche; moche

lelijk

293

mode, la

de mode

294

mode d'emploi, le

de gebruiksaanwijzing

295

modèle, le

het model

296

modeler

boetseren

297

modéré

gematigd (zijn in zijn oordeel)

298

modérer

temperen

299

moderne; moderne

(een) modern (gebouw)

300

moderniser

moderniseren

301

modeste; modeste

(een) bescheiden (levensstijl)

302

modestie, la

de bescheidenheid

303

modification, la

de wijziging

304

modifier

wijzigen

305

modique; modique

(een) bescheiden (loon)

306

moelleux; moelleuse, moelleux

(een) zacht (tapijt)

307

moeurs f, les

de zeden

308

moi; (pron. pers.)

ik

309

moi; (pron. pers.)

mij, me (MV)

310

moi: (de) moi; (pron. pers.)

(over) mij

311

moi-même; (pron. pers.)

ikzelf

312

moindre; moindre

minste

313

moine, le

de monnik

314

moineau, le

de mus

315

moins

(hij is) minder (rijk)

316

moins valide

minder valide

317

mois, le; les mois

de maand

318

moisissure, la

de schimmel (op voedingswaren)

319

moisson, la

de oogst

320

moitié, la

de helft

321

moment, le

het moment

322

momentanément

tijdelijk, voor een ogenblik

323

mon, ma, mes

mijn

324

monarchie, la

de monarchie

325

monastère, le

het klooster

326

monde, le

de wereld

327

mondial; mondiale; mondiaux

wereld-

328

monnaie, la

het kleingeld

329

monopole, le

het monopolie

330

monotone; monotone

(een) eentonig (boek)

331

monotonie, la

de monotonie, de eentonigheid, de saaiheid

332

Mons m

Bergen

333

monsieur; messieurs

mijnheer

334

monstre, le

het monster

335

monstrueux; monstrueuse; monstrueux

(dat is) monsterlijk

336

montagnard, le

de bergbewoner

337

montagne, la

de berg

338

montagneux; montagneuse, montagneux

(een) bergachtig (massief)

339

montant, le

het bedrag

340

montant, le

de stijl (raam, ladder)

341

monter; monté

naar boven gaan, naar boven gegaan

342

montre, la

het horloge

343

montrer; montré

(de gast zijn kamer) tonen, getoond

344

monument, le

het monument

345

monumental; monumentale; monumentaux

(een) monumentaal (gebouw)

346

moquerie, la

de spot (spotternij)

347

moquette, la

het vast tapijt (van wol)

348

moral; morale; moraux

(een) moreel (oordeel)

349

morale, la

de moraal

350

morceau, le

het stuk (taart)

351

mordiller

knabbelen (op een koekje)

352

mordre; mordu

bijten, gebeten

353

morne; morne

(een) droefgeestig (leven)

354

morose; morose

zwaarmoedig (zijn)

355

mort, la

de dood

356

mort

dood, gestorven, overleden

357

mortel; mortelle

(een) dodelijk (ongeval)

358

mortier, le

de mortel (om te metselen)

359

mort-né; mort-née

doodgeboren

360

mot, le

het woord

361

mot de passe, le

het paswoord

362

moteur, le

de motor

363

moteur à essence, le; les moteurs à essence

de benzinemotor

364

motif, le

de beweegreden

365

moto, la

de moto

366

motocyclette, la

de motorfiets

367

motoriser; motorisé

motoriseren, gemotoriseerd

368

mots croisés m, les

het kruiswoordraadsel

369

mou; molle

week (brood), (een) zachte (wang)

370

mouche, la

de vlieg

371

mouchoir, le

de zakdoek

372

moudre

(koffie) malen

373

mouillé

nat (een natte jas)

374

mouiller

natmaken

375

moule, la

de mossel

376

moulin, le

de molen

377

mourir

sterven

378

mousse, la

het schuim (van zeep)

379

moustache, la

de snor

380

moustique, le

de mug

381

moutarde, la

de mosterd

382

mouton, le

het schaap

383

mouvement, le

de beweging

384

mouvementé

(een) veelbewogen (weekend)

385

mouvoir

bewegen

386

moyen, le

het middel (mogelijkheid)

387

moyennant

door middel van, tegen

388

moyenne, la

het gemiddelde

389

muet; muette

stom (zwijgend)

390

mule, la

de muil

391

multiple, le

het veelvoud

392

multiplication, la

de vermenigvuldiging

393

multiplier

vermenigvuldigen

394

multitude, la

de menigte (groot aantal)

395

muni

uitgerust (zijn met een kompas)

396

municipal; municipale; municipaux

(het) gemeentelijk (stadion)

397

municipalité, la

het gemeentebestuur

398

mur, le

de muur

399

mûr

rijp (fruit)

400

muraille, la

de stadsmuur

401

mûrir

rijpen (het fruit rijpt)

402

murmure, le

het gemompel

403

murmurer

mompelen

404

musculaire; musculaire

spier-

405

musée, le

het museum

406

musical; musicale; musicaux

(een) muzikaal (talent)

407

music-hall, le; les music-hall

het variététheater

408

musicien, le

de musicus

409

musique, la

de muziek

410

mutualité, la

het ziekenfonds, de mutualiteit

411

mutuel; mutuelle

(een) wederzijds (akkoord)

412

mutuelle, la

het ziekenfonds

413

mystère, le

het mysterie

414

mystérieux; mystérieuse, mystérieux

mysterieus (zijn)

415

mythe, le

de mythe, de legende, de fabel