woordjes H Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes H > Flashcards

Flashcards in woordjes H Deck (140):
1

habileté f, l'

de handigheid

2

habillé

gekleed (zijn)

3

habillement m, l'

de kleding

4

habiller

(iemand) kleden

5

habitant m, l'

de inwoner

6

habitation f, l'

de woning

7

habiter; habité

wonen, gewoond

8

habitude f, l'

de gewoonte

9

habituel; habituelle

(zijn) gewoon (gedrag)

10

hache, la

de bijl

11

hacher; haché

hakken, gehakt

12

hachette, la

het bijltje

13

haie, la

de haag

14

haine, la

de haat

15

haïr

haten

16

haleter

hijgen

17

hall, le

de hal (inkomhal)

18

halte, la

de stopplaats, de rustplaats, de halte

19

halte-garderie, la

de crèche, de kinderopvang

20

hamburger, le

de hamburger

21

hameau, le

het gehucht

22

hangar, le

de loods (gebouw)

23

harceler

(iemand met vragen) bestoken

24

hardi

stoutmoedig (zijn)

25

hardiesse, la

de onverschrokkenheid

26

hargneux; hargneuse; hargneux

prikkelbaar, nijdig, geïrriteerd

27

haricots m, les

de boontjes

28

harmonie f, l'

de harmonie

29

harmonieux; harmonieuse; harmonieux

(een) harmonisch (geheel)

30

hasard, le

het toeval, het lot

31

hasardeux; hasardeuse; hasardeux

(een) gewaagd (project)

32

hâte, la

de haast

33

hausse, la

de stijging (van de prijzen)

34

haut

(een) hoog (gebouw)

35

hautain

hoogmoedig, arrogant

36

hauteur, la

de hoogte (van een gebouw)

37

haut-parleur, le; les haut-parleurs

de luidspreker

38

hebdomadaire m, l'

het weekblad

39

hébraïque; hébraïque

Hebreeuws

40

hébreu; hébreux

Hebreeuws

41

hectare m, l'

de hectare

42

hein

hè, wat

43

hélas

helaas

44

hélice f, l'

de schroef (van een helikopter)

45

hélicoptère m, l'

de helikopter

46

hémisphère m, l'

het halfrond

47

hennir

hinniken

48

herbe f, l'

het gras

49

héréditaire; héréditaire

(een) erfelijk (probleem)

50

héritage m, l'

de erfenis

51

hériter

erven (van een familielid)

52

héritier m, l'

de erfgenaam

53

hermétique; hermétique

hermetisch (een hermetische
verpakking)

54

héroïne f, l'

de heldin

55

héroïque; héroïque

(een) heldhaftig (gebaar)

56

héroïsme m, l'

de heldhaftigheid

57

héros, le

de held

58

hésitation f, l'

de aarzeling

59

hésiter

aarzelen

60

heure f, l'; h

het uur

61

heure d'affluence f, l'; les heures d’affluence

het spitsuur

62

heure de fermeture f, l';
les heures de fermeture

het sluitingsuur

63

heure d'été f, l'
les heures d’été

het zomeruur

64

heure d'hiver f, l'
les heures d’hiver

het winteruur

65

heures de pointe, les

het spitsuur

66

heureusement!

gelukkig!

67

heureux; heureuse, heureux

gelukkig (zijn)

68

heurter

stoten tegen

69

hibou, le; les hiboux

de uil

70

hideux; hideuse; hideux

(een) afzichtelijk (monster)

71

hier

gisteren

72

hier soir

gisterenavond

73

hirondelle f, l'

de zwaluw

74

histoire f, l'

de geschiedenis

75

historien m, l'

de historicus

76

historique; historique

(een) historisch (feit)

77

hiver m, l'

de winter

78

hobby, le; les hobbies

de hobby

79

hocher

(het hoofd) schudden

80

hold-up, le; les hold-up

de overval

81

hollandais; hollandaise; hollandais

Hollands

82

homard, le

de kreeft

83

homélie f, l'

de preek, de zedenpreek

84

hommage m, l'

de hulde

85

homme m, l'

de mens

86

homme m, l'

de man

87

homme d'affaires m, l';
les hommes d'affaires

de zakenman

88

honnête; honnête

eerlijk (zijn)

89

honnêteté f, l'

de eerlijkheid

90

honneur m, l'

de eer

91

honorable; honorable

(een) eerbaar (man)

92

honoraires m, les

het ereloon

93

honorer

eren

94

honte, la

de schaamte

95

honteux; honteuse; honteux

(een) schandelijk (gedrag)

96

hôpital m, l'; les hôpitaux

het ziekenhuis

97

hoqueter

hikken

98

horaire m, l'

het uurrooster

99

horizon m, l'

de horizon

100

horloge f, l'

het uurwerk, de klok

101

horloger m, l'

de horlogemaker

102

horoscopique; horoscopique

horoscopisch

103

horreur f, l'

de afschuw

104

horrible; horrible

afschuwelijk (een afschuwelijke misdaad)

105

hors de

buiten

106

hors de danger

buiten gevaar

107

hors-d'oeuvre, le

het voorgerecht (koud)

108

hospitalier

(een) gastvrij (man)

109

hospitalisation f, l'

de ziekenhuisopname

110

hospitalité f, l'

de gastvrijheid

111

hostile; hostil

vijandelijk (zijn)

112

hostilité f, l'

de vijandschap

113

hôte m, l'

de gast

114

hôtel m, l'

het hotel

115

hôtel de ville m, l'; les hôtels de ville

het stadhuis

116

hôtesse de l'air f, l'; les hôtesses de l’air

de stewardess

117

houille, la

de steenkool (witte steenkool)

118

housse, la

de overtrek, de hoes

119

huile f, l'

de olie

120

huître f, l'

de oester

121

humain

(het) menselijk (gedrag)

122

humanité f, l'

de mensheid

123

humble; humble

nederig (zijn)

124

humecter

(een doek) bevochtigen

125

humeur f, l'

het humeur

126

humide; humide

(een) vochtig (klimaat)

127

humidité f, l'

de vochtigheid

128

humiliant

(het is) vernederend

129

humiliation f, l'

de vernedering

130

humilier

vernederen

131

humilité f, l'

de nederigheid

132

humoriste m/f, l'

de humorist

133

humour m, l'

de humor

134

hurlement, le

het gebrul (van woede)

135

hurler

brullen (van woede)

136

hygiène f, l'

de hygiëne

137

hypocrisie f, l'

de hypocrisie

138

hypocrite; hypocrite

schijnheilig (zijn)

139

hypothermie f, l'

de ondertemperatuur, de afkoeling

140

hypothèse f, l'

de hypothese