woordjes C2 Flashcards Preview

Frans Woordschat Selor > woordjes C2 > Flashcards

Flashcards in woordjes C2 Deck (139):
1

coup de fil, le; les coups de fil

het telefoontje (conversatie)

2

coup de pied, le; les coups de pied

de stamp (iemand een stamp geven)

3

coup de poing, le; les coups de poing

de vuistslag

4

coup de soleil, le; les coups de soleil

de zonnesteek

5

coup de vent, le; les coups de vent

de windstoot

6

coup d'état, le; les coups d’état

de staatsgreep

7

coup d'oeil, le; les coups d’oeil

de blik, de oogopslag

8

coupable, coupable

schuldig (zijn)

9

coupe, la

de beker (ijsbeker)

10

coupe-faim, le

de eetlustremmer

11

couper; coupant, coupé

(papier) knippen, snijden,
knippend, geknipt

12

couple, le

het koppel (een gelukkig koppel)

13

cour, la

het hof (gerechtshof)

14

cour d'appel, la

het hof van beroep

15

cour d’assises, la

het Hof van Assisen

16

courage, le

de moed

17

courageux; courageuse; courageux

(een) moedig (man)

18

couramment

geregeld (zeggen)

19

courant, le

de stroom (elektriciteit)

20

courant d'air, le; les courants d'air

de luchtstroom

21

courbe, la

de curve

22

courber

doorbuigen (een staaf)

23

coureur cycliste, le

de wielrenner

24

courir; couru

(naar het station) lopen

25

couronne, la

de kroon (van de koning)

26

couronner

(iemand) kronen (tot keizer)

27

courrier, le

de post (de ontvangen brieven)

28

cours, le; les cours

de cursus (wiskunde)

29

course, la

de wedloop, de wedren

30

court

kort (een korte mantel)

31

court-circuit, le

de kortsluiting

32

courtier, le

de makelaar (tussenhandelaar in wijn)

33

courtois, courtoise, courtois

hoffelijk (zijn)

34

courtoisie, la

de hoffelijkheid

35

court-vêtu; court-vêtue

kortgerokt (vrouwen met korte rokken)

36

cousin, le

de neef

37

cousine, la

de nicht (dochter van oom)

38

coussin, le

het kussen (hoofdkussen)

39

coût, le

de kosten (van het levensonderhoud)

40

couteau, le; les couteaux

het mes

41

coutelas, le

het slagersmes

42

coûter; coûté

kosten, gekost

43

coûteux; coûteuse, coûteux

duur (een dure sport)

44

coutume, la

het gebruik (gewoonte)

45

couturier, le

de modeontwerper

46

couvent, le

het klooster

47

couvercle, le

het deksel

48

couvert

(een) overdekt (stadion)

49

couvert, le

het bestek (tafelbestek)

50

couverture, la

de deken (op een bed)

51

couvre-chef, le

het hoofddeksel

52

couvre-lit, le

de sprei

53

couvrir

(de gewonde met dekens) bedekken

54

crabe, le

de krab

55

craie, la

het krijt

56

craindre

vrezen

57

crainte, la

de vrees

58

crasseux; crasseuse, crasseux

vuil, smerig, vies

59

cravate, la

de stropdas

60

crayon, le

het potlood

61

crayonner

schetsen (met potlood)

62

créance, la

de schuldvordering

63

créancier, le

de schuldeiser

64

créateur, le

de ontwerper (van kleding)

65

créatif; créative

creatief, vindingrijk

66

création, la

de schepping

67

créature, la

het schepsel

68

crèche, la

de kribbe

69

crédit, le

het krediet

70

crédule, crédule

lichtgelovig, goedgelovig

71

créer

(een kunstwerk) scheppen, creëren

72

crème, la

de room

73

créneau, le

de kanteel

74

crêpe, la

de pannenkoek

75

crépiter

knetteren

76

crépuscule, le

de avondschemering

77

crête, la

de bergkam

78

creuser

(een put) graven

79

creux; creuse, creux

hol (een holle boom), diep (een diep bord); ingevallen, hol (ingevallen wangen)

80

crevé

doodmoe (zijn), lek (een lekke band)

81

crevette, la

de garnaal

82

cri, le

de schreeuw

83

criard

schreeuwerig

84

crier; crié

schreeuwen, geschreeuwd

85

crime, le

het misdrijf

86

criminel, criminelle

(een) misdadig (man)

87

crinière, la

de manen (van een paard)

88

crise, la

de crisis

89

cristal, le; les cristaux

het kristal

90

critère, le

het criterium

91

critique, la

de kritiek

92

critiquer

bekritiseren

93

crochet, le

de haak (om iets aan te hangen)

94

croire

geloven

95

croiser

(de benen) kruisen

96

croisière, la

de cruise

97

croître

groeien (deze gewassen groeien traag)

98

croix, la; les croix

het kruis

99

croque-madame, le; les croque-madame

de croque-madame

100

croque-monsieur, le; les croque-monsieur

de croque-monsieur

101

croquer

(tussen de tanden) kraken

102

croquis, le

de schets (om iets uit te leggen)

103

croûte, la

de korst (brood)

104

croyance, la

de geloofsovertuiging

105

croyant, le

de gelovige

106

cru

rauw (vlees)

107

crudités (f), les

de rauwkost

108

cruel, cruelle

wreed (een wrede man)

109

crustacés (m), les

de schaaldieren (eetbaar)

110

cube, le

de kubus

111

cubisme, le

het kubisme

112

cueillir

(bloemen) plukken

113

cuiller, la

de lepel

114

cuiller à soupe, la; les cuillers à soupe

de soeplepel (om soep mee te eten)

115

cuillerée, la

de lepel (inhoud)

116

cuir, le

het leder

117

cuire

(vlees) bakken

118

cuisine, la

de keuken

119

cuisinier, le

de kok

120

cuisinière, la

de kokkin

121

cuisinière, la

het kookfornuis

122

cuit

(een goed) gebakken (steak)

123

cuivre, le

het koper (metaal)

124

cuivré

koperkleurig

125

culbuter

buitelen (over kop gaan)

126

cul-de-sac, le; les culs-de-sac

de doodlopende straat

127

culotte, la

de korte broek

128

culte, le

de verering (van de persoon)

129

cultivé

bebouwd (een bebouwde akker)

130

cultiver

(een akker) bebouwen

131

culture, la

de cultuur

132

culturel, culturelle

(een) cultureel (centrum)

133

curé, le

de pastoor

134

curieux; curieuse, curieux

nieuwsgierig (zijn)

135

curiosité, la

de nieuwsgierigheid

136

cycle, le

de cyclus

137

cyclisme, le

de wielersport

138

cycliste, le

de fietser

139

cygne, le

de zwaan